Gedegen studie en overzicht in Boymans van vergeten Kunstenaarsfederatie De Branding; De 'vibratie van het innerlijk' als stilistisch ratjetoe

Tentoonstelling: De Branding 1917-1926. T-m 22 september in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Di t-m za 10-17 u.; zo. 11-17 u. Bij de Stichting Kunstpublicaties Rotterdam is een boek verschenen over De Branding geschreven door Els Brinkman. Prijs (f) 45,-

“Wij willen een nauwere betrekking tusschen de stad Rotterdam en de moderne kunst -. Deze stad van onwrikbare geest- en wilskracht, van voortvarendheid in handel en industrie, willen wij als onze verwante begroeten”, aldus Laurens van Kuik in zijn openingstoespraak bij de eerste Branding-tentoonstelling in 1917. Volgens Van Kuik staan de Branding-kunstenaars “aan den spits - naar een nieuwe wereld-cultuur” en gaat het in hun schilderijen niet om de zichtbare uiterlijke vorm, maar om de uitdrukking van de 'inhoud der ziel'.

De Federatie van Beeldende kunstenaars De Branding was kort daarvoor in Rotterdam opgericht als protest tegen de Vierjaarlijksche, een tentoonstelling van levende meesters waarvoor al te moderne kunstenaars door de jury werden afgewezen. Najaar 1917 organiseerde De Branding in het huis van de kunstminnende kleermaker Van Hasselt aan de Schiedamsesingel kort na elkaar drie tentoonstellingen. Tot 1926 waren er in het totaal elf van dit soort exposities, die niet alleen in Rotterdam werden gehouden, maar bij gebrek aan een geschikte locatie ook in Utrecht, Den Haag en Amsterdam.

De Branding verenigde een heterogene groep kunstenaars, het ratjetoe van stijlen en stromingen dat nu in Museum Boymans-Beuningen in Rotterdam hangt, is daarvan een afspiegeling. Laurens van Kuik was, getuige zijn toespraak, genspireerd door de futuristen en Kandinsky die al in 1912 en 1913 op tentoonstellingen in Rotterdam te zien waren. Zo maakte hij in 1916 niet alleen een aan het futurisme verwant schilderij Genspireerd op de geluiden en bewegingen van de elektrische tram, maar ook een werk getiteld Ik die Ben dat onder invloed van de theosofie is ontstaan.

Door 'Intellectuele Aanschouwing', zoals Van Kuik dat noemde, was hij in staat een beeld te schilderen van zijn diepste innerlijk, van zijn onderbewustzijn. Beide werken maken nu deel uit van de Boymans-tentoonstelling. Terwijl het in geel en rood geschilderde doek over het geluid van de trams iets opgewekts en plezierigs uitstraalt, hadden de stadsgeluiden volgens Van Kuik bij hem juist “sterke onlustgewaarwordingen” opgeroepen. Het in drabbige kleuren uitgevoerde psychologische zelfportret daarentegen oogt somber, het is wel vergeleken met een snuit, een oblietje en een rotte kies. Maar dit soort 'transcendentaal-realistische' schilderijen zijn niet gemaakt om de zintuigen te behagen: ook al zijn zij niet mooi toch kan hierin “een hooge en gevoelrijke aanschouwende aesthetische gesteldheid zijn uitgedrukt”, aldus Van Kuik. De bezoeker is dus gewaarschuwd.

Aura's

De invloed die occulte, esoterische stromingen als theosofie, antroposofie en vrijmetselarij op het ontstaan van de abstracte kunst hebben gehad, is bekend. Binnen De Branding waren behalve Van Kuik, Bernard Toon Gits, Ger Ladage, Georges Rober, Bernard Canter, Johannes Tielens en Jan Sirks hierdoor benvloed. In plaats van het materiele, grof-stoffelijke der dingen wilde men aura's en de “vibratie van het innerlijk wezen” verbeelden. De visuele resultaten lopen, ook kwalitatief gezien, sterk uiteen, zoals op de tentoonstelling blijkt. Zelfs binnen het oeuvre van een kunstenaar zijn er opmerkelijke stijlwisselingen waarneembaar. Van deze groep is het werk van Van Kuik en Ladage, die ook bekend is onder de naam Gerlwh (een samenvoeging van zijn eigen naam en die van zijn overleden vriendin Wil Hanken van wie hij astrale invloed meende te ondergaan) nog het meest geslaagd. De aquarellen van Gerlwh hebben meestal een achtergrond in warme kleuren waartegen zich een abstract lijnenspel aftekent. De associatie met glas-in-lood is niet toevallig: Ladage volgde een opleiding in de glasschilderkunst.

Het werk van de anderen, onder wie ook Marius Richters, Piet Begeer en Herman Bieling is uitsluitend vanuit (kunst)historisch oogpunt interessant te noemen. Richters schilderde in realistische trant en de autodidact Begeer maakte voornamelijk abstract geometrische linosneden. Bieling was vooral na 1920 de drijvende kracht achter De Branding. Door zijn activiteiten deden er aan een aantal Branding-tentoonstellingen ook buitenlanders mee als Schwitters, Otto Bleichmann, Klee, Archipenko, Puni, Leger en Brancusi. Bieling die bepaald niets esoterisch of mystieks had, schilderde zelf in een soort cubistisch-expressionistische stijl, maar deinsde er niet voor terug in een werk een realistische portretkop met een cubistische achtergrond te combineren (Portret Hannah Beekhuis, 1923). Behalve schilderijen en grafiek maakten Bieling, Ladage en Van Kuik ook sculpturen. De tentoonstelling geeft hiervan een indruk met een drietal beelden en enkele foto's.

Boek

Els Brinkman maakte een gedegen studie naar De Branding. Zij heeft het feitenmateriaal - voorzover nog te achterhalen want veel is door brand- en oorlogschade verloren gegaan - met vastbehoudendheid verzameld. Haar boek bevat veel informatie, maar is niet gemakkelijk leesbaar. De lijst van deelnemers aan de tentoonstellingen die in het boek over De Branding is opgenomen, roept vragen op over de samenstelling van de huidige expositie die een (poging tot) reconstructie van tien jaar Branding wil zijn.

De representatie van buitenlandse deelnemers heeft men waarschijnlijk om praktische redenen moeten beperken tot Schwitters en Gleichmann, maar waarom ontbreken de op muziek genspireerde tekeningen van Louis Saalborn die toch aan vijf van de elf tentoonstellingen heeft deelgenomen en de schilderijen van Henri Le Fauconnier? Van Janus de Winter en Theo van Doesburg is wel werk opgenomen, hoewel zij maar een-, respectievelijk tweemaal tot de exposanten behoorden. Van Doesburgs Kaartspelers (1916- 17) veroorzaakte in 1918 in Den Haag wel een hooglopende ruzie: temidden van de in bruinige tinten geschilderde doeken van de Branding-kunstenaars die zich voor deze gelegenheid de Ultra-Modernen noemden, viel dit lichte werk nogal uit de toon. Vlak voor de opening had men het daarom, buiten Van Doesburg om die hier later hevig tegen protesteerde, in een achterafzaaltje gehangen. In Boymans heeft De Kaartspelers een vrij prominente plaats gekregen. Wil men hiermee de verschillen tussen De Stijl en De Branding, die beide in 1917 van start gingen in herinnering brengen?

De Branding kan wat kwaliteit en stilistische eenheid betreft niet in de schaduw van De Stijl staan. Niettemin is het een uitstekend initiatief van de Stichting Kunstpublicaties om dit stuk Rotterdamse cultuurgeschiedenis aan de vergetelheid te ontrukken.

    • Din Pieters