Tienkampers de arme sloebers van de atletiek

Na zijn achtste plaats op de Olympische Spelen in Seoul is het misgegaan met de Eindhovense tienkamper Robert de Wit. Blessures weerhielden hem van nieuwe topprestaties. Toch hoopt hij nog altijd op een roemrijke terugkeer. Volgend weekeinde probeert hij bij de Europa Cup meerkamp in Helmond de limiet te halen - 8000 punten - voor de mondiale atletiekkampioenschappen in Tokio. Ondanks een linkerbeen dat niet gehoorzaamt. Ondanks het gemis aan erkenning. Profiel van een miskende atleet die “het alleen nog doet voor zichzelf.”

EINDHOVEN, 29 JUNI. Drie jaar geleden dacht hij dat 'the sky the limit was'. Tegenwoordig is hij daar niet meer zo zeker van. “Het wordt steeds moeilijker om dat gevoel te handhaven, he.” Drie jaar geleden verbeterde Robert de Wit zijn beste prestatie ineens met zo'n 400 punten. Vestigde zich temidden van de wereldtop met zijn totaal van 8447 punten. Eindigde als achtste bij de Olympische Spelen in Seoul. “Ik ken geen grenzen meer”, verklaarde Robert de Wit euforisch. “Ik kan de hele wereld aan. Ik heb mijn top nog lang niet bereikt.” Sindsdien is hij niet meer boven de 7800 punten gekomen. “Maar dat stop ik heel ver weg”, zegt de tienkamper bezwerend op de bank in zijn doorzonwoning. “Tegenslagen vergeet ik. Ik denk heel positief.” Het eerste jaar na de Olympische Spelen was er nog geen vuiltje aan de lucht. Robert de Wit gunde zich een periode van rust, hoefde niet zo nodig te presteren. “Voor de lol” deed hij aan de Europese kampioenschappen bobsleeen in Winterberg mee als remmer in de tweezitter samen met stuurman Rob Geurts. Het vorige jaar ging aanvankelijk ook nog naar wens. Op verschillende onderdelen boekte hij weer winst. Hij plaatste zich voor de Europese titelstrijd in Split. Maar daar blesseerde hij bij het hoogspringen zijn linkerenkelband. “Dan krijg je een domper”, zegt De Wit. “Juist als je heel erg in vorm denkt te zijn.” Op de trainingen had Robert de Wit dit jaar nergens last van. Maar bij wedstrijden, eerst in Hilversum, begin deze maand nog in Dordrecht, is hij dit jaar opnieuw “heel onfortuinlijk” door zijn linkervoet gegaan. Daardoor is hij “zijn vertrouwen in dat been een beetje kwijt geraakt.” Gedeeltelijk kan Robert de Wit die handicap omzeilen door bij het verspringen niet meer af te zetten met de linker- maar met de rechtervoet. “Mijn rechterbeen is mijn sterkste; mijn rechter laat me nooit in de steek.” In zijn carriere is hij wel vaker van springbeen gewisseld. Bij het verspringen gaat hem dat moeiteloos af. Maar bij het hoogspringen kan hij zo'n switch wel vergeten. Het inslijpen van de techniek die daar bij hoort zou hem jaren kosten. Dus zit er bij het hoogspringen niets anders op dan “niet te hard aan te lopen, op kracht te springen. Dan lukt het wel.” Of het ook werkelijk lukt? Op de trainingen is hij geneigd dat linkerbeen te sparen, wil De Wit best erkennen. “Ik weet dat die voet er niet lekker bij hangt. Daar houd ik rekening mee.” Maar wil hij zich volgende week bij de Europa Cup meerkamp in Helmond kwalificeren voor de wereldkampioenschappen in september, dan zal hij alles moeten geven. De 28-jarige atleet weet heel goed wat dat betekent: “Dan hoort de rem er niet meer op te staan.” Voorlopig klampt hij zich vast aan die gelukzalige ervaring van drie jaar geleden. Destijds had hij last van allebei zijn achillespezen. Was ook geneigd ze te ontzien. Totdat hij op de honderd meter zijn angst vergat en weer voluit ging. De blessures waren als bij toverslag verdwenen. Robert de Wit, onverzettelijk maar makkelijk raakbaar, zegt ernstig: “De wedstrijd als therapie.” Het zou niet de eerste keer zijn dat hij erin slaagt om uit verloren stelling terug te komen. In 1984 miste hij de Olympische Spelen omdat hij plotseling, zonder aanleiding, zonder verklaring, werd getroffen door een rugblessure, die hem anderhalf jaar lang in haar greep hield. Terugkijkend spreekt De Wit zonder aarzeling over “de verschrikkelijkste periode in mijn leven”. “Elke dag pijn. Terwijl ik tevoren nooit iets gemankeerd had, nooit een beperking in conditie en kracht had gekend. Dat vind ik nog steeds het mooiste als ik iemand help met verhuizen: dat ik zo de wasmachine op kan pakken. Dat mijn lichaam alles kan doen wat mijn hoofd kan bedenken. En plotseling was ik een invalide. Dat vreet aan je.” Een ingrijpende operatie wist Robert de Wit nog maar juist te ontlopen dankzij een manueel therapeut die hem met enkele handgrepen van zijn pijn verloste. Even plotseling als zij was gekomen. Kozend noemt De Wit deze arts “mijn wedstrijdgoeroe”. “Hij voelt feilloos aan of ik mijn lichaam weer een weekend kan misbruiken. Wat die man van mijn lijf weet, daar word ik angstig van.” Het inzicht wat de tienkamper aan zijn rugblessure heeft overgehouden: “Topsport is zo vreselijk fragiel. Balanceren op de afgrond. Elk moment kan het afgelopen zijn.” Dat geldt voor alle atleten, maar in verhevigde mate voor hen die zich op de tienkamp hebben toegelegd. Ons seizoen, zegt De Wit, bestaat in feite maar uit drie serieuze krachtmetingen: een om te kijken hoe de vorm is, een om de limiet te halen voor de grote internationale toernooien, een voor de “echte grote jongens”. Een misser, een blessure, en het seizoen is verloren. Alle inspanning, alle trainingen voor niets geweest. “Een tienkamp”, zegt de Wit, “is geen optelsom van individuele prestaties. Daar komt veel meer bij kijken. Twee dagen lang moet je je steeds weer kunnen concentreren. Maar je moet ook kunnen wachten, kunnen ontspannen, je aandacht kunnen afleiden. Een tienkamp is mentaal veel zwaarder dan fysiek.” Vroeger had De Wit nogal eens het gevoel dat hij onder de druk van de wedstrijd zou bezwijken. Alleen al de gedachte aan een tienkamp riep fysieke weerstand op. Aan de start stond hij steeds stijf van de zenuwen. Hoogtepunt en keerpunt vormden de Europese kampioenschappen van 1986 in Stuttgart. De Wit had juist die lange, verschrikkelijke blessureperiode achter de rug. Hij wilde zich zo graag bewijzen. De spanning was groter dan ooit. Zo groot dat hij zijn ontbijt niet eens kon binnen houden. “Waarvoor doe ik het eigenlijk?”, vroeg De Wit zich bij die gelegenheid af. En het was alsof het hem plotseling daagde. “Ik doe het voor de lol, omdat ik het leuk vind. Ik doe het alleen voor mezelf.” Daarna bleek de angst voorgoed geweken. Hij werd negende. Nog altijd is De Wit “wel zenuwachtig” voor een wedstrijd. Maar hij kan er “beter mee omgaan”. “In Split heb ik vorig jaar tussen twee onderdelen zelfs een uur liggen pitten.” De vreugde van de tienkamp zit hem voor De Wit in de afwisseling, de veelzijdigheid. Hij moet er niet aan denken om steeds maar honderd meters te lopen, of hoog te springen. Of elke dag maar weer tegen dezelfde trainer aan te kijken. “Dan zou ik mijn motivatie gauw verliezen. Zo saai.” Tienkampers, zegt De Wit, zijn een apart slag mensen. “Het zijn allemaal vrienden. Een soort broederschap”. Wat ze gemeen hebben is een plezier in bewegen. In al zijn vormen. Het lijf is voor hen “een prachtig gebruiksvoorwerp dat goed onderhouden moet worden”. Ze zullen elkaar niet de loef afsteken, elkaar eerder tot hogere prestaties drijven. Eigenlijk weten alleen tienkampers de prestaties van tienkampers op waarde te schatten, vindt De Wit. De tienkamp mag dan misschien wel de Koningin van de atletiek worden genoemd, de beoefenaren zijn niet meer dan “de arme sloebers” van Hare Majesteit. Financieel en qua aanzien. “Dat kan heel bitter zijn.” De Wit voelt zich miskend. Maar hij zegt dat hij daaraan inmiddels wel gewend is. De eerste keer dat hij Nederlands kampioen werd in de beginjaren tachtig waren zijn verwachtingen nog hoog gespannen. “Ik dacht dat ik het gemaakt had.” Maar toen hij om zich heen keek om de welverdiende lof in ontvangst te nemen, zag hij helemaal niemand. “Alleen mijn ouders waren blij.” Ook later, zegt hij, heeft hij altijd tevergeefs moeten wachten op erkenning. Zelfs toen hij zijn wereldprestaties leverde. Alsof ze niks voorstelden, alsof ze niet waren gezien. “Terwijl je toch een huzarenstukje uitvoert. Wat moet ik nog meer doen om erkend te worden? Moet ik soms op mijn kop gaan staan?” “Niemand kan zonder erkenning”, weet de Wit. “Erkenning zou een extra motivering kunnen zijn om verder te gaan. Die mis je hier in Nederland.” Dus heeft De Wit al jaren geleden besloten: “Ik doe het alleen nog voor mezelf. En van wat ik eruit haal, blijft ook iedereen af.” Op eigen kracht - “ik ben de enige motor achter mezelf” - heeft hij “een ideale situatie” om zich heen geschapen. Hij heeft sponsors gevonden: DAF, Philips, Asics. Hij heeft een uitgebreide staf aan trainers en begeleiders om zich heen verzameld. Een complete sportonderneming. Om in de kost te voorzien leidt de afgestudeerde hts-er natuurkunde ook nog eens een eenmans-softwarefirma. Af en toe lopen die bedrijfjes in elkaar over. De fysiotherapeut en de arts betaalt hij met computerprogrammatuur. De Wit zegt dat hij “nooit eerder zo hard getraind heeft als in het afgelopen winterseizoen”. Hij en Denny Krekel, zijn ploeggenoot van PSV, “hebben echt als beesten gewerkt”. Daarom “zou het extra frustrerend zijn als het dit seizoen niet lukt”. Drie jaar geleden hadden ze hem ook al afgeschreven. Toen heeft het Nederlands Olympisch Comite hem nog even “de duimschroeven aangedraaid” door de limiet voor Seoul van 8000 naar 8050 te verhogen. “Die amateurs.” Een ongewenste prikkel die hem destijds tot zijn beste prestatie heeft verleid. “Laat ze maar denken dat ik ben afgeschreven. Ik voel me het beste in de rol van underdog.”