Cocaine: een succesvol multinational

De recente aanwijzingen voor cocainehandel via Suriname passen in een trend die een rechtstreeks gevolg is van de 'Andes-strategie' die de Verenigde Staten in 1990 hebben afgekondigd. De war on drugs dwingt de door Colombianen gedomineerde drugskartels hun laboratoria te verkleinen en te verspreiden over een groter gebied, terwijl de distributeurs nu van steeds meer routes gebruik maken. In de VS lijkt de vraag naar cocane langzamerhand af te vlakken, maar Europa en Japan zijn een veelbelovende nieuwe markt. De drugsoorlog in Latijns Amerika is geen helder conflict tussen rechtsstaten en de onderwereld - cocane is zowel in Latijns Amerika als in de Verenigde Staten een integraal deel van de maatschappij.

Elke president verklaart zijn eigen oorlog; Johnson tegen de armoede, Carter tegen de energiecrisis, Reagan tegen het Rijk van het Kwaad en het internationale terrorisme. Bush' grootste vijand is de cocane.

Gemeten naar gewicht is cocane, na alcohol en marihuana, de populairste recreational drug in de Verenigde Staten. Met een geschatte jaaromzet van 100 a 110 miljard dollar staat cocane op de tweede plaats, na alcohol. Sinds het begin van de jaren zeventig was cocane een duur, maar vermeend onschadelijk speeltje van de welgestelden. De toegenomen produktie in Latijns Amerika, de dalende prijs en de bekwame distributie door het circuit van de zware misdaad hebben cocane voor iedere burger bereikbaar gemaakt. Pogingen van de regering-Reagan om cocane zijn aantrekkingskracht te ontnemen - intensieve reclamecampagnes, versterking van de Drugs Enforcement Agency (DEA) - strandden echter, vooral door de komst van crack, halverwege de jaren tachtig. In de vorm van dit relatief goedkope, krachtige en sterk verslavende derivaat heeft cocane de weg gevonden naar de brede en kwetsbare onderkant van de maatschappij. In 1987 hielden 26.000 ziekenhuisopnames direct of indirect verband met de cocanehandel, een verviervoudiging ten opzichte van 1984. Het aantal drugsmoorden stijgt nog steeds.

De war on drugs heeft twee fronten: een binnenlands en een buitenlands. Voor de VS kondigde Bush een verscherping aan van het strafrecht en hij dreigde zijn burgers met huisarrest, openbare dienstverlening en het inhouden van hun rijbewijs. Het budget voor drugsbestrijding verhoogde hij van 2,2 naar 8 miljard dollar.

Onderzoek door het Amerikaanse instituut voor drugsmisbruik uit 1989 wees een daling uit van het aantal cocanegebruikers: het aantal mensen dat ten minste eenmaal per maand drugs gebruikte daalde met 37 procent van 23 miljoen in 1985 tot 14,5 miljoen in 1988; het aantal schoolkinderen dat ten minste eenmaal cocane had gebruikt daalde van 17,3 naar 10 procent; in het Amerikaanse leger gebruikte in 1988 nog maar vijf procent drugs, tegenover 27 procent in 1981, aldus het instituut.

Op grond van dergelijke cijfers wordt enerzijds aangenomen dat de recente campagnes succes hebben, anderzijds dat de Amerikaanse “cocanemarkt verzadigd is”. Dat laatste lijkt in elk geval bevestigd te worden door steeds meer en grotere cocanevangsten in het Europese en Japanse circuit; kennelijk ontginnen de kartels nieuwe markten.

In de grote Amerikaanse steden regeert crack echter onverminderd complete niet-blanke wijken. Verslaving bereikt er percentages van boven de vijftig. Kinderen lijden honger en raken ook verslaafd. Drugbendes vechten op straat hun bloedige vetes uit. De politie vertoont er zich niet, terwijl anti-drugcampagnes en hulpverlening stranden.

