EEN GEFLUISTERDE GODSDIENST; Druzen in Israel; loyaal aan de joodse staat, maar niet geaccepteerd

Na eeuwenlang door de islam te zijn vervolgd, verklaarden de druzen, een volk met een 'geheime' godsdienst, zich in 1948 loyaal aan de staat Israel. Het is echter een loyaliteit die wordt uitgehold, want ze blijken in Israel ook na meer dan veertig jaar maar moeizaam carriere te kunnen maken: de druzen balanceren op de rand van de twijfel. Het derde deel van een serie over minderheden in de wereld.

Verspreid over op heuveltoppen gelegen dorpen in Noord-Israel leven de 80.000 druzen in de schaduw van de Israelische realiteit. Als dienstplichtigen en beroepssoldaten nemen zij een gelijkwaardige plaats in de joodse staat in, maar zodra zij het uniform uittrekken voelen zij zich weer de misdeelde tweederangs burgers in een land dat, zoals hun leiders op bittere toon zeggen, “alleen aan joodse belangen denkt”.

Daarom laat het met bloed bezegelde verbond dat de druzen-leiders voor en na de stichting van de staat Israel in 1948 met de zionistische leiders sloten zo'n bittere smaak na. “Eersterangs verplichtingen, tweederangs rechten.” Nooit eerder demonstreerden de druzen met zo'n venijnige slagzin voor het Knesseth-gebouw in Jeruzalem. Een paar maanden geleden stonden ze er. Verontwaardigd over de “stank voor dank” van het land waarvoor zij hun bloed rijkelijk hebben gegeven.

De druzen pikken het niet langer dat veel van hun dorpen tegen het einde van de twintigste eeuw nog geen riolering hebben en verhoudingsgewijs kleinere overheidsbudgetten krijgen toegewezen dan joodse buurdorpen en tot hun grote ergernis soms zelfs slechter af zijn dan Arabische dorpen. Tegen deze miskenning en vernedering komen ze onder leiding van nieuwe leiders, die het gezag van de statige sjeiks langzaam maar zeker overnemen, in opstand.

Maar kunnen 80.000 in rencarnatie gelovende en daardoor passief ingestelde druzen voldoende politiek gewicht in de schaal leggen om hun rechten binnen te halen? De druzen weten dat, hoe gerechtvaardigd hun klachten ook zijn, ze als een minderheid in de harde Israelische politiek niet veel zoden aan de dijk kunnen zetten. De ereschuld die ze in Israels oorlogen op het slagveld hebben verworven is niet voldoende gebleken om de harten van de Israelische politici voor hun grieven open te breken. Israels leiders weten dat de druzen ondanks hun gevoelens van ongenoegen de staat Israel absoluut trouw zijn en het niet in hun gedachtenwereld opkomt aan de stichting van een druzenstaat of druzenautonomie te denken. Daarom zijn ze lang een gemakkelijk te manipuleren en te vaak 'vergeten' minderheid. De druzen deden hun plicht en zwegen. Gemakkelijker kon het niet.

Veilig dak

De door de eeuwen heen door de islam vervolgde druzen begroetten de stichting van de staat Israel in 1948 in een door hen als vijandelijk beschouwde islamitische wereld als een veilig dak boven hun hoofd. “De vijand van mijn vijand is mijn vriend”, is de slagzin die de druzen aan de Israelische kant van het slepende Israelisch-Arabische conflict bracht.

Waarom heeft het druzendorp Beit Jhan, vlak onder de Libanese grens, dan geen kleine militaire begraafplaats voor de veertig zonen die als soldaten in Israels oorlogen zijn gesneuveld? Op een bevolking van 7.000 zielen is dit dodental - ruim een half procent van de bevolking van Israel - ook volgens maatstaven in de joodse maatschappij opvallend hoog. Had het Israelische ministerie van defensie voor een bescheiden ereveld voor de gesneuvelde druzen uit Beit Jhan geen klein bedrag kunnen uittrekken? “We hebben het wel gevraagd”, zegt de 43-jarige loco-burgermeester Jamil Farez. “Antwoord hebben we nooit gekregen.”

Israels oorlogen hebben ook zijn familie zwaar getroffen. “Mijn broer is in de Libanese oorlog gevallen toen bij Tyre een gebouw de lucht in ging. Een oom vond de dood op het slagveld en een neef die Palestijnse gevangenen in Nablus bewaakte is onlangs de hals afgesneden.”

