Nederland heeft Surinaamse noodkreet onvoldoende op waarde geschat; In de greep van de cocainemafia

Recente beschuldigingen over betrokkenheid van de Surinaamse legertop bij de drugshandel, zoals onlangs in deze krant gepubliceerd, hebben ook in Suriname tot behoorlijk wat commotie geleid.

Voor betrokkenen is het in verband brengen van hun naam met de cocanehandel natuurlijk op zijn zachtst gezegd niet leuk. Maar de vraag of zij via een kort geding tegen deze krant en de media hun naam van blaam zullen kunnen zuiveren, zoals mij door betrokkenen via adviseur Herrenberg is verzocht te onderzoeken, heb ik inmiddels ontkennend moeten beantwoorden.

Dat zou pas anders zijn indien de publikaties zouden vallen onder de categorie 'onrechtmatige perspublikaties' omdat ze bijvoorbeeld onwaar zouden zijn, in onnodig grievende bewoordingen zouden zijn gesteld en niet beoogden het algemeen belang te dienen. “Onwaar” is volgens vaste jurisprudentie een perspublikatie niet omdat ze “in strijd is met de objectieve waarheid”. Het gaat er om, gelet op de snelheid waarmee de pers moet werken, of geuite beschuldigingen voldoende aannemelijk kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld doordat de krant op voldoende betrouwbare bronnen is afgegaan en ook eigen onderzoek heeft verricht. Zulke bronnen vormen zeker rapporten van de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency (DEA) en verhalen van gevluchte Surinamers, die uit eigen wetenschap kunnen verklaren. Met deze laatste bronnen moet natuurlijk omzichtig worden omgesprongen, maar als hun aantal niet te verwaarlozen is en de verklaringen op hoofdzaken met elkaar overeenstemmen, dan zal geen Nederlandse rechter, ook niet in kort geding oordelend, ze als bewijsmateriaal terzijde kunnen schuiven.

Even afgezien van de vraag wie nu in Suriname precies bij de drugshandel zijn betrokken, staat onwrikbaar vast dat het land thans geheel in de greep van de cocanemaffia is terechtgekomen. Op zijn persconferentie van 11 juli heeft de huidige vice-president Jules Wijdenbosch, voorman van de aan het leger gelieerde Nationaal Democratische Partij (NDP) toegegeven dat “hoge militairen en ex-militairen en rijke zakenlieden uit alle lagen van de samenleving” betrokken zijn bij de drugshandel. De vice-president was geschokt door het materiaal dat hem was aangedragen door de eigen Surinaamse justitie. Onder dat materiaal bevonden zich ambtsedige processen-verbaal van Surinaamse douaneambtenaren die verklaarden door hoge militairen te zijn omgekocht - elk voor 25.000 gulden - om partijen drugs naar Nederland te laten verschepen. Alhoewel de namen van die hoge militairen in de verbalen worden genoemd, kan de Surinaamse justitie, zoals zij de vice-president schreef, “in verband met de heersende machtsverhoudingen in het land” niet tot arrestatie overgaan, en daarom werd het pakket materiaal door justitie aan de vice-president overhandigd.

De vice-president kon er ook niets anders mee doen dan op zijn persconferentie verklaren “dat het drugsprobleem de Surinaamse regering boven het hoofd is gegroeid” en dat de Surinaamse regering nu “internationale hulp en bijstand zal vragen, zelfs van Nederland ondanks de verstoorde relatie, in de strijd tegen de drugshandel”. Kort na deze persconferentie ontvingen inderdaad een reeks van landen, waaronder Nederland, van de demissionaire regering-Kraag-Wijdenbosch een diplomatieke nota waarin om die steun wordt gevraagd. Op dit verzoek heeft voorlopig alleen de regering van de Verenigde Staten gereageerd door drie ambtenaren van de DEA in Suriname te stationeren.