In februari 1990 bezocht president Bush de achtste internationale conferentie voor drugsbeheersing in de Colombiaanse havenstad Cartagena. Dat was een belangrijk gebaar. Tot dan toe hadden de VS zich voornamelijk beperkt tot ernstige vermaningen en enkele semi-geheime militaire operaties in Colombia, Bolivia en Peru. Succes hadden die nauwelijks, bovendien werkten ze politiek contraproduktief omdat ze werden uitgelegd als onverbeterlijk imperialismo Yanqui. Zo stationeerden de VS in 1988 een vliegdekschip voor de Colombiaanse kust om vliegtuigbewegingen te kunnen volgen en onderscheppen, maar de VS trokken het schip schielijk terug toen in Bogota een storm van protest opstak.

In Cartagena erkende Bush nu tegenover Latijns Amerika voor het eerst dat cocane niet alleen te maken heeft met smokkel en misdaad, maar economisch en sociaal is ingebed in Latijns Amerika en voor een aantal maatschappijen op het continent zelfs van levensbelang is. Aan Colombia, Bolivia en Peru - de drie Andeslanden die 95 procent van alle cocane ter wereld leveren - deed Bush een voorstel voor meerjarige samenwerking op militair, economisch en juridisch gebied. De VS stelden daartoe een budget ter beschikking van in totaal 2,3 miljard gulden. Nu de lastigste gesprekspartner van de drie, Peru, vorige week als laatste heeft ingestemd met de voorwaarden, kan de Amerikaanse zogeheten 'Andes-strategie' geheel in werking treden.

Volgens de verschillende overeenkomsten verplichten de Andeslanden zich daadwerkelijk actie te ondernemen tegen de cocaneplantages, -laboratoria en -transporten, in ruil voor Amerikaanse adviezen, opleidingen, transporthelikopters, radarinstallaties, inlichtingen over smokkelaars en satellietfoto's van cocaplantages. Bankemployees en ambtenaren worden geschoold in het herkennen en voorkomen van witwaspraktijken. De openbare aanklager krijgt toegang tot Amerikaanse gegevens en juridische bijstand. De noodlijdende economieen krijgen een schadevergoeding voor de te verwachten derving van zwarte en grijze inkomsten, en door middel van premies worden cocaboeren aangemoedigd de teelt van coca op te geven voor andere, legale gewassen.

De betrokken landen hebben allemaal een omvangrijke buitenlandse schuld, en komen hun renteverplichtingen niet of alleen met de grootste moeite na. Een van de argumenten die de VS tijdens de onderhandelingen lieten gelden was dat zij hun steun bij de aanvraag van nieuwe financieringen en extra kredieten door deze landen afhankelijk maakten van hun instemming met de Amerikaanse voorwaarden. Enkele dagen nadat Peru en de VS de samenwerking bezegelden, maakte Peru bekend dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) bereid was tot nieuwe overbruggingskredieten ter grootte van 1,3 miljard dollar.

Het is echter de vraag of de VS al te optimistisch mogen zijn over de winst van de 'Andes-strategie'.

Cocane is als een nat stuk zeep. Wanneer je erin knijpt springt het weg in een onvoorspelbare richting. De Colombiaanse successen van de afgelopen twee jaar in de strijd tegen de cocanekartels hebben de syndicaten van Peru en Bolivia sterker gemaakt, zo signaleerde de DEA onlangs. Bovendien zouden de kartels van Medelln en Cali hun activiteiten nu deels verleggen naar de moeilijk toegankelijke grensgebieden tussen Colombia en zijn buurlanden Brazilie, Ecuador, Venezuela en mogelijk zelfs verder naar het zuiden.

Deze landen op het Latijns-Amerikaanse continent fungeerden voorheen vooral als overslagstation, of als een van de vele sluizen in de zwarte geldstroom. Nu huisvesten zij talrijke kleine, minder kwetsbare cocanelaboratoria, tientallen illegale vliegveldjes en wat omschreven wordt als 'cocanepakhuizen'. De cocane die vroeger met kleine, van extra brandstoftanks voorziene vliegtuigjes rechtstreeks werd overgevlogen naar Mexico en de Verenigde Staten, reist nu gewoonlijk op dezelfde wijze via Venezuela en Suriname in het noorden van het Latijns-Amerikaanse vasteland en via Argentinie, Brazilie, Paraguay en Uruguay in het zuiden (alleen Chili lijkt tot nu toe gevrijwaard te blijven).

