Per sector een andere Europa-Politiek

De ambtelijke en diplomatieke activiteiten in Den Haag draaien al maandenlang in een hogere versnelling ter voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap van de EG. Hoewel de Gemeenschap, zoals de naam onderstreept, een communautaire instelling heet te zijn, zal in het komende halfjaar de nadruk liggen op het intergouvernementele aspect. Aan het einde van het jaar immers moeten twee intergouvernementele conferenties tot een afronding komen: een waarin de vorming van een politieke unie, een ander waarin de vorming van een economische en monetaire unie wordt voorbereid. De ambtenaren die daarin actief zijn, verleggen hun werkterrein van Luxemburg naar Den Haag.

De beide conferenties hebben een wezenlijk communautaire activiteit, de schepping van de binnenmarkt, wat naar de achtergrond gedrongen. Het politiek opgeblazen gekrakeel over een Europese munt, een Europese buitenlandse politiek en een Europese defensie is volgens de berichtgevers boeiender dan het gespecialiseerde en moeizame karwei van het gelijktrekken en snoeien van honderden regelingen die de Europese markt als ware het een Hollandse polder in ontelbare nauwkeurig omlijnde stukjes opdelen. Hoewel - het effect van dat karwei zal zich verhouden tot de uitkomst van de twee conferenties als een sociaal-economische dijkdoorbraak tot een diplomatieke meiregen. De totstandbrenging van de binnenmarkt is het exclusieve terrein van de in de Europese hoofdstad Brussel zetelende Europese Commissie - regeringen en parlementen zijn al geruime tijd bezig onderdelen van het nieuwe grensoverschrijdende reglement in hun nationale wetgeving op te nemen. Maar het tempo waarin dat gebeurt is hier en daar onnodig langzaam. De conferenties zijn voortgekomen uit de wens om de vaart die met het project van de binnenmarkt in het proces van de Europese eenwording was gebracht, te benutten voor het doorbreken van bestaande taboes en het overwinnen van uit het verleden stammende barrieres. Vanaf de eerste pogingen tot integratie uit het begin van de jaren vijftig is geprobeerd praktische stappen tot economische samenwerking tussen Europese landen te koppelen aan een veel verder reikend ideaal van een nieuwe vredeverzekerende eenheid. Bij de lancering op 9 mei 1950 van zijn plan tot oprichting van een gemeenschappelijke Europese Hoge Autoriteit voor het beheer van de sectoren kolen en staal, verklaarde de toenmalige Franse minister van buitenlandse zaken, Robert Schuman, dat zijn voorstel “realisera les premieres assises concretes d'une Federation europeenne indispensable a la preservation de la paix”. Het is de spanning tussen het hier en nu en dat door Schuman geformuleerde ideaal dat de Europese eenwording onder druk houdt. Iedere afspraak, iedere regeling moet niet alleen een actueel vraagstuk uit de weg ruimen, maar ook een fundament zijn onder een nog te verrijzen bouwwerk. Een dergelijke tweeledige opdracht is op zichzelf al niet eenvoudig te vervullen, maar zij wordt praktisch onuitvoerbaar als er geen zicht is op eensgezindheid over de eens te verwezenlijken architectuur. De gevaarlijkste botsing van recente datum was die tussen Margaret Thatcher en de andere elf staats- en regeringsleiders, een botsing waarvan de nagalm doorklinkt in scheldpartijen tussen top-Tories onderling. Anders dan de indruk die is ontstaan - of soms met een kwaadaardige opzet wordt in stand gehouden - gaat het in dat soort op steeds wisselende toonhoogte gevoerde debatten niet om soevereiniteit of integratie, waarbij beide kampen door een diepe loopgraaf van elkaar zouden zijn gescheiden. Als Thatcher niets met de Europese Gemeenschap te maken had willen hebben, had zij, zoals De Gaulle destijds deed, haar stoel tenminste een poosje onbezet kunnen laten. Als de staten die haar tegenstanders waren Schumans ideaal hadden willen verwezenlijken, hadden zij dat vele jaren geleden kunnen doen. Ruim 41 jaar scheiden ons van zijn profetie, voldoende tijd, zou men zeggen. De werkelijkheid is dan ook vele malen genuanceerder dan uit het Journaal en de krantekoppen kan worden afgeleid. Ook de Nederlandse houding is in de bijna veertig jaar van daadwerkelijke Europese eenwording bepaald geweest door de spanning tussen dat wat zou kunnen worden omschreven als het nationale belang in engere en in ruimere zin. De supranationale plannen van Schuman mochten bijvoorbeeld rekenen op Duitse steun, maar minister Stikker eiste voor Nederlands deelneming waarborgen dat de belangen van het koninkrijk in de essentiele sectoren kolen en staal niet door een ongecontroleerde bovennationale Autoriteit zouden kunnen worden miskend. Zo kreeg Schumans Hoge Autoriteit een Assemblee, een gerechtshof en een Ministerscomite naast zich, embryo's van het tegenwoordige Hof, het parlement en de Raad van Ministers. In de loop van de Europese eenwording heeft Den Haag zich, zij het met wisselende inspanning, willen inzetten voor versterking van de gemeenschapsstructuur, maar altijd zodanig dat het onmiddellijke nationale belang niet uit het oog werd verloren. De communautaire landbouwpolitiek werd omhelsd, het Brusselse mededingingsbeleid was niet aan Den Haag besteed. Voor de totstandkoming van een vrije gemeenschappelijke vervoersmarkt hebben generaties Nederlandse politici en ambtenaren zich vergeefs het vuur uit de sloffen gelopen. In de praktijk was de Nederlandse Europa-politiek veelal een sectorenbeleid, met een soms meer, soms minder gemeende buiging voor het hoge ideaal van democratische controle en supranationaliteit. Met het oog op de IGC's en het Nederlandse voorzitterschap is er meer dan de gebruikelijke belangstelling voor de actuele Nederlandse Europa-politiek. Maar de aanloop naar het voorzitterschap is nogal ontsierd door wat langzamerhand een vete lijkt te zijn geworden tussen minister van buitenlandse zaken Van den Broek en premier Lubbers, met als inzet hun respectieve posities in de Europese besluitvorming. Dit institutionele gehakketak heeft de inhoudelijke kant van het Nederlandse Europa-beleid er niet inzichtelijker op gemaakt en dat juist in een periode dat de Nederlandse invloed groter dan gewoonlijk had kunnen zijn. Mogelijkheden van het voorzitterschap om de besluitvorming in een bepaalde richting te sturen, mogen niet worden overdreven, maar zij zijn, zeker wanneer partijen elkaar in evenwicht houden, wel aanwezig. Of het interne geruzie veel uitmaakt, zal trouwens de vraag zijn. Op alle gebieden waar de Europese integratie een stapje verder had moet zetten, zijn de problemen toegenomen. Sinds de zware financiele gevolgen van de Duitse eenwording bekend zijn, is het perspectief van een Europese munt en een centrale bank in de tijd flink wat verder weg komen te liggen. Een monetaire coup als de invoering van de D-mark in de voormalige DDR is voor de gemeenschappelijke spankracht voorlopig genoeg. De Britse Conservatieven zullen wat dat betreft meer ontspannen verkiezingen kunnen uitschrijven. Even op adem komen, zal de Nederlandse voorzitter van zijn gesprekspartners te horen krijgen en hij zal er om begrijpelijke redenen niet rouwig om zijn.