“Wilt u de graven zien”, vraagt hij. We rijden naar de buitenkant van het dorp waar de Farez-familie op een stuk met olijfbomen beplant eigen land de drie gevallen telgen uit het geslacht in betonnen graven de laatste eer heeft bewezen. Bij het graf van de door een Palestijn vermoorde neef staat nog een verwelkte krans. Jamil Farez staat er plotseling wat gekromd bij. “Beit Jhan draagt een zware last”, zegt hij.

Ondanks de grieven wordt die last met de Israelische vlag in top naast de fel gekleurde druzenvlag met trots door de dorpelingen in Beit Jhan gedragen. Dit op een bergtop gelegen dorp lijkt net een feest achter de rug te hebben of zich er op voor te bereiden. Zoveel naast elkaar uitgestoken Israelische en druzen-vlaggen wapperen er in de wind, die altijd over de bergtoppen van Galilea scheert.

“Zijn we soms geen Israeliers”, antwoordt Jamil Farez op de vraag waarom er zoveel Israelische vlaggen zijn uitgestoken. Ook in de salon van zijn huis hangt aan de wand een kleine Israelische vlag als teken van zijn trouw aan de staat Israel.

“Ik voed mijn zoon ook in die geest op”, zegt hij. “Ik ben er trots op dat hij ook in het Israelische leger wil dienen. De dienstplicht roept hem weliswaar onder de wapens, maar voor de druzen geldt in de allereerste plaats dat wij trouw zijn aan het land waar we wonen.”

Tot 1956, acht jaar na de stichting van de staat Israel, meldden de druzen zich als vrijwilligers bij Tsahal, het Israelische leger. In dat jaar werd op verzoek van de druzen-ouderen de dienstplicht voor hun gemeenschap ingevoerd.

Sedertdien zijn de druzen niet alleen in de speciale zogeheten 'minderheidseenheden' te vinden maar dienen zij ook als beroepssoldaten bij de vooral door de Palestijnen in de bezette gebieden gevreesde Mishmar Hakwoel, de grenspolitie. Op de luchtmacht na zijn alle takken van het leger voor de druzen opengegaan en is zelfs de rang van generaal binnen hun bereik gekomen.

In de gemengde militaire eenheden bereikt de integratie van de druzen in de Israelische maatschappij haar hoogste graad. Daar worden ook voor het leven durende hechte vriendschapsbanden met joodse soldaten gesloten. Daar zijn de druzen in hun element.

Het 'militaire bedrijf' was voor de druzen altijd de belangrijkste bron van inkomsten en is dat ook gebleven. Deze keus is een van de factoren die de ontwikkeling van de druzen-dorpen sterk heeft afgeremd. Land werd verkocht omdat de druzen als beroepssoldaten in het leger veel meer konden verdienen dan met het telen van gewassen of het hoeden van vee op de vaak schrale berggronden. “De druzen geven er de voorkeur aan hun kinderen een militaire carriere te laten maken. Wat kan een jonge druus met een universitaire opleiding doen? Op zijn hoogst leraar worden”, zegt Shafik Salah, een druus die de geschiedenis van het Midden-Oosten aan de Bar-Ilan-universiteit doceert en een door het ministerie van defensie bekostigd boek over de 'Geschiedenis van de druzen' op zijn naam heeft staan.

Die militaire orientatie en de achterstelling bij de joodse sector heeft een verlammend effect gehad op de ontwikkeling van het druzen-dorp in het algemeen. De industrialisering is aan de druzen voorbijgegaan. Een middenstand heeft zich nauwelijks ontwikkeld. Wat moeten gedemobiliseerde druzen na het vervullen van de driejarige dienstplicht of bij pensionering op 45-jarige leeftijd na een vaak uitputtende militaire carriere dan doen? Als ze geluk hebben vinden ze evenals de Israelische Arabieren werk in de bouw of in de landbouw. Soms krijgen ze een baan in de militaire industrie die om veiligheidsredenen voor de Arabieren taboe is maar wel druzen in dienst neemt. De massale immigratie uit de Sovjet-Unie heeft de werkgelegenheid voor de druzen verder verkleind.