Ook de landen in Midden-Amerika worden steeds belangrijker als doorvoerhaven, met name Guatemala en Panama. Een van de motieven voor de Amerikaanse invasie in Panama in 1988 was het beeindigen van generaal Manuel Noriega's smokkelpraktijken. De illusie dat dat gelukt is, heeft maar kort geduurd. In april van dit jaar zeiden Amerikaanse militairen en DEA-agenten te kunnen bewijzen dat cocane werd gesmokkeld door eendrachtig samenwerkende douane-beambten, vliegtuigbemanningen, luchthavenpersoneel en zelfs leden van een Panamese anti-drugsbrigade. Ook de naam van Noriega's opvolger, Guillermo Endara, is inmiddels besmet geraakt.

De voorzitter van het comite voor drugsbestrijding van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, Charles Rangel, zei kortgeleden dat Panama voor zijn anti-drugsoperaties beschikt over “vijf auto's die samen per dag 38 liter gerantsoeneerde benzine mogen gebruiken, twee garnalenkotters en vijf ondervoede hasjhonden.”

Zowel de Latijns-Amerikaanse overheden als verschillende Amerikaanse diensten melden een toename van de hoeveelheid vernietigde coca-aanplant. Maar tegelijkertijd zijn er echter aanwijzingen dat het totale oppervlak coca-aanplant stijgt.

Vooral de Alta Huallaga-vallei in Peru - het grootste coca-areaal ter wereld - is nog maar gedeeltelijk ontgonnen. Voor elke hectare die wordt platgebrand of bespoten met het ontbladeringsmiddel spike, wordt meer dan een hectare geschikt gemaakt voor de cocateelt in de hoger gelegen gebieden. Het verbouwen van coca is nu eenmaal lucratief; het is relatief weinig arbeidsintensief, coca groeit op schrale grond, kan gemengd worden met andere gewassen en is relatief ongevoelig voor plantenziekten en schadelijke insecten. De opbrengst van coca is hoger dan die van enig ander gewas: drie maal meer dan sinaasappels, tweemaal zoveel als cacao en veertig maal zo veel als mais. Een arbeider in de cocateelt verdient gemiddeld het viervoudige van een koffieplukker.

De door de VS gefourneerde premies voor alternatieve aanplant moeten dan ook zeer hoog zijn; in ieder geval hoger dan de paar honderd dollar per hectare die nu beschikbaar zijn. Een hectare coca brengt immers nog steeds enkele duizenden dollars op. Premies geven bovendien niet de doorslag. Bovenal moeten boeren ervan overtuigd zijn dat zij hun nieuwe produkt ook werkelijk kwijt kunnen. Wie wil er bijvoorbeeld gesubsidieerde bananen of mais kopen, terwijl de wereldmarkt verzadigd is.

De afzet van dergelijke produkten vergt dus allereerst het afbreken van handelsbarrieres en het kweken van nieuwe markten, desnoods kunstmatig. Hoe kwetsbaar die is bleek dit jaar, toen de door Brazilie gedomineerde koffiemarkt als een souffle inzakte en alle, kort daarvoor tot de koffieteelt bekeerde Bolivianen met lege handen en volle schuren achterbleven.

Latijns Amerika is intussen zelf - op zijn minst overdrachtelijk - verslaafd geraakt aan de cocane. De landelijke economieTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT en kunnen het niet stellen zonder de narcodolares. Het succes van de cocane-export bracht de Peruaanse president Alan Garca tot de uitspraak dat het “de eerste succesvolle multinational van Latijns Amerika” is.

Toch heeft de intensieve cocateelt ook voor de betrokken landen zijn schaduwzijden. Bij een monocultuur van coca stijgen de prijzen van normale landbouwprodukten en levensmiddelen, waardoor het gewone levensonderhoud in de cocadistricten van Peru en Bolivia vele malen duurder is dan in de rest van het land. Corruptie en speculatie met onroerend goed nemen toe en er ontstaat een groot circuit van zwart geld, waarmee de 'gewone' economie moeilijk kan concurreren. De grote steden in Latijns Amerika hebben bovendien de laatste jaren dezelfde problemen leren kennen als die van de VS: grote aantallen verslaafden, een exponentiele toename van geweld en scheuren in het sociale weefsel.

