Redt Olympisch Stadion van deelraad

Twee jaar geleden ontsnapte het Stadion Feyenoord op het nippertje aan de vernielzucht van de nouveau riches, die het in hun nieuwbouwplannen tegen de grond wilden gooien om er een sportpaleis, congrescentrum, casino en bowlingbanen voor in de plaats te zetten. Die vlieger ging niet op doordat de voorzitter van de deelgemeente IJsselmonde uitgeslapener was dan alle samenzweerders bij elkaar. Hij stelde met succes bestuurlijke mechanismen in werking om de bescherming van de (voorlopige) Monumentenlijst in te roepen. De schepping van Van der Vlugt wiens plaats in de geschiedenis van het Nieuwe Bouwen de stadionbestuurders onbekend was, was voorlopig uit de handen van de slopers gered.

Als de bevoegdheden van de voorzitter van de Rotterdamse deelgemeente zich tot het Olympisch Stadion zouden uitstrekken, dan zouden de dagen van het Amsterdamse stadion nog lang niet geteld zijn. Maar de toekomst van het Olympisch Stadion is in handen van de deelraad Amsterdam-Zuid, een gezelschap politieke amateurs dat besloten heeft het stadion te offeren voor sociale woningbouw en volgend jaar al met de sloop te beginnen. Als er niet op het allerlaatste moment nog redding komt, volgt het Olympisch Stadion (ontworpen door Jan Wils, die ook de ontwerper is van de Citroen-gebouwen op het voorplein van het stadion, het stadion binnen een jaar de weg van het Brusselse Heizel-stadion, dat volgens de Belgische autoriteiten een gevaarlijke bouwval is geworden en op slot gaat. De discussie over de sloop van het Olympisch Stadion was eigenlijk al beslecht toen de deelraad vorig jaar, in het zicht van de aflopende erfpachttermijn, betrekkelijk snel het oordeel velde dat het stadion zo in verval was geraakt dat renovatie de moeite niet meer zou lonen. Sindsdien is dat het bestuurlijke wachtwoord geweest: het is een bouwval die alleen nog maar tegen onbetaalbare kosten hersteld kan worden. De weinige argumenten daarvoor zijn nauwelijks besproken noch aan deskundig onderzoek onderworpen. De lichtmasten verkeren in een zo slechte staat dat ze te eniger tijd gevaar voor de veiligheid van het publiek zouden kunnen opleveren maar die kunnen worden afgebroken zonder dat het stadion onbruikbaar wordt. Het Olympisch Stadion ziet er inderdaad nogal rafelig uit en het heeft door de leegloop van het Amsterdamse voetbal (FC Amsterdam was tien jaar geleden de laatste vaste bespeler) een onmiskenbare onderhoudsachterstand opgelopen, maar een bouwval is het niet. Er is geen sprake van gevaar voor de veiligheid van de bezoekers en er is nog geen enkele periodieke inspectie van de gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht geweest die het stadion niet heeft kunnen doorstaan. De betonconstructie is sinds de desertie van het Amsterdamse publiek niet aan afbrokkeling ontkomen, maar de betonrot is nergens onherstelbaar voortgewoekerd en de bakstenen bekleding, die het stadion zijn karakteristieke architectuur verleent, is nog even gaaf als bij de oplevering in 1928. Bouwtechnisch verkeert de constructie in een verantwoorde staat. De herbekistingsproeven die met vier betonnen draagspanten zijn genomen tonen bovendien aan dat een grondige renovatie de oorspronkelijke schoonheid van het gebouw weer volledig tevoorschijn zou brengen. Het is waar dat de moed je in de schoenen zinkt als je door een leeg Olympisch Stadion loopt, maar dat geldt ook voor het Feyenoord-stadion, dat eens beroemde meesterwerk van architectonisch functionalisme dat in de loop der jaren - om veiligheidsredenen - zoveel aanslagen op zijn structuur heeft moeten ondergaan dat er van de schoonheid van glas en staal niet veel meer over is. Als het Olympisch Stadion leeg is veroorzaken de verveloosheid van het gebouw en het onkruid dat de tribunes begroeit, een tamelijk droefgeestige aanblik, maar ondanks al die ongesoigneerdheid loopt diezelfde gebrekkige inrichting - die over een van de beste grasmatten van het land beschikt - weer onmiddellijk vol met die eigenaardige warme en huiselijke voetbalstadionsfeer zodra de tribunes bevolkt zijn, zoals een paar weken geleden bij een ouderwets sfeervolle wedstrijd tussen Ajax en Vitesse. De vraag is niet of het Olympisch Stadion bouwkundig nog te redden is; daar bestaat wat de lokale politici van de deelraad-Zuid er ook over beweren, geen enkele twijfel over. De vraag is of het stadion nog voor de onzalige bouwzucht van de deelraad behoed kan worden. Het stadion is nog niet helemaal verloren, want er is nog een reele mogelijkheid dat het gered wordt door de geldnood van de gemeente Amsterdam. Die paradox hebben de politieke slopers nog niet in hun plannen verdisconteerd. Zolang de gemeente niet met de aanvullende miljoenen om de bouw van een nieuw stadion in Amsterdam-Zuid-Oost te financieren over de brug komt, kan Ajax niet uit de brand worden geholpen. En zolang er geen nieuw stadion is kan Amsterdam zich niet veroorloven het Olympisch Stadion, dat altijd nog plaats biedt aan 55.000 bezoekers, heel wat meer dan het Feyenoord Stadion, dat oorspronkelijk een capaciteit van 67.000 toeschouwers had maar allang niet meer het grootste stadion van Nederland is, af te breken. Maar het zou beter zijn als de sloop niet verijdeld zou worden door overheidstekorten, maar door het gewicht van steekhoudende argumenten. Het stadion zou om zijn eigen architectonische waarde behouden moeten worden. In de eerste plaats omdat het in architectuur-historisch opzicht een interessant gebouw is. Ook al behoorde Jan Wils niet tot De Stijl, zijn werk was erdoor genspireerd, zij het dat het stadion vooral in zijn bakstenen identiteit meer verwantschap toont met de architectuur van de Amerikaan Frank Lloyd Wright. Als sportinrichting (waarvan weinig pendanten meer bestaan) is het nog even vitaal als zijn ontwerper het bedoeld heeft: “Licht, luchtig, straks van lijn, lenig en gespierd, speels en toch zakelijk”. Het stedebouwkundige argument dat voor behoud pleit is misschien nog het klemmendst: als het stadion verdwijnt, wordt de harmonie tussen het gebouw en de Stadionbuurt verbroken. Dat kan nooit meer worden hersteld, alleen al niet doordat sociale woningbouw het tegen het gebouw van Jan Wils altijd moet afleggen. Amsterdam zal op die plaats zo dynamisch als een kerkhof worden.