Volgens Jamil Farez is een kwart van de gedemobiliseerde druzen thans werkloos. Vooruitzichten op verbetering van de toestand zijn er niet. “Het wordt alleen maar slechter”, stelt hij vast. “We hebben hebben geen enkele vertegenwoordiger in de regering of op invloedrijke posten. De top is altijd in joodse handen”, zegt Zeidan Atshi, die voor de Burgerrechtenpartij in de elfde Knesseth zat en de eerste druus was die een tijdelijke diplomatieke post kreeg als consul in New York. Voor hem is het geen troost dat er nadien nog een druus consul in Atlanta werd en dat een andere druus redacteur is bij het televisie-journaal. De druzen worden volgens Zeidan Atshi te veel achtergesteld. “Dat is heel gevaarlijk in een pluralistische samenleving”, zegt hij. “Israel zou ons op handen moeten dragen.”

Omdat dit niet gebeurt, lopen vooral sedert de intifadah, de in 1987 uitgebroken Palestijnse volksopstand, de anti-Israelische spanningen onder ontevreden druzen-jongeren op. “De motivatie om in het leger te dienen neemt af”, zegt Zeidan Atshi. “We hebben al dienstweigeraars. Niet veel, maar voor Israels leiders moet dat toch een teken aan de wand zijn.”

De druzen-dichter Naziah Khir dichtte enkele jaren geleden de volgende zinnen die glashelder de verwarring naar buiten brachten: “Ik slaap in mijn Israelische gevoel en ik word regelmatig wakker in mijn Palestijnse verdriet, Arabische wanhoop en druzen-verwarring”.

Ouderlingen

De groeiende onrust onder de druzen kan niet uitsluitend op rekening van de problematische verhouding tot de joodse meerderheid in Israel worden geschreven. De traditionele gezagsverhoudingen in deze kleine doch zeer hechte gemeenschap zijn aan het verschuiven. De voor 'geheim' doorgaande geloofsbelijdenis van de druzen verliest zijn greep op de druzen en daardoor is ook het gezag van de 'ouderlingen' op de tocht komen te staan. Het opkomende nieuwe leiderschap is overwegend a-religieus. Dat is ook te merken aan het straatbeeld in de dorpen. De jeugd heeft de traditionele kledij afgelegd. Alleen de ouderen lopen nog in de sierlijke ruim om het lichaam hangende zwarte kleren met de grote witte keffia om het hoofd geslagen. Op de lange duur kan de sociale onrust en politieke frustratie er toe leiden dat de religie steeds minder invloedrijk wordt en dat het in bloed gegoten bondgenootschap met de joden op losse schroeven komt te staan.

Druzen en joden vonden elkaar omdat beide minderheden door de eeuwen heen door de meerderheid in hun omgeving onbarmhartig werden vervolgd. De geschiedenis drukte op beide volken het stempel van de holocaust. Terwijl de joden van hun godsdienst nooit een geheim maakten, kozen de druzen na verschrikkelijke vervolgingen in Egypte, waar hun religie in het begin van de elfde eeuw uit een synthese van Oosterse ideeen en Griekse filosofische waarden werd geboren, voor absolute geheimhouding. “Onze godsdienst is een revolutie tegen de islam”, zegt Shafik Salah. “Wij bewaren onze geheimen zo zorgvuldig om de islam geen ideologische wapens in handen te geven ons te vervolgen. De druzen stellen daarom alles in het werk de moslims in de waan te laten dat wij ook moslims zijn.” Religieuze camouflage is tot de dag van vandaag het schild waarachter de druzen zich tegen de islam verdedigen. Religieuze leiders van de druzen kunnen volgens Shafik Salah bezoekers in de waan laten dat ze met fervente moslims hebben te maken.

Om dezelfde obsessie met veiligheid staan in de druzen-dorpen geen gebedshuizen. Daar zouden ze op een onbewaakt moment kunnen worden overvallen. De godsdienst wordt daarom nog steeds in het grootste geheim beleden. Iedere donderdagavond komen de in deze religie ingewijden zo onopvallend mogelijk ergens in een vertrek in een huis, schuur of in de open lucht bijeen. Daar wordt zo stil mogelijk gebeden en worden religieuze problemen op fluisterende toon besproken. De paranoia is nog zo groot dat ook in de toch wel als veilig te bestempelen druzen-dorpen in Israel nog regelmatig van geheim ontmoetingspunt wordt gewisseld. Niemand mag om veiligheidsredenen weten waar de ingewijden donderdagavond bijeenkomen.

