SIMON SCHAMA'S FLIRT MET FICTIEVE GESCHIEDSCHRIJVING

Dodelijke zekerheden (ongegronde speculaties) door Simon Schama 251 blz., gell., Contact 1991, vertaling A. J. van Braam (Dead Certainties; Unwarranted Speculations, Knopf 1991), f 34,90 ISBN 90 254 6923 X

Een negentiende-eeuwse moordzaak vormt het hoofdbestanddeel van Dead Certainties (Unwarranted Speculations), het laatste boek van de Harvard-professor Simon Schama, de gevierde auteur van Patriots and Liberators, The Embarrassment of Riches en Citizens. Het boek, dat zojuist in vertaling verscheen als Dodelijke zekerheden, bestaat uit twee gedeelten, getiteld 'The many deaths of General Wolfe' en 'Death of a Harvard man'. Ze gaan respectievelijk over de dood van de Engelse generaal James Wolfe tijdens de slag bij Quebec in 1759, en over de moord op dokter George Parkman in Boston in 1850. Behalve de dood lijken de onderwerpen op het eerste gezicht weinig gemeen te hebben, en dat is ook zo. De voornaamste verbindende schakel wordt gevormd door de familie Parkman, die in het negentiende-eeuwse Boston tot de betere kringen behoorde. Maar erg sterk is de connectie niet, want in geen van beide delen spelen de Parkmans de hoofdrol. De centrale figuur in het eerste deel is generaal James Wolfe, wiens op zichzelf weinig heldhaftige dood naderhand mythische proporties kreeg dankzij het befaamde schilderij dat Benjamin West er in 1770 aan wijdde. (Het boek bevat een uitklapbare reproduktie in kleur.) Francis Parkman komt ter sprake als de historicus die de mythe ondersteunde: in diens groots en meeslepend epos over de koloniale strijd tussen Frankrijk en Engeland in de jaren 1756-1763, France and England in North America, waarin de slag om Quebec de climax vormde, is Wolfe de held. Schama vertelt dat Parkman eigenlijk advocaat had moeten worden, maar daarvan afzag omdat hij gefascineerd raakte door de Amerikaanse geschiedenis van voor de revolutie. Tijdens zijn onderzoek naar de antecedenten van Francis Parkman stuitte Schama op materiaal over de moord op diens oom George Parkman. In oorsprong is het tweede verhaal dus een bijprodukt van het eerste, maar het werd uiteindelijk drie keer zo lang. Schama had dan ook de beschikking over een schat aan documenten: procesverslagen, particuliere aantekeningen, brieven, dagboeken, zelfs een bekentenis. George, de Parkman in deel twee, studeerde medicijnen en raakte in Parijs tijdens zijn 'grand tour' in de jaren 1811-1813 onder de indruk van Philippe Pinel, de arts van Bicetre en Salpetriere, die pleitte voor een humane behandeling van krankzinnigen. Terug in Amerika was hij van plan om een inrichting te beginnen waarin krankzinnigen volgens de principes van Pinel zouden worden behandeld, maar het plan ketste af op de financien.

GROUCHO MARX

Niet bekend

INGEWANDEN

Na dagen van hakken in muren en luisteren in kruipruimten vond hij ten slotte wat hij zocht. In een oven in de kelder van Medical College lagen beenderen in de as. Aan sommige hingen nog flarden van ingewanden. Er werd ook een kaakbeen gevonden, compleet met half gesmolten tanden. In een verdacht stinkende theekist trof men vervolgens een romp zonder hoofd, met een zwaar behaarde rug. In de romp vond men nog een long, een nier en de milt, en er was ook een heup in geschoven. In de tors was flink gehakt en gezaagd. Het proces tegen Webster kreeg historische betekenis, niet alleen omdat het een professor betrof, maar ook door de aard van de bewijsvoering. Het wordt beschouwd als de bakermat van de forensische antropologie. Voor het eerst werkte een 'multidisciplinair' team van experts samen bij het identificeren van een stoffelijk overschot. De openbare aanklager moest natuurlijk bewijzen dat de gevonden beenderen en organen restanten van het lichaam van Parkman waren, en hij riep daarom de hulp in van ontleedkundigen, artsen en tandartsen - veelal collega's van slachtoffer en verdachte. De experts verklaarden, onder overweldigende publieke belangstelling, dat het gevonden skelet (dat zo goed mogelijk was gereconstrueerd) had toebehoord aan iemand met de leeftijd, het postuur en de beharing van George Parkman. Diens tandarts identificeerde huilend het half gesmolten kunstgebit. John Webster werd schuldig bevonden en in augustus 1850 werd hij als eerste Harvard-professor opgehangen. (Dit ondanks het pleidooi van zijn advocaat, die tijdens de rechtzitting toegaf dat zijn client het waarschijnlijk wel gedaan had, maar niet met voorbedachten rade.) Het onderwerp van 'Death of a Harvard man' is niet alledaags, al is het geenszins het eerste relaas over een moordende professor (aanbevelenswaardig in dit verband is Missing Beauty van Teresa Carpenter, over de avonturen van professor William Douglas van Tufts University). Maar het opmerkelijkste van Schama's boek is de vorm. Het zijn niet de dood en de familie Parkman die de rode draad vormen tussen de twee gedeelten van Dead Certainties, maar Schama's 'unwarranted speculations', de kunsten die hij uithaalt bij het beschrijven van het verleden. In beide delen wordt gespeeld met wat hij noemt 'the teasing gap' tussen de gebeurtenis en de manier waarop die naderhand wordt weergegeven. Hoewel dit boek soms net conventionele geschiedenis lijkt, gaat het volgens Schama om 'historical novellas'. In beide gedeelten worden de bronnen weliswaar nauwkeurig gevolgd, maar toch is het fictie, geen wetenschap, zegt hij in zijn nawoord. Het is ''work of the imagination that chronicles historical events''.