Zowel de stap van Wijdenbosch als die van het Surinaamse openbaar ministerie getuigen van een noodkreet, die in Nederland, tot welk land die noodkreet in eerste instantie is gericht, onvoldoende op waarde is geschat. Wat is er immers aan de hand? Het Surinaamse openbaar ministerie laat de eigen regering weten niet meer in staat te zijn tegen de drugsmafia op te treden. Deze regering laat vervolgens de wereld, in casu Nederland, weten die strijd ook niet meer aan te kunnen. Al veel eerder had het openbaar ministerie na bedreigingen of 'interventie van hoger hand' onderzoekingen naar drugstransporten en aan drugs gelieerde criminaliteit moeten staken. Naar aanleiding van het weer op niets uitlopen van een onderzoek naar moorden als gevolg van afrekeningen binnen de drugswereld schreef het gezaghebbende Surinaamse dagblad De West van 8 maart 1991: “Het trieste van deze zaak is, dat navorsingen in zaken, de illegale handel in verdovende middelen betreffende, door onze overheid door vreemde redenen steeds op een dood spoor lopen”.

Naar aanleiding van het onderzoek naar de moord op de narcotica-politie-inspecteur Gooding, dat ook op niets uitliep, sprak het openbaar ministerie van 'een blinde muur', waarop het steeds liep als het om het onderzoeken van drugszaken en daaraan gelieerde criminaliteit gaat.

Dit alles laat geen andere conclusie toe dan dat het de drugsmafia is gelukt de opsporings- en vervolgingsorganen in Suriname geheel lam te leggen en het functioneren van de rechtsstaat in Suriname, wat een centrale doelstelling is van het Nederlandse beleid jegens Suriname, illusoir te maken. Noch de vroegere Frontregering, noch de huidige NDP-regering heeft het ontstaan van deze situatie kunnen verhinderen. Van de binnenkort aan te treden Nieuwe Frontregering kan ook geen verbetering worden verwacht. De gedoodverfde nieuwe president van het land, drs. R. Venetiaan heeft namelijk op 23 juli voor de radio (Veronica nieuws) verklaard dat ook zijn regering straks zonder - desnoods militaire! - steun van het buitenland de strijd tegen de drugsmafia niet zal aankunnen.

Er lijkt nu geen andere manier te zijn om te verhinderen dat Suriname cocane-exportland-nummer-een van de wereld wordt dan in OAS-verband een regionale strijdmacht, waaraan ook Nederland deelneemt, te formeren, die samen met de Surinaamse politie ieder stuk van het Surinaamse binnenland uitkamt waar volgens geruchten cocne-laboratoria in vol bedrijf zijn. Ook zal de strijdmacht met het oog op nader onderzoek ieder persoon moeten aanhouden jegens wie concrete verdenking van betrokkenheid bij de drugshandel bestaat. Zo'n interregionale drugsbestrijdingsoperatie kan binnen een maand zijn uitgevoerd; dat hebben kleiner samengestelde OAS-commissies voor onderzoek van schendingen van de mensenrechten in Suriname wel bewezen. Er is eigenlijk geen andere manier om de goede naam van Suriname en de rechtsstaat in dat land effectief te herstellen. Ook de goede naam trouwens van de door de publikaties in NRC Handelsblad in opspraak geraakte leden van de Surinaamse legertop voor zover zij volledige medewerking verlenen aan zo'n onderzoek en jegens hen ingebrachte beschuldigingen ongegrond zullen blijken te zijn. Zij verdienen in dat geval met glans te worden gerehabiliteerd!

Nederlandse medewerking aan het interregionaal politieel-militair optreden (en voor beide heeft Wijdenbosch in zijn diplomatieke nota de deur wagenwijd opengezet!) is eigenlijk essentieel wegens de mogelijkheid van berechting van bepaalde personen in Nederland indien de Surinaamse justitie om binnenlands politieke redenen daaraan de voorkeur zou geven. De Nederlandse Opiumwet gaat namelijk uit van een beperkt universaliteitsbeginsel: het is daardoor mogelijk (art. 13) personen in Nederland te berechten die uit het buitenland drugs binnen Nederland hebben (doen) invoeren. Berechting van de leiders van het Surinaamse drugskartel in Nederland is zeer wel haalbaar en wenselijk.

Is Nederland niet tot medewerking bereid, dan schiet het in de eerste plaats te kort in het nemen van een historisch bepaalde verantwoordelijkheid, waartoe het door andere landen (de Verenigde Staten, Frankrijk, Venezuela) meer dan eens is opgeroepen. In dat geval zal Nederland de toenemende instroom van drugs uit de voormalige kolonie grotendeels aan zichzelf hebben te wijten.