Het schaap met buisjes

Bregje was een heel mooi schaap,

Met mooie lange oren;

Maar soms, als je haar zachtjes riep,

Leek ze je niet te horen.

Ook herhalen moest je vaak,

Wanneer je sprak met Bregje;

Dan keek ze je afwezig aan

En zei steeds: he? wat zeg je?

Soms ook verstond ze je verkeerd;

Je zei bij voorbeeld: hobbelpaard;

Dan liet ze haar speelgoed in de steek

En riep: ja heerlijk, mokkataart.

Haar vader zei: dit gaat niet meer;

Mijn lammetje wordt geloof ik doof;

We gaan er wat aan laten doen,

Want doofheid schept zo'n kloof.

De dokter van het KNO

Keek lang in Bregjes oren

En zei: ze moet geopereerd

Zodat ze weer kan horen.

Toen kreeg ze ziekenhuiskleren aan,

Een wollen hemd met pluisjes;

Toen ze weer bijkwam zei de arts:

Ziezo nu heb je buisjes.

Ze zei: het deed totaal geen pijn;

Maar ik had een vreemde droom:

Ik zonk weg in een zee van wol

En deinde in de stroom.

Nu gaat het weer heel goed met Bregje:

Ze eet beschuit met muisjes;

Ze zegt nu nooit meer: he? wat zeg je? Zij is een schaap met buisjes.