Groeiend aantal meldingen van kindermishandeling; De hulpverlening is vrijwillig, maar zeker niet vrijblijvend

ROTTERDAM, 1 AUG. De gymleraar belt naar het Bureau Vertrouwensarts. Hij heeft een kind van acht in de klas met lelijke krassen op de rug, die het onmogelijk zelf kan hebben toegebracht. Een opzetje: de vertrouwensarts adviseert contact op te nemen met de schoolarts, die 'toevallig' op school is. De schoolarts bekijkt het kind. Het is de verantwoordelijkheid van de school, want het kan best zijn dat het op het schoolplein is gebeurd. De schoolarts roept de ouders op. Daar komt moeder met het verhaal voor de draad: Vader slaat het kind nogal eens. Eigenlijk met de regelmaat van de klok en al vanaf het derde jaar. De schoolarts zegt dat het maatschappelijk werk moet worden ingeschakeld. Als dat wordt geweigerd, dreigt hij, wordt de zaak gemeld aan de 'vertrouwensarts inzake kindermishandeling'.

In het najaar begint de overheid een speciale campagne onder het motto 'Over sommige geheimen moet je praten'. De toename van het aantal meldingen van kindermishandeling was tussen 1985 en 1988 explosief. Vorig jaar was de toename minder, maar toch nog dertien procent ten opzichte van 1989.

De hulp is vrijwillig, maar zeker niet vrijblijvend. Mochten ouders hulp weigeren, dan kan de vertrouwensarts de Raad voor de Kinderbescherming er bij halen en dan dreigen maatregelen. Onder toezichtstelling met uit-huis-plaatsing, bijvoorbeeld.

Er zijn elf Bureaus Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, verspreid over tien provincies. De Landelijke Stichting die de bureaus overkoepelt begon in 1985, maar de eerste vertrouwensartsen in Amsterdam, Rotterdam, Arnhem en Groningen zaten er al in 1972, nadat eind jaren zestig een commissie de problematiek van de kindermishandeling was begonnen te bestuderen. Werden er in 1972 ongeveer 400 gevallen gemeld, vorig jaar was dat aantal opgelopen tot 8.225.

Vertrouwensarts R.A.C. Bilo van het Rotterdamse bureau denkt niet dat er meer wordt mishandeld. “Dat is van alle tijden en alle standen. Het is relevanter dat het nu wordt herkend en gemeld bij het bureau, een instantie die er voor is. De bekendheid met het fenomeen kindermishandeling en met het bureau zorgt voor de stijging. Het gaat dus steeds beter, al is nog niet iedereen even alert. Dat geldt trouwens ook voor mij. Ik deel mijn tijd hier met het werk op een consultatiebureau. Dan vertel ik hier soms dingen waarvan de collega's zeggen: 'waarom heb je dat niet gemeld?' Niet aan gedacht. Ik weet hoe moeilijk het is; onwillekeurig gun je de ouders steeds het voordeel van de twijfel.”

De bureaus kunnen door anonimi worden gebeld. Er zijn ook mensen die zich met naam en toenaam aandienen. De vertrouwensarts en de maatschappelijk werker - ze werken altijd als een tandem - kunnen daarna een advies geven, maar ze kunnen ook een echte melding aannemen. A.J. Houtman, maatschappelijk werker bij het Rotterdamse bureau, zegt: “Die dingen lopen nogal uiteen. De een vertelt dat het buurkind twee maal per nacht huilt. Dat is niet iets om meteen in actie te komen. De ander heeft gezien dat de buurman op straat zijn kind een pets verkocht. Lijkt me in bepaalde omstandigheden ook te kunnen. Maar het ligt anders wanneer iemand meldt dat moeder een lepel boven het gas stond te verwarmen om die tegen de wang van haar kind te houden.” Als een 'melding ter actviteit' wordt aangenomen gaat het bureau tot 'exploratie' over. Er wordt informatie ingewonnen bij hulpverleners die bij het gezin betrokken zijn. Als het kind in problemen verkeert, wordt er in samenwerking met de hulpverleners een plan opgesteld, dat meestal wordt uitgevoerd door een hulpverlener die het gezin kent.

