'De grootste ellende is dat ik zo slecht zie'

Ouder is eerder meer dan minder. Iedereen vertelt daarover zijn eigen verhaal. Vandaag de schrijster Beb Vuyk

Beb Vuyk (1905). Een stem die gezag afdwingt, geen tegenspraak, zelfs geen onderbreking duldt en duidelijk toebehoort aan iemand die zelf moeite heeft met het verstaan van anderen. De zinnen worden met aplomb begonnen, van het ene woord komt het andere maar soms lopen ze dan dood; zoals in een doolhof wordt er dan welgemoed omgekeerd en teruggegaan naar het uitgangspunt: “O ja!”

De foto is gekozen omdat zij zo scherp was. Zij mag niet uit haar album worden gehaald - “Want dan krijg ik haar nooit meer terug; ik ken dat!” - maar staat ook afgedrukt in het onlangs verschenen Schrijversprentenboek In Indie geweest. “Dat was toen mijn oudste zoon vier maanden was. Hij is op Ambon geboren, in 1933. We waren op Buru, daar hebben we twee maanden gezeten om de boel op orde te maken en toen zijn we naar Ambon gegaan; daar hadden we een paviljoentje, zoals dat heet, gehuurd en daar is hij geboren, Hans Christiaan, genoemd naar Andersen.”

Beb Vuyk was werkzaam geweest als lerares koken en voedingsleer op Sukabumi en ze was schrijfster. “Ik had al verhalen gepubliceerd in de Vrije bladen voordat ik, in 1929, naar Indonesie ging.” Op de boot leerde ze de man kennen met wie ze in 1932 zou trouwen: Fernand de Willigen. “We zaten op een theeonderneming op Midden-Java en toen we een half jaar getrouwd waren werd mijn man ontslagen. Dat was de 'theerestrictie', dat betekende: Java mocht alleen 40 procent van zijn theeoogst uitvoeren en de rest moest binnen Indonesie verkocht worden. En mijn man was de oudste employe met het hoogste salaris en die werd ontslagen en in zijn plaats kwam er een jongetje van honderd gulden in de maand.” Ze lijkt er nog steeds kwaad om.

Op Buru bezat haar schoonfamilie een oude kajoepoetihconcessie en die wilde het jonge echtpaar weer rendabel gaan maken. Aan haar carriere als schrijfster dacht ze geen moment toen ze zo ver weg ging wonen. “Ik dacht aan een vrij leven buiten de gewone plaatsen van de mensen. Aan een ander soort leven dacht ik. Aan avontuur.” Dat dit leven haar ook schrijfstof zou opleveren wist ze toen nog niet. “Dat ben ik me pas bewust geworden na mijn kennismaking met Du Perron, jaren later, in 1937, toen ik terugkwam van een reis naar Holland heb ik die in Batavia ontmoet. Want toen werd ik gevraagd voor de huisvrouwenvereniging, om een lezing te houden over literatuur. Nou, daar kreeg je 25 gulden voor, dus die had je dan weer. En toen zeiden die huisvrouwen: 'O, hier is een telefoonnummer want mijnheer Du Perron heeft vorige maand een lezing gehouden', - die dacht ook natuurlijk: 25 gulden is 25 gulden! - 'en of u die wilt opbellen'.”

Haar boek De duizend eilanden was net verschenen; Du Perron wilde daar wel een vervolg van zien, “Het laatste huis van de wereld, zo heet het boek dat ik over Buru geschreven heb. Een heel beroemd hoofdstuk daaruit is dat waarin mijn tweede zoon wordt geboren. Er was daar geen dokter en mijn man was vroedvrouw en alles tegelijk en net vlak voor de dag dat Ruud geboren werd kwam de boot aan met brieven. Er waren twee brieven voor mij, ik deed er willekeurig een open en het was een brief van mijn zuster die schreef: Moeder is gestorven en begraven. En in de andere brief, de eerste, stond: Moeder is ziek. Dus de brief waarin haar dood stond heb ik toevallig het eerste opengemaakt. En het deed me niks. Ik was zo bezorgd over mezelf, hoe het allemaal moest, enzovoort. En ik was zeer bang.”

Bang voor de dood? Dat is ze niet meer. “Ik ben bang voor iets anders: om dement te worden, dat lijkt me iets verschrikkelijks.” Ze heeft het in haar onmiddellijke omgeving meegemaakt. “Die man was kwaadaardig dement. Ze zeggen altijd: Waar ze het meest van houden daar zijn ze het felst tegen. En dat was-ie. En verder schreeuwde hij zijn woede uit: Ik wil dood! Ik wil dood! Ik gooi me onder een auto, ik maak er met een mes een uiteinde aan! Vreselijk! En dat heeft twee jaar geduurd. Later werd hij opgenomen en zijn vrouw ging nog iedere dag naar hem toe. Dat vind ik bewonderenswaardig: een man die je niet herkent! Ik weet van mezelf dat ik dat niet gedaan zou hebben.”