Ook het milieu lijdt onder de cocaneproduktie. Tienduizenden hectares oerwoud worden ontbost voor de aanplant van coca. Afgezien van de biologische en economische schade neemt hierdoor de erosie toe. Het bos absorbeert niet langer voldoende regenwater, waardoor de grote rivieren vaker en ernstiger buiten hun oevers treden, met als gevolg grote schade voor kwetsbare landbouwgebieden in het laagland.

Ten gevolge van de cocateelt komen vervolgens herbiciden en pesticiden in het grondwater terecht, terwijl voor de chemische bewerkingen van de cocabladeren tot cocane-HCl per jaar miljoenen kilo's kerosine, amoniak, zoutzuur, zwavelzuur, aceton en kaliumpermanganaat in de rivieren verdwijnen. Pas het afgelopen jaar is het westen gevoelig geworden voor dit argument; Latijns Amerika is nog lang niet zo ver.

Ook juridisch lijkt de Amerikaanse anti-drugspolitiek niet het verlangde effect te sorteren. Aanvankelijk vonden de VS in de Colombiaanse president Virgilio Barco een medestander in de meedogenloze aanpak van de narcotraficantes, maar na diens vertrek, begin dit jaar, moesten zij tandenknarsend toezien hoe het standpunt van de Colombiaanse overheid onder leiding van Cesar Gaviria steeds milder werd - ogenschijnlijk omdat zij zwichtte voor de terreur van de cocanekartels. In twee jaar tijd vermoordden deze honderden rechters, politie-agenten, journalisten, politici, onder wie een presidentskandidaat, en de talloze anonieme slachtoffers die vielen bij bomexplosies en de aanslag op een Colombiaans verkeersvliegtuig.

Tot juni van dit jaar waren 46, merendeels weinig belangrijke figuren uit de Colombiaanse onderwereld uitgeleverd aan de VS - “de enige maatregel die de drugsbaronnen werkelijk vrezen”, zo is opgemerkt - maar onder druk van de terreurcampagne schafte de Colombiaanse grondwetgevende vergadering de uitlevering op 18 juni 1991 af, precies zoals de drugsbaronnen geeist hadden. Een dag later gaf de voortvluchtige leider van het Medelln-kartel, Pablo Escobar, zich over aan de autoriteiten. Voor aanklachten die in de VS tegen hem lopen zou Pablito, 'de Robin Hood van Medelln', ongetwijfeld enkele malen levenslang gekregen hebben. Nu wordt algemeen aangenomen dat hij na maximaal acht jaar weer vrij is en onbekommerd van zijn illegale miljoen kan genieten.

Intussen zijn er ook de eerste aanwijzingen dat niet alle activiteiten van het Medelln-kartel zijn overgenomen door de naaste concurrent uit Cali, maar dat Escobar vanuit zijn luxe gevangenis nog steeds leiding geeft aan zijn organisatie. Het afgelopen weekeinde drongen gewapende mannen een cafe in Cali binnen en beschoten de menigte. Daarbij vielen ten minste twintig doden.

De drugsoorlog in Latijns Amerika is geen helder conflict tussen rechtsstaten en de onderwereld. Een van de factoren die het conflict nog verder vertroebelen is de rol van de verschillende guerrilla-bewegingen in Colombia en Peru. De laatste paar jaar hebben de Peruaanse maosten van Sendero Luminoso ('Lichtend Pad') hun invloed vergroot in de cocadistricten door zich in ruil voor een 'vergoeding' op te werpen als 'beschermers' van de boeren - zowel tegen al te grote uitbuiting door de drugshandelaars als tegen de overheid; de boeren waren op die manier verzekerd van hoge inkomsten en de drugshandelaars accepteerden de senderistas omdat zij als bliksemafleider voor het leger fungeerden.

Een vergelijkbare toestand heeft jarenlang in Colombia bestaan, voordat de guerrillabewegingen M-19 en FARC begonnen aan hun legaliseringsproces. Maar in Peru bestaat daarop geen uitzicht. Door de strijd tegen guerrilleros tot prioriteit te maken, lijken de cocanehandelaars in Peru zelfs een impliciete bondgenoot te worden van het leger.