RUSSISCHE INTELLIGENTSIA ANALYSEERT HAAR EIGEN NEUROSEN

Vechi. Wegzeichen. Zur Krise der russischen Intelligenz. Essays von Nikolaj Berdjaev, Sergej Bulgakov, Michail Gersjenzon, Aleksandr Izgoev, Bogdan Kistjakovski, Petr Struve und Semen Frank Vertaald en ingeleid door Karl Schlogel 346 blz., Eichborn Verlag 1990, f 50,60 ISBN 3 8218 4067 6

De Russische intelligentsia wordt van oudsher verteerd door schuldgevoel en verscheurd door ambivalentie. Russische denkers hebben zich altijd ver boven het volk verheven gevoeld, maar hunkeren er ook naar het te redden. Als helden met een missie, als Robin Hoods met een ransel vol antwoorden voor de slachtoffers, zo hebben ze zich daarom doorgaans gedragen. Maar hun filosofie heeft niets met wijsbegeerte te maken noch met de samenleving waarin ze leven. Hun gedachten belichamen bovenal hun eigen tijdloze politieke onvrede. 'Voor alle troep en chaos in het persoonlijke en maatschappelijke leven wordt daarom de autocratie verantwoordelijk gesteld en nooit het individu', aldus Michail Gersjenzon. Nee, dit is geen tekst van een sceptische Sovjet-intellectueel die geen vertrouwen heeft in de democratische beweging die het land nu in een nacht op zijn kop tracht te zetten. Het is evenmin de opvatting van een postmoderne Moskoviet die zijn bekomst heeft van de politiek en voortaan slechts pinacolada op een terrasje wil drinken. Het is de visie van een groep dertigers die ruim tachtig jaar geleden reeds ontnuchterd afstand nam van de linkse beweging. Vechi, of wel 'bakens', was de titel die de zeven (Nikolaj Berdjaev, Sergej Bulgakov, Aleksander Izgojev, Bogdan Kistjakovksij, Petr Struve, Semen Frank en Michail Gersjenzon) zichzelf in 1909 meegaven. Vijf jaar na het fiasco van de anti-tsaristische revolte van 1905 analyseerden ze in een bundel essays niet alleen de onvermijdelijke judas-rol die de Russische intelligentsia moest spelen in een land zonder burgerlijke middenklasse, maar legden ze ook de wortels van het komende totalitarisme bloot. Een decennium later kwamen hun voorspellingen uit. Behalve Gersjenzon stierven alle auteurs in ballingschap. Voor hen was in het Rusland na 1917 geen plaats meer. Hun werk verdween in de kelders van de bibliotheken waar alleen de elite het nog kon raadplegen. Daar zijn ze de afgelopen tijd weer opgedoken. Onlangs zijn hun opstellen zelfs in het Duits opnieuw uitgegeven in de reeks 'Die Andere Bibliothek' die onder redactie staat van Hans Magnus Enzenberger. In de Sovjet-Unie is de groep sinds een paar jaar weer terug op het toneel. Vooral Nikolaj Berdjaev is thans erg populair. Zijn vorig jaar heruitgegeven studie Samopoznanje ('Zelfkennis') is een soort bijbeltje geworden voor Russen die willen weten waarom het communisme juist in hun land zo lang stand heeft kunnen houden.

'AHA'

