Eurodiscipline

Al wordt de aandacht zo nu en dan afgeleid door het gekraak van een omvallende Muur of het gedreun van een Golfoorlog, het is onmiskenbaar dat Europa op weg is een te worden. Het is daar trouwens al tientallen jaren mee doende, maar de laatste tijd zit de fut, die er geruime tijd uit was, er weer goed in. Veelbesproken zaken zijn de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de daarbij horende Europese Centrale Bank (ECB). Het gaat daarbij om de vraag of de twaalf EG-landen een gezamenlijk beleid kunnen voeren op het gebied van de geldvoorziening en de wisselkoersen. En als dat zo is, wie dat moeten gaan doen. De 'regering' van Europa of een Europese Centrale Bank; en als het deze laatste is, welke bevoegdheden zij dan moet krijgen.

De discussies over het een en ander zijn soms heel pittig; de gemoederen raken snel verhit. Het is ook nogal wat als je als land de zeggenschap over het geld - het smeermiddel van de economie - uit handen geeft. De hamvraag is daarbij: kun je een Europees monetair beleid voeren, los van het overige beleid? Of anders gezegd: als je het monetair beleid - een belangrijk economisch politiek instrument - uit handen geeft, kun je dan eigenlijk nog wel iets uithalen met de overgebleven instrumenten? Heb je dan bij voorbeeld niet ook je begrotingsbeleid ingeleverd?

Bij het monetair beleid gaat het om twee dingen: er moet voor gezorgd worden dat er juist voldoende liquiditeiten in de economie aanwezig zijn om deze goed te laten draaien. Is er teveel geld, dan raakt de economie over haar toeren met prijsinflatie als overbekend koortsverschijnsel. Is de geldvoorziening te krap, dan kan een economie zich niet goed ontplooien met als gevolgen investeringsmoeheid, bedrijfssluitingen en werkloosheid. Dat wat de binnenlandse kant betreft. Daarnaast is er de zorg voor de waarde van de munt ten opzichte van buitenlandse valuta: het wisselkoersbeleid. Ook de hoogte van de wisselkoers luistert nauw en kan een economie maken of breken.

In ons land is de zorg voor de geldvoorziening toevertrouwd aan De Nederlandsche Bank (DNB) die daarbij als taak heeft prijsinflatie te voorkomen. Dit deel van het monetaire beleid is daarmee met opzet losgemaakt van de regering. In het uiterste geval kan de minister van financien de Bank een aanwijzing geven, maar die mogelijkheid is met heel veel waarborgen omkleed. Zo'n aanwijzing is ook nog nooit gegeven. In Duitsland is de Bundesbank nog zelfstandiger dan DNB bij ons. In Engeland en Frankrijk is de zaak anders geregeld: daar is het wel de minister van financien die de geldvoorziening regelt.

De reden om de centrale bank de geldkraan te laten bedienen en om hem af te schermen van de regering is de volgende. Regeringen hebben behalve prijsstabiliteit nog heel andere zaken op hun verlanglijstje staan. Soms ook dingen die de prijsstabiliteit rechtstreeks in gevaar kunnen brengen. Regeringen moeten leuke dingen voor de kiezers doen, willen ze de volgende verkiezingen overleven. Ze staan onder politieke druk. Het doen van veel uitgaven leidt nogal eens tot begrotingstekorten. De verleiding is dan groot om die te financieren op een manier die de prijsstabiliteit in gevaar brengt. Dus met nieuw geld in plaats van door weinig populaire belastingverhogingen. Voorbeelden van landen waar de geldkraan wijd is opengedraaid en waar de prijzen met honderden procenten per jaar stijgen zijn er genoeg. Daar staat tegenover dat het ook goed kan gaan als de regering de geldhoeveelheid regelt: zie Frankrijk en Engeland, toch bepaald geen mislukte economieen.

Toch heeft men bij de voorstellen voor de Europese Centrale Bank het zekere voor het onzekere genomen en gekozen voor het strikte Duitse model: de ECB moet zorgen voor prijsstabiliteit en is daarbij niet onderworpen aan politieke aanwijzingen. Eind 1990 waren de regeringsleiders, met uitzondering van Engeland, het hierover eens. Wat overigens niet weg neemt dat bij de concrete invulling nogal wat voorstellen worden gedaan, bij voorbeeld door Frankrijk, die de onafhankelijkheid van de ECB stevig zouden aantasten, als ze werkelijkheid werden. De kans daarop is niet groot en deskundigen nemen aan dat het Duitse model zal worden aanvaard.

Vanwege de sterke samenhang van het monetaire beleid met het begrotingsbeleid is ook de vraag opgekomen of er Europese richtlijnen moeten komen voor de overheidsbegrotingen van de lidstaten. Men is het erover eens dat begrotingstekorten niet met nieuw geld mogen worden gefinancierd. Wat gevoeliger ligt het punt of er een maximale omvang van nationale begrotingstekorten moet worden vastgelegd. Gedacht wordt aan het invoeren van de gulden financieringsregel: alleen voor investeringen mag een overheid geld lenen. Of men kan de verhouding tussen de overheidsschuld en het nationaal inkomen aan een maximum binden. Wordt dit bereikt, dan gaat er in Brussel een lampje branden; er komt een procedure op gang om de tekorten te beperken.

De zorg over de begrotingstekorten in verband met het monetair beleid is begrijpelijk. Immers een overheid die veel geld moet lenen, drijft de rente op en kan op die manier het monetair beleid van de centrale bank lelijk in de wielen rijden. Die kan wel net bezig zijn de rentevoet omlaag te brengen om daarmee een wat suffige economie te stimuleren.

Bij ons bestaan er tot dusver geen procedures die op gang komen als de steeds weer forse begrotingstekorten de overheidsschuld de pan uitjagen. Hier kan de centrale bank niet veel meer doen dan mopperen en waarschuwen dat de wal het schip zal keren. Opeenvolgende jaarverslagen van DNB kunnen daarvan getuigen. Een scheutje Eurodiscipline zou op dit punt heel welkom zijn.