Niet lezen

Shafik Salah, de schrijver van de 'Geschiedenis van de druzen' behoort tot de weinige ingewijden die de zes heilige boeken van de druzen-godsdienst heeft gelezen en kritisch heeft bestudeerd. De eerste twee boeken, die de naam hekme (wijsheid) dragen, behandelen de filosofie van de godsdienst terwijl in de andere vier boeken de ontwikkeling van de religie wordt beschreven. Een gelovige druus heeft deze uit 114 brieven samengestelde zes religieuze boeken wel in zijn boekenkast staan maar als hij niet tot de kleine cirkel van ingewijden behoort mag hij er niet in bladeren, laat staan in lezen. “Uit de aanwezigheid van deze heilige boeken in zijn huis put de druus religieuze inspiratie”, is de verklaring die Shafik Salah voor deze ogenschijnlijke tegenspraak geeft.

Wat gebeurt er als deze boeken in onbevoegde handen vallen? Komen dan de angstvallig bewaarde religieuze geheimen niet uit? “Nee”, zegt hij zelfverzekerd. “Dat gevaar bestaat niet. Iemand die de tradities van de druzen niet van binnen uit kent, kan zelfs na een grondige studie van de zes heilige boeken onze religie toch niet echt doorgronden.”

In zijn woning in het dorpje Mhar, op een boven het meer van Tiberias uitstekende bergplateau, zegt de op een Britse universiteit opgeleide intellectueel verlegen lachend: “Wij zeggen dat het erg stom (van de moslims) is om naar Mekka te reizen om daar een kleine zwarte steen te kussen.” Bij het uitspreken van deze zin schuifelt Shafik Salah wat ongemakkelijk op zijn stoel. Koppig weigert hij andere voorbeelden te geven om het felle anti-islamitische karakter van zijn godsdienst begrijpelijker te maken. “Waarom zouden we de islam nog meer dan reeds het geval is tegen ons in het harnas jagen”, zegt hij.

Hoewel de slechts een miljoen druzen in hun woongebieden in Israel, Libanon en Syrie minderheidsgroeperingen zijn en zich als kameleons aan het staatsgezag - waar dan ook - onderwerpen, voelen zij zich door het opkomende islamitische fundamentalisme in grote delen van de Arabische wereld, ook in de door Israel bezette gebieden, bedreigd. De islamitische fundamentalistische beweging Hamas in de Gaza-strook heeft volgens Shafik Salah recentelijk zelfs virulente religieuze geschriften tegen de druzen verspreid. De druzen worden daarin als “duivelse mensen met lange staarten” omschreven voor wie in de islamitische wereld geen plaats kan zijn. (Voordat Israel in 1967 de Gaza-strook op Egypte veroverde, geloofden veel Palestijnen dat joden ook staarten en horentjes hadden.)

In de druzen-religie zitten op verschillende niveaus spirituele verdedigingsmechanismen ingebouwd tegen vervolgingen door de islam. Het geloof in rencarnatie maakt van de druzen op de slagvelden in het Midden-Oosten moedige strijders. Zij weten dat ze, als ze sneuvelen, ergens anders als druus worden herboren. Deze wetenschap geeft de druus tegenover zijn vijand een onoverwinnelijk gevoel en sterkt hem in de overtuiging dat hij niet kan worden uitgeroeid. Sedert 1034, toen er aan de korte bloeitijd van de druzen in Egypte een einde kwam en godsdienstvervolgingen de gelovigen naar de bergen van Libanon, Syrie en Noord-Israel verdreven, geloven zij bovendien dat het aantal druzen onveranderlijk is. Sedert die tijd kan niemand - uiteraard om indringers de pas af te snijden - tot de druzen-religie toetreden. Maar een druus kan het geloof van zijn volk ook nooit opgeven. Wie als druus wordt geboren zal - zelfs indien hij een andere godsdienst aanneemt - als druus sterven: een uitzonderlijk privilege van een bijzonder xenofobe minderheid in het rijke palet van godsdiensten en minderheden in het Midden-Oosten.

    • Salomon Bouman