Voor Hendrik Brugmans is 1992 pas het begin

'Weg met de nationale staten, leve de verenigde gewesten.' Dat was de strijdkreet van de Europese federalisten na de oorlog. Hun leider Hendrik Brugmans gaat onvermoeibaar door met zijn strijd. Ongerust is hij wel. Was de oorlog in de Golf niet het grote demasque van Europa? “We hadden niets in te brengen.”

“De nationale staat is een oude zak. Zij werd destijds gemaakt om veiligheid en welvaart te garanderen. Maar ze is verouderd, de natie-staat is te klein geworden voor de wereld van de multi's. Er is een nieuwe transnationale vorm nodig: een federaal Europa.” Hendrik Brugmans is een markante internationalist. Hij is Amsterdammer en voelt zich een Groot-Nederlander, zoals dat toen heette. Net als Pieter Geyl, de temperamentvolle historicus die Nederland en Vlaanderen het liefst herenigd zag. “Maar Europa is mijn grote vaderland”, zegt Brugmans vastberaden. Een erudiete heer, zoon van de Amsterdamse historicus Hajo Brugmans. Hij is 84 jaar en nog twinkelen zijn ogen als hij over zijn idealen spreekt. “Nederland heeft in Europa een eigen rol te vervullen. Niemand loopt over ons heen wanneer we ons manifesteren en laten zien wat we presteren. Maar wat gebeurt er? Nederland voelt zich bedreigd. Het is bang dat het zijn identiteit verliest en gaat in een hoekje zitten.” Laf, vindt hij dat. Voor bange mensen heeft hij geen respect. Nederlandse politici en burgers hoort hij denken: o god, o god, o god, we gaan door de mangel. Zo direct maken de Europese 'grootmachten' hier de dienst uit en voeren ons af van de veilige Atlantische koers. Politici worden nog steeds achtervolgd door de zelfstandigheidswaan. Er heerst een verlammende angst. Zo mist Nederland de Europese boot. Het zou de mouwen moeten opstropen en zeggen: wat gaan wij doen en hoe?” Het leven van Brugmans staat in het teken van verzet en teleurstelling. Als SDAP'er werkte Brugmans aan het radicale Plan van de Arbeid, maar dat liep nergens op uit. Als gijzelaar in St. Michielsgestel droomde hij van vernieuwing die niet kwam. Na de oorlog werd hij aanvoerder van de Europese federalisten, alleen zagen slechts weinigen hier iets in. Toch ondernam hij als Heracles bij Couperus na elke mislukking een nieuwe veldtocht. Zijn laatste expeditie had meer succes. In 1950 werd hij de eerste rector van het Europa-College te Brugge, een internationaal instituut waar hij ruim twintig jaar de leiding had. Brugmans, van origine Frans letterkundige, heeft vele boeken op zijn naam staan over de helden van Nederland en de Europese beschaving zoals Willem de Zwijger en Erasmus. Onvermoeibaar trekt hij door de wereld om lezingen te geven onder het wakend oog van Hanna Kirsten, zijn vrouw en Vlaamse dichteres. Ze wonen in Brugge, maar logeren enkele dagen in zijn geboortestad Amsterdam. “Ik heb nooit iets hoeven verloochenen”, zegt Brugmans vastberaden. In zijn werkkamer heeft hij een Franse revolutionair aan de muur. Jaures, een 'matre a penser', naast Proudhon en Troelstra. “Ik ben nog steeds socialist en federalist.” 'Weg met de gecentraliseerde, nationalistische staten, leve de verenigde gewesten', was de strijdkreet die zijn hart na de bevrijding sneller deed kloppen. Europe une dans un monde uni stond op het postpapier van zijn Unie van Europese Federalisten waarvan Brugmans sinds 1946 voorzitter was. Een 'pan-Europees' gezelschap van bevlogen idealisten die een federatie van Europese staten nastreefden met een regering, een grondwet en een defensiepolitiek. Met zijn federalistische broeders is hij naar de Zwitserse Rutliwiese getrokken, heilige grond voor een federalist. Bijna zeven eeuwen geleden hadden op deze wei vertegenwoordigers van drie oerkantonnen - Uri, Schwyz en Unterwalden - elkaar bijstand en trouw gezworen. Op de wei sloegen de Zwitsers aan het vendelzwaaien, terwijl Brugmans mooie woorden sprak over de polarisatie tussen beide wereldmachten en de noodzaak van Europa als derde macht, het Zwitserland van de wereld. Diplomatieke afspraken zouden niet genoeg zijn. Volkeren zouden elkaar verbondenheid moeten beloven. Vandaag moet hij vaststellen dat daarin de zwakte van Europa ligt: Europeanen hebben elkaar nooit trouw gezworen. Het was in de oorlog dat hij over Europa begon te denken. “De eerste die pleitte voor een Europese economische gemeenschap was Hitlers minister van buitenlandse handel Funk, ook wel Rundfunk genoemd omdat hij zoveel reisde. Al die grenzen vond hij maar onzin, dat was niet meer van deze tijd. Dat heeft me geweldig getroffen. Die man heeft gelijk, dacht ik. Hij wilde het natuurlijk volgens zijn fascistische ideologie en daarom moesten we er tegen zijn. Maar deze man had iets begrepen wat helaas veel mensen die aan de goede kant stonden toen nog lang niet begrepen.” “Toen zag ik Europe ma patrie van Gaston Riou, medewerker van de Franse oud-premier Briand, in een boekhandel in Geneve