Niet altijd wordt met de ouders contact opgenomen, alleen in acute situaties en bij heel jonge kinderen. De melders - onderwijzers, trainers op de sportclub, opa's, oma's, dominees (geen priesters, want die mogen dat niet) of buren - wordt op het hart gedrukt waakzaam te blijven. Bilo: “Die gymleraar bijvoorbeeld. Hem maak je duidelijk dat hij de morele plicht heeft dat kind in de gaten te blijven houden. Melding bij het bureau betekent niet het overdragen van verantwoordelijkheid, maar het delen ervan.”

Het bureau onderscheidt een aantal vormen van kindermishandeling. Er kan sprake zijn van lichamelijke, emotionele of cognitieve verwaarlozing dan wel mishandeling, en van seksueel misbruik. Bij cognitieve verwaarlozing of mishandeling gaat het er om dat voortdurend tegen kinderen wordt gezegd maar niet naar school te gaan omdat ze toch te dom zijn. Het kan ook zijn dat kinderen juist worden gedwongen te hoog te grijpen.

Kindermishandeling komt voor in alle sociale geledingen. In veel gezinnen waar kinderen worden mishandeld, zijn echter ook andere problemen. Vorig jaar speelde 45 procent van de gevallen van kindermishandeling zich af in gezinnen met een stiefmoeder of -vader, dan wel in eenoudergezinnen. In de eerste categorie is relatief vaak sprake van lichamelijke mishandeling, in eenoudergezinnen komen verwaarlozing en emotionele mishandeling vaker voor.

Soms melden ouders zichzelf. Bilo vertelt van een vrouw die haar eigen kind van drie maanden mishandelde. “Ze kwakte het zo in de box. De vrouw zelf kwam uit een gezin dat op haar vijfde jaar door de moeder was verlaten. Ze werd door vader lichamelijk en geestelijk mishandeld en door een zwager seksueel misbruikt. Op haar tiende moest ze naar een internaat, zo besloot de Kinderbescherming. Wat je vaak ziet is dat ouders die hun kind mishandelen,vroeger hetzelfde lot hebben ondergaan.”

Een probleem voor de vertrouwensarts is het verifieren van een gemelde mishandeling. “De aard van het letsel in relatie tot het ontwikkelingsniveau van het kind zegt vaak al veel. Een peuter van dertien maanden met een blauw oog is iets raars. Zo'n kind loopt met z'n voorhoofd tegen de tafel, niet met zijn linkeroog. Een kind van drie maanden is niet in staat om naar de kachel te kruipen, ook al beweert moeder dat. Een kind van drie weken kan niet van de commode vallen als het op z'n rug lag. Er kan ook een rare contradictie zijn tussen de ernst van het letsel en de reactie van de dader. Dus: schouderophalen als het kind in coma ligt of, omgekeerd, volstrekt overtrokken schrik bij een schram”, zegt Bilo.

“Blauwe plekken kun je redelijk goed dateren, ze maken vanaf een dag alle kleuren van de regenboog door. Je kunt ook vaak goed zien hoe ze tot stand zijn gekomen. Een kind dat van de trap valt, heeft geen blauwe plekken aan de binnenkant van de benen. Hoe komt een kind aan een bloeduitstorting aan de binnenkant van de bovenlip? Daar is de kans groot dat de fles met geweld naar binnen gedrukt is.”

Vertrouwensartsen en maatschappelijk werkers worden zelden agressief ontvangen door ouders die van mishandeling worden verdacht. Houtman: “Vaak merk je dat die mensen zich op de een of andere manier bevrijd voelen door een interventie. Niet zelden blijken het aardige, maar om welke reden dan ook onmachtige mensen. Slechts tien procent van de gevallen komt uiteindelijk toch bij de Raad voor de Kinderbescherming, daar redden we het dus niet. In de helft van de gevallen loopt het prima af, nadat we een hulpplan hebben opgesteld.”

Bilo vreest een vergrote werkdruk als gevolg van de nieuwe campagne, maar is anderzijds blij dat de ijsberg door de betere bekendheid met de bureaus langzaam boven water komt. “Het Is natuurlijk een investering. Kindermishandeling levert trauma's op, die zich vaak pas twintig jaar later aandienen. Vroegtijdige onderkenning bij de kinderen van nu voorkomt in veel gevallen langdurige therapie bij de volwassenen van straks.”