VOCHTIGE HITTE

'Death of a Harvard man' begint met een brief aan de gouverneur van Massachusetts waarin in ondubbelzinnige termen wordt gepleit om Webster niet op te hangen. Schama vertelt vervolgens dat de gouverneur 'vermoeid zuchtte' en de brief op 'de groeiende stapel op zijn mahoniehouten bureau wierp'. Even later 'wrijft de gouverneur over z'n neus' en haalt hij 'een hand door z'n rossige haar'. ''De vochtige hitte van de Bostonse zomer toverde zweetdruppels op zijn voorhoofd en wangen en de druppels liepen in kleine riviertjes langs zijn gladgeschoren kin de zwarte strik die om zijn nek was geknoopt in.'' Bovendien aarzelt Schama niet de lezer te informeren over de diepste gedachten van gouverneur (''Maar wat was de waarheid omtrent George Parkman en John White Webster? Hoezeer hij de strikte procedures van de procesgang ook respecteerde, hij was zelf te veel advocaat (of misschien te veel smidszoon) om zich te verbeelden dat die het volledige verhaal aan het licht brachten.'') Op soortgelijke wijze volgt Schama de handelingen en gedachten van andere de hoofdrolspelers: Parkman, de concierge die Webster verlinkte en de professor zelf. Monologue interieur, dialoog, brieven en verhalend proza in de derde persoon wisselen elkaar voortdurend af. Omtrent de redenen voor deze vorm van ongegronde speculatie zijn de eerste aanwijzingen te vinden in 'The many deaths of general Wolfe', waarin Schama met onverholen sympathie uitpakt over de lyrische geschiedschrijving van Francis Parkman. Hij betoogt dat Parkman die lyriek combineerde met grondig onderzoek (''there remained in him enough of his Puritan labour and ordeal''). Hij verzamelde bergen archiefmateriaal en in zijn naeve streven naar authenticiteit bezocht hij zelfs de plaatsen waar zijn geschiedenis zich afspeelde. Ondanks die grondige documentatie was het door Parkman opgeroepen beeld uiterst subjectief. Schama laat zien dat Parkmans generaal Wolfe nogal verschilt van de historische generaal Wolfe en vooral gelijkenis vertoont met Parkman zelf: ''Hij werd Wolfe en Wolfe herleefde in hem: in zijn doorzettingsvermogen en vastberadenheid; de kwellingen van zijn lichaam; de prikkelbaarheid van zijn geest; de nerveuze gedrevenheid van zijn energie - dat alles vloeide heen en weer van onderwerp naar historicus.'' Schama heeft geprobeerd dezelfde intensiteit te bereiken, maar uiteraard zonder Parkmans naviteit. De achtergrond van dit alles is dat Schama zich in dit boek wilde bevrijden van de kluisters van de traditionele geschiedvorsing. Sinds de dagen van Parkman, zegt Schama, ''history stopped telling stories and aspired to science. Romanticism was elbowed aside by positivism: the certainty of an ultimately verifiable truth''. En het is waar: analytische geschiedschrijving heeft de verhalende goeddeels verdrongen. Toch zijn er over de mate waarin men met analytische methoden 'objectieve kennis' van het verleden kan verwerven tegenwoordig steeds minder illusies. Ook in het meest zorgvuldige, op archieven gebaseerde wetenschappelijke werk speelt het inventieve vermogen van de auteur een rol: selectie, interpretatie en beoordeling komen er altijd aan te pas. Het zijn de middelen die de historicus gebruikt om een beeld te scheppen van het verleden. Elk beeld is noodzakelijkerwijs subjectief, maar de meeste historici kunnen daar wel mee leven, omdat die subjectiviteit in toom wordt gehouden door bepaalde conventies, waarvan het gebruik van een notenapparaat het meest in het oog springend is.

