Te weinig asielbetoon

Een ouderwets woord: dienstbetoon. Minister Andriessen heeft het gebruikt in een vraaggesprek waarover hij donderdagavond, vlak voor de zomervakantie van de Tweede Kamer op het matje werd geroepen. Hij had een verband gelegd tussen het ontbreken van dienstbetoon, de hoogte van het minimumloon en het lot van asielzoekers in Nederland. Drie taboes in een alinea, dat maakte hem een ideaal object van verontwaardiging en verbroedering op de laatste avond van een overigens wat verregend Kamerseizoen.

Andriessen zat er mee. Hij was in april al door de minister-president faliekant op zijn nummer gezet toen hij het einde van het huidige minimumloon had afgekondigd. Dat had zo niet gezegd mogen worden volgens de baas. De minister van economische zaken wilde deze week geen tweede Tante Truus-affaire, al heeft oud-minister Ruding zich met zijn observatie over steunfraudeurs sinds 1984 heel wat populariteit buiten het parlement verworven. Wie een taboe aansnijdt heeft niet automatisch gelijk, maar ook niet altijd ongelijk. De minister die er drie behandelt en ze dan ook nog met elkaar in verband brengt, kan rekenen op moeilijkheden. De beroeps-Tweede Kamer van 1991 zit nu eenmaal zo in elkaar dat pavlovreacties de voorkeur genieten boven de bespreking van werkelijke problemen. Het debatje op de laatste vergaderdag over de voortgezette koppeling van lonen en uitkeringen was er een sprekend voorbeeld van. Een onverdachte insider zei me een paar weken geleden: “In feite is er al ontkoppeld. De vraag is alleen wanneer we gaan zeggen dat het zo is.” De Kamer was donderdag ook balorig na weken het gepunnik van de eigen deskundigen inzake volksopvoeding en volksgezondheid te hebben doorstaan zonder dat de meerderheid van niet-specialisten de kracht vond te zeggen dat weinig Nederlanders behoefte hebben aan tien jaar basiseenheidspap op school en een superingewikkeld ziekenfonds voor iedereen. En zonder serieus op de waarschuwingen van politiecommissaris Northolt te hebben gereageerd. En dan werpt een minister zo'n kluif in de zaal. Het blad Management Team publiceerde deze verzuchting van Andriessen: “Hoe ouder ik word, des te minder dienstbetoon is er. Het is eigenlijk te gek voor woorden dat er maar een conducteur per trein is. Vroeger kon je het perron niet eens op zonder kaartje en had je een kruier voor je bagage. Ik zeg helemaal niet dat ik die kruier per se terug wil, maar het peil van dienstbetoon is in ons land wel tot een uiterste minimum uitgekleed door de hoogte van de minimulonen. Neem de asielzoekers. Prima dat zij hier zijn, maar je kunt toch niet echt van hen verlangen dat ze allemaal doorstromen naar het hoger onderwijs. Zij zijn in feite alleen maar tot de meest eenvoudige dingen in staat. Moet je ze dan met het minimumloon belonen? In het buitenland denkt men daar in ieder geval heel anders over. Maar ja, hier in Nederland is dat minimumloon nu eenmaal een heilig huisje.” De Kamer sprong er bovenop. Mevrouw Groenman (D66) interpelleerde verontrust. Zij wees op de capaciteiten van vermaarde asielzoekers als Spinoza, Einstein en Gabor (staatssecretaris van landbouw). Het gelegde verband met de hoogte van het minimumloon was “onzuiver en vervalsend”. Andriessen kreeg alleen steun van de parlementaire paria Janmaat. De overige woordvoerders betreurden zijn “slippertje” (VVD), “denigrerende woorden” (PvdA) of discrimineerden hem op leeftijd: “Opa doet zijn best, de minister slaat de plank mis” (Groen Links). Ook zijn eigen CDA deed geen poging iets zinnigs te zien in 's ministers woorden. Op zijn departement wordt er op gewezen dat het vraaggesprek geruime tijd geleden werd gevoerd en dat men sindsdien had getracht in de tekst nuanceringen aan te brengen waarvan een groot aantal niet was opgenomen. Vandaar dat de minister in de Kamer onderscheid maakte tussen de bewindsman in dat stuk en zichzelf. “In het midden latend hoe het komt, of ik verkeerd begrepen ben of een slechte dag had, ik herken die hele man niet. Misschien is er wel iets dat ik zo heb gezegd, maar dan in een ander verband.” Hij had juist bedoeld aandacht te vragen voor de problemen die laag opgeleide buitenlanders hier wachten. “Elk mens heeft zijn trauma's. Voor mij is dat werkloosheid. Die heb ik zelf korte tijd ondervonden, in andere omstandigheden, maar de ervaring blijft, je hoort er niet bij.” En: “Ik kan als econoom niet nalaten te kijken naar de prijs van arbeid.” De Kamer wilde geen 'filosofieen' van de minister over minimumloon of asielzoekers horen. Hij moest over de knie en bekennen. Toen sprak hij letterlijk: “Voorzitter. Ik zou nog eens een keer willen herhalen dat geen mens in mij iets kan vinden van ...integendeel, he, iets kan vinden van, van dat is een andere groep...die moet je, nee, dat is een groep waar je met groot mededogen naar moet kijken. Je verlaat je land niet voor niets. En als ze eenmaal dus toegelaten zijn, ik noem het maar weer even kort door de bocht 'toegelaten asielzoekers', ik kan het ook anders noemen, als ze de erkende status hebben gekregen, dan zijn dat mensen die in onze maatschappij gentegreerd moeten worden. En dat is moelijk, heel moeilijk. Dan zeg ik: de combinatie van diegenen - en dat zijn er ... weet ik niet hoe groot die aantallen zijn, ik weet alleen dat het om grote aantallen zullen gaan - die een combinatie zullen krijgen van en werkloosheid en van de moeilijkheden bij de integratie, dat vind ik een vreselijke combinatie.” Einde citaat. Het is wat onbarmhartig om letterlijk op te schrijven wat iemand zegt, maar deze strofe illustreert tot welke verbale zwerftocht een anders coherente minister zich gedwongen kan voelen als de Kamer bloed ruikt. Nog was de meute niet tevreden. Zonder 'excuses' te maken, slikte de prooi tenslotte zijn woorden in. Een motie die zijn uitspraken 'verwerpelijk' noemde, werd ingetrokken. Zoals Andriessens uitspraken stonden geciteerd waren zij nauwelijks logisch. De kans is dus groot dat hij heeft bedoeld wat hij in de Kamer zei. Blijft dat asielzoekers niet het zelfde zijn als allochtonen. En dat niet alle nieuwe inwoners van dit land minbegaafd zijn, al hebben zij niet allemaal het diploma basisvorming op zak. Maar is het niet waar dat er een logisch verband bestaat tussen de hoogte van arbeidskosten en de vraag naar arbeid? En is het niet zo dat kaas in dit land schuin wordt afgesneden, als je een plat stuk vraagt, omdat dat makkelijk is voor de winkel? Heeft het ontbreken van praktische hulp bij van alles en nog wat (dienstbetoon) niet ook te maken met het uitstoten van arbeidskrachten? Dit is niet voor niets het land met het grootste aantal automaten per hoofd van de bevolking. En de grootste behoefte aan aardig doen tegen vergeten groepen. Andriessen miskent de sociologie van de zieligheid. Hij moet de volgende keer wat meer asielbetoon in zijn woorden doen.