Maar de bijdragen aan Vechi van zijn zes collega's uit 1909 zijn niet minder actueel. Erger nog: het is een nogal verbijsterende ervaring ze te lezen. De gevolgen van het Russische 'laboratorium van het modernisme', zoals inleider Karl Schlogel het ooit heeft genoemd, hebben zij twee en-tachtig jaar geleden al ruw geschetst. Op elke bladzijde kan de lezer wel even 'aha' mompelen. De bundel kan zelfs gelezen worden als een onthullende en afdoende prenatale recensie op al dat zelfonderzoek dat ons nu al tien jaar vanuit de kleine kring Nederlandse ex-linksen bereikt. Natuurlijk, in elk belangrijk boek gaat zoveel continuteit schuil dat het ook voor volgende generaties herkenbaar blijft. Zeker, de eigentijdse lezer heeft altijd de neiging om er vooral uit te pikken wat hij met zijn eigentijdse referentiekader kan bevatten. Maar wat de auteurs van de Vechi-groep indertijd te berde brachten, is teveel van het goede. Is er dan helemaal niets veranderd in Rusland? De zeven voelden zich rond de eeuwwisseling allemaal meer of minder verbonden met de democratische beweging. Ze waren 'links'. Allen waren derhalve hevig teleurgesteld door het verzanden van de revolutie van 1905. Maar ze waren ook Russisch en wensten zich daarom niet te laten vangen door de volgens hen kunstmatig in het leven geroepen tegenstelling tussen de 'slavofielen' en de 'westerlingen'. In een woord: de Vechi-groep wilde 'burgerlijk' zijn. In 1909 ging het ze daarom om deze eigentijdse vragen: waarom waren de Russische intellectuelen van de late negentiende eeuw zulke onbetrouwbare bondgenoten, waarom had de revolutie van 1905 tegen het tsarisme niets opgeleverd en waarom zag de intelligentsia niet dat het Russische volk daardoor 'apathisch en gedesorienteerd' was geraakt en dat dus elke revolutionaire politiek op een drama moest uidraaien? Hun antwoord, hoe onderling verschillend zij ook dachten, was kort: omdat hun filosofische uitgangspunten niet meer zijn geweest dan Verlichting van de koude grond. Aleksander Herzen (1812-1870) was de eerste geweest die het Westerse denken op Russische bodem dacht te kunnen planten. Naarmate de tijd verstreek, dwaalde de geesteshouding van zijn navolgers steeds verder af van de Russische werkelijkheid zoals die bijvoorbeeld is beschreven in de grote negentiende-eeuwse literatuur. Wat meer is: de intelligentsia zette zich daar juist met verve tegen af. Want de kunst, of het nu die van Dostojevksi of Tolstoj was, dan wel die van Tsaadajev en Toergenjev, had geen antwoord op hun schuldgevoel jegens het geknechte volk maar schetste een realiteit die te weerbarstig voor hen was. De Russische intelligentsia van het fin-de-siecle wilde slechts daden stellen en zich vermeiden in een andere, een betere wereld: in de utopie die hier en nu gerealiseerd kon worden. Daarom ook werd 'de staat' overal verantwoordelijk voor gesteld, zonder dat men zich afvroeg hoe het komt dat de staat is zoals die is. De Verlichting leek immers geleerd te hebben dat het volk zelf niets euvel is te duiden. De mens is goed, zo hadden ze in Rousseau gelezen. Dat de Russische samenleving een moeras is, concludeerden ze, lag aan de omstandigheden. Dus moesten zij, intellectuelen, het volk leiden naar betere omstandigheden. Baron von Munchhausen in de praktijk, aldus Sergej Bulgakov in zijn snedige opstel in de bundel.

