Team-Huberts wil bij TT sponsors tevreden stellen

ASSEN, 29 JUNI. Wilco Zeelenberg, Hans Spaan en teamleider Jan Huberts zouden het vandaag goed kunnen gebruiken: een overwinning voor Zeelenberg (250 cc) en een overwinning voor Spaan (125 cc). Omdat winnen leuker is dan een eervolle derde of vierde plaats, maar vooral om de sponsors tevreden te stellen. Drie jaar leidt Huberts nu het Sharp-Samson team (waarvan behalve Zeelenberg en Spaan ook Arie Molenaar en Leon van der Heijden deel uitmaken), maar uitgerekend in dit oogstjaar is de schot er een beetje uit: nog geen GP-overwinning waar er vorig jaar zes genoteerd konden worden en veel materiaalpech. In het kamp van zijspan-kanshebber Streuer zijn soortgelijke geluiden te beluisteren. Vorig jaar ging het allemaal veel beter.

De officials van Sharp (goed voor zo'n twee miljoen per jaar, Samson fourneert ongeveer een miljoen) maken vooral omtrekkende bewegingen als hun naar de plannen voor volgend jaar wordt gevraagd. Het moederbedrijf in Japan zal moeten bijspringen, luidt het commentaar. “Wij kunnen het niet meer alleen af.” Of de Japanse tak daar wat voor voelt? “Ik weet het niet,” zegt de Sharp-man in Assen. “Ze hebben laatst wel Wilco in full colour op de omslag van het Sharp Magazine gezet, dus ze vinden het racen wel leuk.” Ook Huberts, de eerste Nederlander die een Grand Prix won (1962, Clermont Ferrand) houdt nog een slag om de arm. Hij heeft nu drie jaar geld in zijn team gestoken en hij wil zo langzamerhand wel eens wat terug zien van zijn investeringen. De sponsors zullen over de brug moeten komen, want de racerij wordt steeds duurder en de eisen van de coureurs hoger. Huberts wil volgend jaar een miljoen sponsorgeld meer. De geprepareerde 125 cc produktieracer van Spaan komt op meer dan een ton en de fabrieksracer waar Zeelenberg op rijdt is niet eens te koop. Voor zes ton per jaar mag het team hem huren van de Hondafabriek. Huberts is behalve teamleider ook manager en organisator. Hij praat de machines bij de Japanners los, onderhandelt met de sponsors en coacht zijn pupillen. Het sponsorgeld is goed besteed, vindt Huberts. “De tabaksfirma's kunnen alleen nog maar in de paardesport en de racerij terecht. Maar dan hebben ze met een betrekkelijk gering bedrag een wereldwijd bereik - veel meer bereik dan de sponsor van een voetbal- of wielrennersploeg. Tenzij die natuurlijk op wereldniveau draait, maar dat is maar voor een paar ploegen weggelegd. Bovendien is het een bewegende reclame en dat werkt veel beter dan borden, want daar geloof ik helemaal niet in.” Zeelenberg legt zich ook nog niet vast. Of hij volgend jaar weer een fabrieksracer kan krijgen is nog een open vraag. Zo niet, dan moet er maar eens met Suzuki worden gepraat. Dat bedrijf heeft wel belangstelling voor de jonge Bleiswijker. Vierentwintig is de nummer vier van het WK-klassement in de 250 cc klasse en daarvan zit hij al twintig jaar op de motor. Toen hij nog een kleuter was deed Zeelenberg al mee aan crosswedstrijden. Dat is tegenwoordig een voorwaarde voor succes, beaamt zijn teamleider. “Een jongen die jaren heeft gecrosst heeft goed het gevoel op twee wielen. Dan zet je hem met zeventien, achttien jaar op een wegracemotorfiets en dan is hij iedere nieuwkomer ver de baas. Plus dat in het crossen een sterke wedstrijdmentaliteit wordt gekweekt: vechten voor elke plaats. Dat wordt er al heel jong in geprent. “Geef gas!” schreeuwen al die ouders langs het circuit.” Die opvoeding is Zeelenberg niet aan te zien. Hij zit er na de trainingen ontspannen bij in de hospitality-unit van zijn sponsor. Zoals een aantal sigarettenfirma's heeft ook het Sharp Samson team een luxe bus met aangebouwde voortent op het middenterrein neergezet. De sponsors en andere genodigden nemen er een hapje en een drankje tot zich. Voornaamste gespreksonderwerp: het weer en of het beter wordt. Zeelenberg heeft in ieder geval de nieuwe regenbanden van Dunlop kunnen testen en hoewel ze hem niet zo goed bevallen als de Michelins waar hij vroeger op reed, is hij niet ontevreden. “Ik ben geen speciale liefhebber van rijden in de regen, maar ik schrik er ook niet voor terug. Het komt in de regen meer op sturen aan en minder op vermogen, dus de verschillen worden kleiner.” Ruim 700 kilometer heeft Zeelenberg er al in Assen op zitten, want behalve de gewone trainingen van donderdag en gisteren heeft hij voor die tijd ook een aantal vrije trainingen benut. Behalve de banden waren er problemen met een tekort schietende voorrem. Montage van een nieuwe hoofdremcilinder bracht soelaas, maar nu vertoonde de voorrem de neiging te blokkeren. Dan was er ook iets met de acceleratie. In het begin van elke race kwam de Honda van Zeelenberg vermogen tekort, en pas in de tweede helft van de race vorderde kwamen de verloren gewaande pk's weer tot leven. Ook dit probleem lijkt opgelost. Het zijn de ergernissen waar een coureur maar moeilijk mee kan leven. Als er voortdurend tegen de grens van het mogelijke wordt gereden is ook het beste materiaal niet goed genoeg. In het zoeken naar de laatste pk's is de verstandhouding tussen coureur en monteurs van cruciaal belang. “Een motorrijder moet aan zijn monteur duidelijk kunnen maken wat er aan de motor mankeert,” zegt Huberts. “Of er iets met de vering mis is, of er in het middenbereik wat vermogen weg is, of juist aan de top. John Surtees is een prachtig voorbeeld van een coureur die dat heel goed kon. Hij was de enige motorcoureur die na zijn overstap naar de Formule 1 meteen ook daar wereldkampioen werd. Waarom? Omdat hij een feilloos gevoel voor techniek had en zijn monteurs precies kon vertellen waar ze het moesten zoeken.” Ook Hans Spaan (32) heeft de kunst van het motoronderhoud in zijn vingers. Zijn leerschool was het opvoeren van brommers en hij debuteerde in 1980 in de 50 cc klasse. Later ging hij over op 80 en 125 cc. “Ik ben een van de weinigen die nog zelf sleutelen”. Maar heeft hij, zoals sommige critici beweren, zijn motoren niet teveel gemarteld op de proefbank, en zou dat niet de reden van het tegenvallende seizoen kunnen zijn - Spaan staat achtste in zijn 125 cc klasse en heeft nog geen Grand Prix gewonnen, terwijl hij er vorig jaar vijf won? “Nee”, zegt Spaan en zijn staalblauwe ogen verstrakken. “Het is juist omgekeerd. Pas toen ik de motor onder handen had genomen kwam het vermogen weer terug. Het is vooral domme pech geweest dat ik zo'n matig seizoen rijd. Carters die zomaar scheurden, cilinders waar een stuk afbrak.” Maar vandaag hebben Spaan en Zeelenberg goede hoop. Voor eigen publiek rijden stimuleert wel, vinden ze. Horen ze de toejuichingen dan? “Eigenlijk niet” geeft Zeelenberg toe. “Je hebt wel iets anders aan je hoofd.”