Haast Akzo tergt Spanje

Waar Akzo ook mee bezig is in Spanje, Holland Promotion is het zeker niet. Met verbazing en een zekere gene heeft men de afgelopen weken in Madrid en Barcelona de onhandige en slordige manier gevolgd waarop het Nederlandse bedrijf zich tracht te ontdoen van zijn Spaanse dochter La Seda. “ De wijze waarop Akzo uit La Seda is gestapt is een nouveaute in het gedrag van multinationals,” stelde het doorgaans ondernemersvriendelijke dagblad El Pais afgelopen maandag in een hoofdartikel vast. Onder het hoofdje 'Zonder manieren' komt de commentaarschrijver tot de conclusie dat het chemieconcern “het meest wrede en gevaarlijke gezicht van de multinationals heeft laten zien, een kant van de medaille die wij in deze jaren van een toestroom van buitenlands kapitaal vergeten waren.”

Het hoofdartikel in El Pais is geen late oprisping van reguleringssentiment, maar de uiting van een wijd verbreid gevoel. Niemand - niet de vakbonden, niet de banken en al evenmin de politiek - is van mening dat de Nederlanders verplicht zijn eindeloos geld te storten in een bedrijf dat naar hun mening niet meer winstgevend gemaakt kan worden. De aankondiging, ruim twee weken geleden, dat Akzo zijn meerderheidsbelang van 57,5 procent cadeau wilde doen aan wie het ook maar wilde hebben, kwam echter als een donderslag bij heldere hemel.

Na onderhandelingen met de banken, die woedend waren omdat zij de kredietkraan mede op grond van de goede naam van Akzo hadden opengehouden, bleek Akzo wel bereid een flink deel (ruim 140 miljoen gulden) van de opgebouwde schuldenlast af te betalen. Maar verder had Arnhem vooral verschrikkelijke haast om La Seda kwijt te raken. Toen het afgelopen vrijdag niet lukte om de aandelen aan een groep Catalaanse investeerders af te geven, werd nog diezelfde dag een tussenpersoon gevonden die ze in de komende weken elders moet zien te plaatsen. Deze Jacint Soler Padro, een advocaat die enige bekendheid geniet als actievoerder voor de belangen van kleine aandelhouders en doordat hij twee jaar geleden tevergeefs heeft geprobeerd voorzitter van de FC Barcelona te worden, heeft niet het vertrouwen van de lokale directie van La Seda en heeft ook geen kapitaal achter zich staan. Het lijkt er dan ook op dat hij vooral een liquidator is.

De haast waarmee Akzo zich van haar deelneming in La Seda probeert te ontdoen, steekt de Spanjaarden vooral omdat de Nederlandse betrokkenheid bij de grootste kunstvezelfabriek van hun land niet bepaald kortstondig is geweest. Zij dateert al van 1925. Als die fabriek nu slecht draait, is de leiding in Arnhem daar dan niet mede verantwoordelijk voor? Heeft zij geen maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de 2600 werknemers en hun gezinnen die van La Seda afhankelijk zijn? Had zij niet meer moeite kunnen doen om een serieuze koper te vinden? En zou het concern zich in Nederland ook zo gedragen, of speelt hier minachting voor Zuid-Europa mee?

Op al deze vragen heeft de concern-leiding totnu toe geen antwoord willen geven. Dat is jammer, want het moet niet uitgesloten worden geacht dat men in Arnhem totnutoe wel degelijk het beste voor heeft gehad met de kleine aandeelhouders van La Seda en met zijn Spaanse werknemers. Maar in een voor een multinational verbijsterend gebrek aan communicatief vermogen heeft men zelfs geen poging gedaan om dat duidelijk te maken. Daarmee is niet alleen de investering in La Seda afgeschreven. Het concern dat nog maar kort geleden miljoenen uitgaf aan een nieuw logo en een begeleidende reclamecampagne om zichzelf een wat menselijker gezicht te geven, lijdt hierdoor een schade aan zijn imago waaraan in ieder geval in Spanje nog jarenlang zal moeten worden afbetaald.