liggen. Ik dacht: dat is het. Dat gaf me een schok. Europa, mijn vaderland. Wie dat niet kan nazeggen, zal nooit een echte federalist zijn. “Na de oorlog liep alles anders dan ik had gehoopt. In St. Michielsgestel zinderde de lucht van herstel en vernieuwing. Allemaal mensen met gezag zaten daar bij elkaar, ministers, geleerden, ingenieurs. Links en rechts. Vestdijk, Huizinga. Ik had al mijn hoop op vernieuwing gevestigd. Maar na de bevrijding stokte alles. De doorbraak van socialisten naar de christelijke partijen kwam niet van de grond. In mijn wekelijkse radio-column De Patriot riep ik voortdurend dat alles zou veranderen. De minister van onderwijs zou pedagogische vernieuwingen doorvoeren en in het bedrijfsleven moesten werknemers inspraak krijgen bij de benoeming van de leiding. Ja, dat was revolutionair, maar ik vind het nog steeds. “Alleen, er gebeurde niets. Er was geen doorkomen aan. Toen zeiden ze op een goed moment, laat die man zijn mond houden. Mensen kregen genoeg van al wat op officiele propaganda leek. Ik was in die tijd regeringscommissaris bij Schermerhorn. Een korte, dramatische episode. Maar we bereikten bitter weinig. Ik voelde me als een slaapwandelaar die eerst over een dakgoot loopt en vervolgens in het luchtledige. Toen besloot ik een andere 'baan' te nemen. “De Europese Unie van Federalisten nam me helemaal in beslag. Ik had een erfenis gekregen en kon het daar voorlopig mee uitzingen. Heel Europa reisde ik rond om contacten met federalisten uit andere landen te onderhouden en om te lobbyen. “We vonden dat de gemeentelijke autonomie moest worden hersteld. Dat speelde vooral in Frankrijk waar gemeenten niets meer te vertellen hadden. Problemen moesten op het laagste niveau worden opgelost, dat was het meest democratisch. Het nationale machtsmonopolie moest op alle terreinen doorbroken worden. “Als eerste spraken we ons uit tegen de annexatie van Duits grondgebied na de oorlog. De grenzen moesten niet verschoven worden, maar gedevalueerd, weggehaald. Dat was toen redelijk utopisch, maar nu wordt het uitgevoerd. “Het centrale probleem was natuurlijk Duitsland. Hoe kon Duitsland 'wieder hochkommen', zonder opnieuw een gevaar te worden? Niemand wist wat er mee moest gebeuren. Wij wel. De Amerikanen hadden nog even het plan om Duitsland te reduceren tot landbouwstaat. Waanzin. Wat moest je met al die industrie-arbeiders. Wij vonden verzoening noodzakelijk. De integratie van de Bondsrepubliek in de Europese Gemeenschap was de enige oplossing en zo is het inderdaad gegaan. Iedereen zei dat we gek waren, maar zo gek waren we kennelijk toch niet. We hebben een richting aangegeven. “Veel aanhangers hadden we natuurlijk niet, vijf- of zesduizend in Nederland. In Italie en Frankrijk veel meer. Na een aantal jaren zag ik wel dat we niet in een stormloop een verenigd Europa zouden krijgen. Er was bijvoorbeeld een federale grondwet nodig, maar je kunt alleen succes boeken als je ideeen geworteld zijn in de volksovertuiging. Zover was men toen nog niet. Na vier jaar ben ik er mee opgehouden. Ik was gevraagd het Europa-College op te richten en dat leek me de manier om jongeren te interesseren voor de Europese cultuur, economie, geschiedenis en toekomst. “Iedereen jubelt nu wel over 1992. Voor mij is dat pas een begin. Eenheid van economische macht maakt nog geen burgers. Mijn drijfveren zijn altijd politieke en culturele eenwording geweest, zodat Europa een eigen rol kan spelen, een eigen diplomatie kan voeren en - binnen de NAVO - een eigen defensie heeft. Dan hoeven we niet meer altijd achter Amerika aan te lopen. Ik hou van Amerika, maar Europa moet een eigen machtwoord hebben. “Kijk eens naar de oorlog in de Golf. Dat was het grote demasque van Europa. Toen bleek dat we eigenlijk nog nergens staan. Europa is economisch een reus, politiek een dwerg en militair een worm, heeft de Belgische minister van buitenlandse zaken gezegd. We hadden niets in te brengen. Er is geen overleg geweest. De Amerikanen hoefden alleen maar te zeggen wie wat moest doen en het gebeurde. “Voor mij als Europeaan was dat vernederend. Onvoorstelbaar dat hierover geen debat is gekomen in de Europese landen. Niet eens emotionele verontwaardiging. Ik vind het een vorm van decadentie, van verval. Een menselijke groep die zich zo laat vernederen en dat niet eens meer erg vindt. “Ik maak me geen illusies, hoor. Ik heb mijn leven lang gevochten voor een nieuw Europa. Er is wel veel gebeurd en bezig te gebeuren, zoals 1992. Maar ik ben geweldig ongerust over een groeiend geestelijk-cultureel vacuum. Een aantal morele reflexen werkt niet meer. Ons waardensysteem, het christelijke, verkeert in een geweldige crisis en er komt niets voor in de plaats. “Somber ben ik niet. Ik weet dat uit ongerustheid vernieuwing voortkomt. Dat is in het verleden al zo vaak gebeurd. We gaan naar een 'global village'. Dat is niet tegen te houden.”