Vlaanderen als dweil voor de grens met Frankrijk

Voorstanders van 'culturele integratie' stellen het scherp: als Nederland niet wil vervallen tot een Duitse deelstaat, is in de eerste plaats nauwe samenwerking vereist met Vlaanderen. Maar voordat het daarvan kan komen, moeten veel misverstanden, vooroordelen en andere barrieres worden overwonnen. De kloof tussen noord en zuid is diep.

“Nederland kan arrogant, aanmatigend, hautain en bedilzuchtig zijn.” Met deze constatering, te vinden in een essay getiteld Het ravijn tussen Essen en Roosendaal, vertolkt Ludo Simons de gevoelens van veel Vlaamse landgenoten. Maar ter verdediging van de vaak ergerlijke noorderburen wijst hij in zijn boekje op een verzachtende omstandigheid: sommige zaken pakken zij inderdaad beter aan dan hun wat 'morsige zuiderse broeders'. Dank zij deze ruimhartige instelling heeft Ludo Simons waardering voor de reactie van W.F. Hermans, die vorig jaar opmerkte dat het essay is geschreven in een Nederlands dat 'niet van echt' valt te onderscheiden. “Dat was een mooi compliment”, verzekert Simons, hoogleraar in de boek- en bibliotheekwetenschap aan de universiteiten van Antwerpen en Leuven. “In de visie van Hermans gaat het hier om Nederlands van een Vlaming, dus om namaak, dat niettemin net echt klinkt. Met die opvatting was ik zeer verguld, hij had ook kunnen schrijven dat ik me had bediend van koeterwaals. Na de lange periode waarin onze cultuur werd onderdrukt, hechten wij veel waarde aan het oordeel van de wereld: hoe vinden ze ons, luidt de bange vraag, kennen ze ons wel - ja, bestaan we wel? De taal is daarbij een belangrijke graadmeter: spreken wij hier fatsoenlijk Nederlands of, zoals Hermans het noemt, een kromtaal die alleen in de verte lijkt op Nederlands?” Hoewel hij vindt dat er in dit opzicht vooruitgang is geboekt, moet er volgens Simons nog veel gebeuren. In Het ravijn tussen Essen en Roosendaal pleit hij ervoor dat een kwart van de colleges aan de Vlaamse universiteiten in 'onberispelijk Nederlands' wordt gegeven, zodat de inhaaloperatie over honderd jaar ongeveer is voltooid. “Vooral buiten de letterenfaculteiten hoor je nog hele vreemde dingen”, licht hij toe. “Daar wordt veel te weinig aandacht aan besteed, maar natuurlijk is het ook moeilijk om tegen iemand die een prijs kreeg voor kankeronderzoek te zeggen dat hij execrabel Nederlands spreekt. Toch is het in ieders belang dat wij er in ons land naar streven het taalgebruik te verbeteren. Om historische redenen ligt de norm daarvoor in het noorden. Het is jammer dat het zo is gelopen, maar er valt niets aan te veranderen.” Geert van Istendael, de in Brussel gevestigde schrijver van de bestseller Het Belgisch Labyrint, aanvaardt dit uitgangspunt maar wil zich niet onderwerpen aan het dictaat van het koude, schrapende, hooghartige Hollands, “de taal van het smalle provincialisme van de Randstad, dat zijn heil slechts in dat deel van het land zoekt”. Even krachtig verzet hij zich zowel tegen het vertrouwde Vlaams met zijn gallicismen en barbarismen, als tegen het “nieuwe Verkavelingsvlaams, een weerzinwekkende halftaal die als drab over het land wordt uitgesmeerd”. Het enige alternatief, zegt hij, is een taal voor noord en zuid: een met sporen van dialecten 'dooraderd' Nederlands dat de noodzakelijke basis vormt voor een hechte culturele band. “Want die moet er nu komen. Alleen door nauwe samenwerking kunnen we de Nederlandstalige cultuur verdedigen en, al doende, boven onze eigen beperkingen uigroeien.” Nu Europa zich verenigt, is men het over de noodzaak hiervan in brede kring eens. S.W. Couwenberg, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, is een van degenen die in 'het oprukkend cultureel internationalisme' een ernstig gevaar zien voor kleine naties. Het is zaak, zo betoogde hij in deze krant, de Nederlandse neiging tot zelfonderschatting (ook wel aangeduid als het Madurodam-complex) te overwinnen en samen met de Vlamingen onze culturele positie te versterken. Anders dan de historicus E.W. Kossmann en de schrijver Jeroen Brouwers, die meent dat Vlaanderen met zijn 'wrattentaaltje' voor Nederlanders niet meer is dan 'de dweil voor de grens naar Frankrijk', gaat Couwenberg uit van een algemeen Nederlandse cultuur. Hij spreekt zelfs van een gemeenschappelijke culturele lotsbestemming: een 'concept' dat, naar zijn idee, wel een steviger verankering behoeft. “Het gaat er nu om dat we onze positie in het toekomstige Europa bepalen”, zegt hij. “Kiezen we voor een toenemende marginalisatie, zodat Nederland een nieuwe deelstaat van Duitsland wordt, of willen we samen met Belgie de andere landen partij kunnen geven? Het is een teken van politieke malaise dat hierover geen principieel debat wordt gevoerd: we houden ons alleen bezig met procedures en verder zien we wel.” Voor Couwenberg is het duidelijk: nu noord en zuid naar elkaar toe