POSTMODERNE SCEPSIS

Die conventies zorgen aan de ene kant voor verifieerbaarheid, maar ze beperken tevens de mogelijkheden om beeldend te schrijven. Daarom heeft Schama zich er met opzet niet aan gehouden. Niet uit postmodern scepticisme (het is tegenwoordig mode om te beweren dat historici het verleden verzinnen, net als een romanschrijver), maar uit onvrede met het vlakke, gespecialiseerde en droogkloterige dat de wetenschappelijke geschiedschrijving kenmerkt. De verhoging van de subjectiviteit neemt hij maar voor lief, die is toch onontkoombaar: ''Historical knowledge must always be fatally circumscribed by the character and prejudices of its narrator.'' De consequenties die Schama aan dat standpunt verbindt zijn tamelijk opmerkelijk, althans voor een professor aan de universiteit van Harvard. Helemaal als een donderslag bij heldere hemel komt Schama's flirt met fictie niet: in zijn voorgaande boeken was zijn inventieve vermogen al nadrukkelijk aanwezig. The Embarrassment of Riches (Overvloed en onbehagen) was nog wel voorzien van noten, maar, zoals een criticus schreef, het was een 'triomf van vindingrijkheid over bewijsmateriaal'. Citizens, zijn kroniek van de Franse revolutie, was al meer 'story' dan 'history'. Maar in Dead Certainties heeft hij zijn inventiviteit ten slotte openlijk de vrije teugel gelaten. Zijn stijl, in zijn eerdere werk gekenmerkt door een opeenstapeling van over elkaar heen buitelende zinnen, is er wat minder nerveus van geworden: hij heeft zijn literaire neigingen genuanceerder kunnen uitleven. Hij is er zelfs toe overgegaan om gedeelten van zijn verhaal te verzinnen. Het ooggetuigeverslag van de slag om Quebec waarmee het boek opent, is bijvoorbeeld geheel gefingeerd. Schama schrijft dat beide verhalen in zijn boek eindigen met verklaringen die op gespannen voet met elkaar staan, en dat alternatieve lezingen van de gebeurtenissen om geloofwaardigheid strijden, zodat historici gedoemd zijn om eeuwig schimmen na te jagen, ''flickering glimpses of dead worlds''. Hier overdrijft hij natuurlijk schromelijk. Het verleden is ongrijpbaar, dat zal niemand bestrijden, en uiteraard is de dood van Wolfe en Parkman nooit volledig te reconstrueren, maar dat wil niet zeggen dat elke versie even plausibel is. Maar Schama moet wel overdrijven, want de ongrijpbaarheid van het verleden is zijn alibi om drastische consequenties te trekken. Hij heeft in dit boek getracht het verleden zo dicht mogelijk te benaderen door verschillende invalshoeken naast elkaar te laten bestaan. Hij wekt daardoor de schijn dat hij de ordening achteraf door de historicus vermijdt, maar in feite projecteert hij die ordening nu op de verschillende hoofdpersonen. Daardoor kan hij zich wat meer tegenstrijdigheden veroorloven, maar of hij op die manier de 'werkelijkheid' van het verleden dichter benadert dan met conventionele technieken is de vraag. Hoewel hij de techniek van de historische roman gebruikt, zijn 'The many deaths of general Wolfe' en 'Death of a Harvard man' toch geen historische novellen. Daarvoor is het spel van de historicus met het bronnenmateriaal te zeer onderdeel van de inhoud. Schama is geen Sir Walter Scott. Hij is meer een goochelaar die aan het einde van de voorstelling verraadt hoe zijn trucs werken. Hij is wel een kunstenaar die zijn vak erg goed verstaat. Dead Certainties is een knap geconstrueerd boek, hier en daar wat al te virtuoos, maar voor wie bereid is de epistemologische haken en ogen te negeren blijft een boeiend verhaal over. Voor Schama's doen is het uiterst dun en gecomprimeerd, maar de liefhebbers van het wijdlopige genre kunnen vast uitzien naar zijn volgende boek, dat naar verluidt zal gaan over landschap en geheugen.