Roland Inglehart; De omwenteling naar het post-materialisme

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Rond het Lieverdje hield Robert Jasper Grootveld zijn happenings, boer Koekkoek won de verkiezingen voor de gemeenteraad en heel Nederland was vol over de nasleep van het straatoproer dat de 14e juni 1966 heel Amsterdam op zijn kop had gezet. Hoe moeten we vandaag de dag terugkijken op die woelige tijd? In de laatste aflevering van deze serie Ronald Inglehart.

LEIDEN, 29 JUNI. In de tweede helft van de jaren zestig voltrok zich de culturele omwenteling. De Amerikaanse politicoloog Ronald Inglehart, verbonden aan de universiteit van Michigan in Ann Arbor, houdt zich sinds die tijd bezig met onderzoek naar veranderingen in de fundamentele waarden van mensen. Wat heeft de verschuiving waarin hij verwijst in de titel van zijn jongste boek Culture Shift, verschenen in 1989, te maken met de memorabele gebeurtenissen van de jaren zestig? Inglehart: “Ze hebben veel met elkaar te maken, maar de veranderingen die ik onderzoek verlopen zeer geleidelijk. Generaties zijn de afgelopen decennia onder drastisch verschillende omstandigheden opgegroeid. Rond 1945 ligt er een waterscheiding. De generaties van voor die tijd maakten in Nederland wellicht de gevolgen van de grote depressie mee en in elk geval die van de Tweede Wereldoorlog. Ze hebben veelal blootgestaan aan ontbering, honger en gevaar. De herinneringen en ervaringen van degenen die na de oorlog zijn geboren zijn volkomen anders. Zij groeiden op in een welvaart zonder weerga en in een expanderende verzorgingsstaat die het effect daarvan nog eens versterkte. “De omstandigheden waaronder je wordt gevormd zijn in sterke mate bepalend voor de fundamentele waarden die je er de rest van je leven op nahoudt. Wat er in de jaren zestig gebeurde was heel bijzonder: twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog liepen er voor het eerst op de universiteiten aanzienlijke aantallen rond van wat ik post-materialisten noem. Die studenten zagen volgens mij correct dat wat zij benadrukten als belangrijke waarden in het leven wezenlijk anders was van de waarden die tot dan toe toonaangevend waren.” Of iemand materialist dan wel post-materialist is wordt afgeleid van de antwoorden die hij geeft op een hele reeks vragen over zaken als de noodzaak van een sterke defensie, het handhaven van de orde in het land, criminaliteitsbestrijding (typisch punten waaraan materialisten veel belang hechten), vrijheid van meningsuiting, een samenleving waarin ideeen belangrijker zijn dan geld (typisch post-materialistische stokpaardjes). Inglehart: “Waarden zijn onzichtbaar voor de man in de straat, voor iedereen in feite, tenzij je ze meet. Dat doen wij sinds 1970. In de zes oorspronkelijke landen van de EG worden sindsdien twee maal per jaar dezelfde vragen voorgelegd aan een representatieve steekproef uit de bevolking. Later is het aantal landen verder uitgebreid, maar van de oorspronkelijke zes gaan de tijdreeksen terug tot 1970. “Wat we toen vonden was een groot verschil in heel fundamentele waarden tussen jongeren en ouderen. Dat bewees niet dat er een historische verandering plaatsvond. Het zou immers net zo goed kunnen zijn dat die jongeren naarmate ze ouder werden ook de waarden van die ouderen gingen aanhangen. Uit de resultaten van twintig jaar onderzoek blijkt dat dit niet is gebeurd. In zeer sterke mate hangt de generatie die in 1970 post-materialistische waarden koesterde, nu nog diezelfde waarden aan. Intussen zijn de oudste cohorten uit de steekproef gevallen - de meesten van hen zijn nu gestorven - en zijn er jongere cohorten bijgekomen, zodat de balans tussen materialisten en post-materialisten behoorlijk is opgeschoven in de richting van de laatsten. In Nederland zijn nu meer post-materialisten dan materialisten. “Nederland is in dit opzicht heel bijzonder: van jaar tot jaar is Nederland consistent het land met het hoogste percentage post-materialisten. Dat is interessant, want post-materialisme hangt gewoonlijk samen met economische zekerheid. Nederland is zeker niet het rijkste land, maar heeft wel een zeer ontwikkeld stelsel van sociale zekerheid, net als de Scandinavische landen, waar ook veel post-materialisten zijn. Dat betekent dat mensen opgroeien in een omgeving waarin niemand zich zorgen hoeft te maken over de strijd om voedsel. Daardoor ontstaat ruimte om meer aandacht te besteden aan andere op zich ook universele waarden. Deze hebben met name betrekking op de kwaliteit van het leven en uiten zich bijvoorbeeld in de vorm van een toenemend milieubewustzijn en een verlangen naar minder hierarchie. “Welvaart speelt een belangrijke rol, maar ik denk niet dat er sprake is van economisch determinisme. Het heeft ook te maken met culturele tradities. Een andere factor die een rol speelt is dat Nederlanders uit de enquetes naar voren komen als zeer gelukkig en tevreden met het leven in vergelijking tot inwoners van andere landen. Dat resultaat is van jaar tot jaar heel consistent. “Op langere termijn bewegen volgens mij alle ontwikkelde gendustrialiseerde samenlevingen in de richting van minder hierarchie, minder nadruk op autoriteit en een breder scala aan individuele keuze- en expressiemogelijkheden. “Heel verrassend vinden we dat er een sterke correlatie bestaat tussen of een individu post-materialistische waarden heeft en hoe hij zich verhoudt tot een breed scala aan normen op het gebied van seks en gezin. Post-materialisten zijn bijvoorbeeld veel toleranter ten opzichte van homoseksualiteit dan materialisten. Er is absoluut geen reden om dat te verwachten op basis van de inhoud van die normen. Ik denk dat ze samengaan omdat ze verbonden zijn met soortgelijke jeugdervaringen: de sociaal-economische zekerheid die mensen ertoe brengt post-materialistische waarden te koesteren leidt ook tot minder behoefte aan strikte, absoluut voorspelbare regels over seksueel gedrag. En dat heeft waarschijnlijk te maken met veranderingen in de aard van het gezin. In feite heeft de verzorgingsstaat vele van de functies van het gezin overgenomen. Sociale normen die eens het gezin beschermden en versterkten zijn minder cruciaal.” Ook in dit geval is Nederland lange tijd uitzonderlijk geweest, beaamt Inglehart, die in het begin van de jaren zestig een jaar in Leiden studeerde: “Toen ik hier voor het eerst kwam in de jaren zestig zag Nederland eruit als en was het ook een relatief traditionele samenleving, aanzienlijk traditioneler dan de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Dat is dramatisch veranderd. Waarom die verandering in Nederland zo snel gaat, daarvoor heb ik geen sluitende verklaring.” Al jaren lang roept iedereen dat de jeugd van tegenwoordig zo conservatief is. Klopt dat met Ingleharts bevindingen? “Ze zijn zeker door recente gebeurtenissen in de economie in conservatieve richting benvloed. Dat blijkt uit onze resultaten. Maar de waarden die ze hebben zijn absoluut niet conservatiever dan die van de generatie die in de jaren zestig de revolutionaire verschuivingen belichaamde.”