REGENMAKER

Het gevolg van deze hardnekkig volgehouden vicieuze redenering was dat de intelligentsia in Rusland er steeds volstrekt utilitaristische denkbeelden op heeft nagehouden. Gedachten en ideeeen werden alleen serieus genomen als ze de samenleving dichter bij het 'rechtvaardige' einddoel leken te brengen. De revolutie, welke dan ook, was de 'hoogste wet'. De intellectuelen speelden bij dat alles de rol van de regenmaker of medicijnman. Ze leven bij de gratie van het 'strategie-debat'. 'De liefde voor de gelijkmakende rechtvaardigheid, voor het wel en wee van maatschappij en volk, heeft de liefde voor de waarheid verlamd en het belang van de waarheid bijna vernietigd', aldus Berdjaev. Het was 'valse liefde', voegde hij er aan toe. Dat wil zeggen: ontspoord marxisme. 'In Rusland is van de filosofie van het economisch materialisme,' meende Berdjaev zelf met lichte spijt, 'niets anders overgebleven dan de mystiek van het proletariaat'. 'Klassensubjectivisme', luidde zijn fraai historisch-materialistische diagnose. Lenin zou dat toch begrepen moeten hebben. Maar nee. Waarom niet? Omdat niet alleen Lenin maar de hele intelligentsia, die begin van deze eeuw de revoluties predikte, historisch en psychologisch gemankeerd was. De oorsprong van dit 'psychiatrische tekort' ging volgens Vechi ver terug. Er zijn sporen in de Russische traditie en er zijn meer algemeen historische oorzaken voor aan te wijzen. Om met het eerste te beginnen: sinds de revolutie-van-boven die Peter de Grote in het begin van de zeventiende eeuw ontketende, stond de intelligentsia in Rusland op een voetstuk. Tegelijkertijd worstelde ze, zo betoogden de Vechi-auteurs, met haar ambivalente houding jegens de wereldlijke macht van de staat. Die werd immers gedomineerd door een aristocratie die haar als wandversiering beschouwde. Toergenjev heeft dat ooit eens op dodelijke wijze in de mond van een landheer gelegd die een vriend enthousiast inviteert met de mededeling: 'Bij ons gaat het er rustig aan toe. De gouverneur is melancholisch. De adelborst is vrijgezel. En overigens, morgen hebben we na onze vergadering een groot bal. Ik raad u aan te komen. Aan mooie dames geen gebrek. En u kunt dan ook onze verzamelde intelligentsia zien.'