Ze voelt zich door haar oud-zijn verrast. “Ik kijk nooit in spiegels; ik heb geeneens een spiegel. Ja, een kleintje in de badkamer om de scheiding in je haar te brengen. Die er dan onmiddellijk weer uitvalt. En dit slechte lopen en al mijn kwalen, dat is pas na mijn tachtigste begonnen. En het is eigenlijk een goed jaar geleden dat ik zo aan het aftakelen ben gegaan. Maar laten we zeggen tien jaar geleden ging ik naar Amsterdam. Ik rende naar de bus want die kwam net de hoek om en er roept een straatjongen: Kijk dat oude wijf eens hollen met haar stok! En toen dacht ik: Waar is dat oude mens? En ik keek om me heen en toen dacht ik: Goddome, ze bedoelen mij! Wat gek!”

Nu ze erover nadenkt realiseert ze zich dat ze zich pas oud is gaan voelen toen haar man overleed. “In augustus is die vijf jaar geleden gestorven. Hij was zes jaar ouder dan ik, dus je beseft dat de dood nabij is. Maar ik ben blij dat ik nog leef; ja, iedere dag. Want het is nou nog leefbaar, toch? Behalve als ik zo'n aanval van benauwdheid krijg, dan denk ik wel eens...” Ze strekt haar stokmagere, lange lijf en leden en vouwt haar handen boven haar hoofd. “Het is begonnen met artrose, die veranderde in artritis. En nu heb ik longemfyseem: dat betekent dat je longblaasjes geen lucht meer opnemen en daardoor krijg je het benauwd. En je long gaat dan pijn doen. Maar ik heb een fysiotherapeut en die heeft me geleerd hoe je je adem als je die kwijt bent weer terug kunt krijgen. Door een bepaalde houding aan te nemen, zoals ik nu zit, en dan over te gaan op buikademen, net als mensen die koperinstrumenten bespelen.

“De grootste ellende is dat ik zo slecht zie; ik kan al bijna niets meer lezen. De NRC al lang niet meer, maar Trouw heeft heldere letters en smalle kolommen. En dan met deze bril, met vergrotingslenzen en een loupe erbij.” Ze doet het voor. “Ik lees niet alles; ik zoek bepaalde stukjes uit. En het nare is: ik begin ook dovig te worden. Ik heb een cassetterecorder en dan kan je gesproken boeken krijgen, maar ik begin dat ook slecht te verstaan.

“Ik schrijf niet meer maar ik ben nog bezig, en dat is een zwaar karwei, met verhalen die nooit gepubliceerd zijn. Een roman die zou heten Genegenheid is verraad; daar heb ik fragmenten van teruggevonden en daar wil ik losse verhalen van maken. En verder heb ik bijvoorbeeld een In Memoriam van Sjahrir geschreven en een In Memoriam van poes Peter; dat zijn toch ook leuke dingen?”

Iedere ochtend heeft ze een hulp in huis. “Behalve op zondag, dus zondag is een beroerde dag. Maar het moet toch gezellig zijn dus 's avonds ging ik altijd naar een vriendin toe, niet eten maar samen de avond doorbrengen. Maar zij is gaan verhuizen, dus dat valt weg; er vallen een heleboel dingen weg, toevallig hier in het dorp. Ik heb nu al een poosje last van een vereenzamingsgevoel. En dan ga ik zo over mijn onderluikje hangen om met de buren te praten en zo, maar iedereen was met vakantie, de huizen aan de overkant stonden dicht. Dus ik leef nou eigenlijk min of meer met de doden. Dat wil zeggen: mijn gestorven zoon, mijn gestorven man en mijn gestorven broer. Want veertien dagen geleden, nee veel langer al, op 11 juni is mijn broer in Brazilie gestorven en daar hebben we helemaal geen bericht van gehad. Ze hebben mijn zuster opgebeld maar helemaal geen kaarten, niks, niks, niks; dat is zo spookachtig. En als ik dan 's nachts in bed lig dan ga ik me herinneren. Dan ga ik aan ze denken, een beetje terug in het verleden. Want ik heb zo'n wisselvallig leven gehad, zoveel beleefd ook. Twee wereldoorlogen meegemaakt; als kind al de eerste. En dan die tussenjaren; ik verwonder me dat alles zo goed op z'n pootjes terecht is gekomen.”

Er is een kans dat ze binnenkort naar een verzorgingstehuis gaat: “Dat wil de dokter; die vindt het te gevaarlijk hier. Omdat ik zelf kook en ieder ogenblik brand ik mijn vingers. Omdat ik niet goed zie en niet goed kan richten. Of ik sta te bakken, en met die afzuiger erboven kan je zo brand hebben. En dan de degeneratie van het kraakbeen; als je valt kan je zo in een wagentje terecht komen. Dan ben je ook mooi onthand.” Het praten gaat haar merkbaar vermoeien.

Haar mooie antieke meubels kan ze meenemen en op haar kamer is een kookplaatje om koffie en thee te zetten. “Overigens is alles onzeker, want eerst moet ik een gesprek hebben met een sociale commissie die beslist of ik er echt wel aan toe ben. En ik zie er ook wel tegenop. Hoewel: het is tegelijkertijd een uitdaging voor me: hoe pas ik daarin? Daar ben ik nieuwsgierig naar. Hoe reageer ik daarop?”

Een nieuw avontuur dus? “Ja. En doodgaan is misschien het laatste avontuur.”