worden gedreven, is de groot-Nederlandse gedachte een 'overlevingsstrategie' in plaats van, zoals vroeger, een luxe. “In de internationale politiek zijn wij geneigd ethisch en idealistisch te denken, maar nu onze identiteit op het spel staat, moeten we denken in termen van macht. Nederland dient, met andere woorden, zijn machtspositie te verbeteren.” Daarvoor is het in de eerste plaats noodzakelijk, aldus Couwenberg, een nieuw cultureel verdrag te sluiten met wat hij de zuidelijke Nederlanden noemt. “Er is alle aanleiding om over onze vooroordelen heen te stappen, de Randstad-arrogantie overboord te zetten en een doorbraak te forceren. Samen moeten we, bij voorbeeld, Nederlandse cultuurhuizen oprichten, culturele attaches aanstellen en streven naar de oprichting van een Europees fonds voor de Nederlandse cultuur. En boven alles moeten we ervoor zorgen dat het Nederlands als cultuurtaal behouden blijft.” Van het belang van dit laatste lijkt niet iedereen overtuigd. Zo hield de Nederlandse minister van onderwijs en wetenschappen, Ritzen, een pleidooi voor de invoering van Engels in het hoger onderwijs en liet de Universiteit van Amsterdam vorig jaar weten dat men een kwart van de colleges in deze taal wil gaan geven. Geert van Istendael spreekt van groteske voorstellen, die kunnen leiden tot 'onthoofding' van de eigen taal. Ludo Simons toont zich niet minder bezorgd. “Van de woorden van de minister sloeg iedereen in Vlaanderen achterover”, meldt hij. “Het leek wel een tekst van een agent van de anglomanie, een practical joke van een engelskiljon, maar velen hier meenden dat een besluit van die strekking al in de staatscourant had gestaan. Zij zagen de berichten hierover als een bewijs van het Hollandse onbegrip voor het belang van de moedertaal.” Maar er zijn meer aanwijzingen dat men aan weerszijden van de grens, om de Brusselse journalist Manu Ruys te citeren, met de ruggen naar elkaar toe staat. Patrick Dewael, de Vlaamse minister van cultuur, stelde enige maanden geleden spijtig vast dat Nederland zich nog altijd weinig aan Vlaanderen gelegen laat liggen. Als voorbeeld noemde hij in deze krant de 'minachting' die de Stichting voor Vertalingen aan de dag legde voor de Vlaamse literatuur; volgens Dewael zag zijn departement zich hierdoor genoopt de subsidiering te staken, waarna de stichting werd opgeheven. Bovendien signaleerde hij bij het ministerie van WVC een denigrerende en beledigende houding ten aanzien van de Nederlandstalige cultuur in zijn land. Ook anderen spreken over een anti-Vlaamse tendens in 'Den Haag', die er de oorzaak van zou zijn dat een nieuw cultureel verdrag uitblijft en de Taalunie verzandt in bureaucratie. “Op het ogenblik produceert de Taalunie slechts bergen papier, het is onbegrijpelijk”, verzucht Geert van Istendael. De onderlinge sfeer werd er niet beter op door een vorig jaar namens minister d'Ancona uitgesproken redevoering, waarin zij ontkende dat Nederland en Vlaanderen tot een en dezelfde culturele gemeenschap behoren. Veel Vlamingen reageerden verontwaardigd, maar Van Istendael acht hun boosheid ongegrond. “Het is armzalig om in dit gebied van maar een cultuur uit te gaan; we hebben hier niet alleen een Nederlandse en een Vlaamse cultuur, maar ook (om iets te noemen) een Brabantse, een Limburgse, een Friese, een Hollandse, een Antwerpse, een Brusselse, een katholieke en een protestantse cultuur. Dat alles wordt overkoepeld door een taal waarop de Vlamingen erg trots zeggen te zijn. Niettemin hebben wij maar een schamel bedrag over voor onze letterkunde en zijn we nog voortdurend bezig de taal te mishandelen. Maar daar maakt niemand zich druk over: in het huidige Vlaanderen zijn de luiheid en de zelfgenoegzaamheid daarvoor te groot.” Zelf investeerde Van Istendael veel tijd en moeite om zich het Nederlands eigen te maken. Nadat hij op achttienjarige leeftijd tot de conclusie was gekomen dat hij half-vertaald Frans sprak, is hij geruime tijd met leer- en woordenboeken aan het werk gegaan. “Het was een titanenarbeid om de op school opgelopen averij te herstellen, net als Hugo Claus heb ik de taal stukje bij beetje moeten veroveren. Helaas kom je daarmee nooit helemaal klaar: ik ben er nog steeds mee bezig, elke dag weer. En eens in de zoveel jaar is er nog een grondige schoonmaakbeurt nodig.”Om problemen als die van Geert van Istendael te voorkomen, trad Ludo Simons op de middelbare school toe tot een van de ABN-kernen, organisaties die jongeren algemeen beschaafd Nederlands moesten bijbrengen. “We werden gezien als rare jongens, maar op onze manier werkten we in die kernen mee aan de emancipatie van Vlaanderen”, aldus Simons. “Nu, veertig jaar later, vind ik dat het tijd is te streven naar culturele integratie met Nederland. Als we dat niet doen, worden we straks overspoeld door de Springers, de Maxwells en de Benedetti's van het nieuwe Europa.”