PLATONISCH

In zeker zin had de Russische intelligentsia in die dubbelzinnige positie jegens de staat een platonische opvatting over zichzelf omarmd die ze nooit meer heeft afgelegd. Ze dichtte zichzelf een politieke taak toe op grond van een groot en verheven Idee. Daarom voelde ze zich, volgens Petr Struve, vijandig tegenover de staat, zij het niet vanuit ongrijpbare geestelijke of religieuze waarden, maar omwille van de banale staat zelf. Daarmee was volgens de auteurs van Vechi de verhouding tussen doel en middel om de hoek komen kijken. De Russische intelligentsia negeerde dat vraagstuk. Ze kon dat ook onbeschroomd doen, niet zozeer uit gebrek aan ethiek maar uit neurose. 'Wij zijn geen mensen. Wij zijn kreupel omdat onze persoonlijkheid gespleten is,' aldus de diagnose van Michail Gersjenzon. Met andere woorden: de verhouding tussen de hoge theorie en de dagelijkse praktijk was zoek, juist omdat de intelligentsia nimmer een normaal 'klein-burgerlijk' leven had kunnen leiden, zoals in West-Europa wel het geval was. In het negentiende-eeuwse Rusland was de intelligentsia volgens Sergej Bulgakov alleen met papier in de weer geweest en nooit met gewone produktieve arbeid. De progressieve intellectuelen deden rond de eeuwwisseling alsof ze dat menselijk tekort wilden lijmen door een concreet maatschappelijk doel te omarmen. 'De straat op, schamen jullie je niet dat jullie thuis blijven hokken,' dat was de leuze die hen van hun schuldgevoel moest verlossen. 'Thuis is het een rotzooi, armoede en chaos. Maar dat interesseert deze huisvader niet. Hij vertoeft in de openbaarheid, hij redt het volk, dat is makkelijker en interessanter dan je huis opruimen,' aldus Gersjenzon. De beloning van het 'grote denken' leek aanzienlijk: heldendom lag in het verschiet. 'De herosche intellectueel is niet tevreden met een bescheiden arbeidzame rol. Hij droomt ervan de mensheid te redden, althans het Russische volk'. Alleen 'maximalisme' was daarom gepast. Met dank aan de politie en de geheime dienst die hem in dat gevoel sterkt door op hem te blijven jagen als ware hij een gevaarlijke dissident, noteerde Sergej Bulgakov. Want een held kan zich alleen als held presenteren als hij lijdt, offers brengt of zelfs zijn gezondheid er aan moet geven. En dat alles in dienst van het volk, dat zonder het zelf te beseffen slachtoffer is en gered dient te worden. De held en het slachtoffer verhielden zich aldus in een symbiotische relatie tot elkaar. De eerste 'redt'; de tweede kan per definitie geen dader zijn. Volgens de ontnuchterende analyse van de Vechi-groep kon het resultaat van die grootheidswaan slechts 'nihilisme' zijn. En dat zou zich uiteindelijk tegen het ondankbare volk keren omdat, zo schreef Semen Frank, de enige ethische waarde van de intelligentsia het 'welzijn van het volk' was. Kortom, de Russische politieke denkers annex activisten hadden zichzelf gehuld in 'hubris', de hoogmoed van de mens die God ontkent omdat hij zichzelf God waant. Later zouden we dat in theorie 'leninisme' gaan noemen en 'stalinisme' dan wel 'Nationaal-socialisme' in de praktijk. Maar in 1909 tierde het misverstand dat de Russische intelligentsia sociaal-democratisch zou zijn nog welig. In werkelijkheid waren de democratische oppositionele intellectuelen dat volgens de Vechi-groep helemaal niet. Ze gaven daarmee ruim acht jaar voor de scheuring in de arbeidersbeweging al aan waarom het leninisme niet los gezien kon worden van de tradities van het Russische socialisme in bredere zin. Russisch links had namelijk, zo schreven de auteurs (van wie enkelen Bulgakov en Struve zich ooit sociaal-democraat hadden genoemd), namelijk helemaal geen gelijkenis met het socialisme in Europa. In het Westen had die ideologie volgens Bulgakov wel wat opgeleverd omdat de Verlichting daar wortel had kunnen schieten op de voedingsbodem van de Reformatie. Dat was de sleutel voor haar succes geweest. Dank zij het protestantisme had de mens zich in de westerse wereld ten opzichte van God gendividualiseerd en was daarom opgevoed met een grotere mate van politieke vrijheid en maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. Het liberalisme en kapitalisme waren de vruchten van deze 'historische continuteit' in de westerse wereld. Daarom ook is volgens de schrijvers van Vechi de Verlichting in West-Europa nooit uitgemond in bot athesme. In het Westen bestaat goddank geen 'intelligentsia', verzuchtte Boelgakov. Dat was de reden dat het socialisme daar niet in zo'n diepe crisis verkeerde als in Rusland. De zeven Vechi-filosofen betreurden dat de kloof tussen samenleving en politieke theorie in Rusland onoverbrugbaar was geworden. Want maatschappelijk geengageerd waren ze zeker. Nu de Russische intelligentsia met haar uiterlijk politiek vertoon het volk alleen maar had afgestoten, restte in Rusland niets dan toenemende criminaliteit, 'algemene verruwing der zeden', pornografie en sensatielectuur, schreef de kort daarvoor naar het christendom teruggekeerde Boelgakov. Alleen Gersjenzon bleef blijmoedig. De bevolking mocht zich dan wel hebben teruggetrokken en de maatschappelijke problemen leken niemand meer te interesseren, zo betoogde hij, evenmin viel te ontkennen dat er voor al die zogenaamde politieke literatuur simpelweg geen kopers meer waren. 'De onbuigzame radikaal van gisteren is onherkenbaar geworden. Voor de modernistische literatuur staan alle deuren open, de predikers van het christendom worden niet alleen getolereerd maar met open armen ontvangen, seksualiteit is tot het thema van het publiek geworden. De tirannie van de politiek is ten einde.' Er is sedert die woorden tachtig jaar verstreken. De parallel met vandaag de dag is niettemin opmerkelijk. Het aantal revolutionairen is in het Rusland van Gorbatsjov en Jeltsin nog altijd amper te tellen, zoveel zijn het er, zij het dat zij nu precies de andere kant op sturen. En de bevolking stemt daar weliswaar enthousiast mee in maar wacht overigens bovenal af wat de elite met hen voor heeft.