Op de pijnbank voor echte economische eenheid

Naarmate de grenzen van Europa verder opengaan, neemt de vrijheid voor nationaal financieel-economisch beleid af. Nederland zal bij zijn beleid steeds meer rekening moeten houden met de smalle Europese marges.

Dat is nu al actueel bij de discussies over harmonisatie van de accijnzen en BTW-tarieven in het kader van de voltooiing van de interne markt. De Britten verzetten zich nog krachtig, maar de overige elf landen zijn het eens over minimale BTW-tarieven van resp. 5 en 15 procent. Het hoge Nederlandse tarief van 18,5 procent zal op termijn dus moeten zakken, ook al besloten Kamer en regering met de Tussenbalans de geplande verlaging nog uit nationale bezuinigingsoverwegingen te schrappen. Ook het debat over de lage arbeidsparticipatie in Nederland zal een Europese dimensie krijgen. In arbeidsjaren heeft Nederland na Spanje de laagste participatie van de EG. Lage arbeidsparticipatie en vergrijzing van de bevolking leiden tot hoge sociale premies voor het werkende deel van de Nederlanders. Daarmee steekt Nederland in EG-verband ongunstig af en in een open markt zal de druk tot harmonisatie van premies ongetwijfeld toenemen. Niet op alle economische terreinen zal de EG voor Nederland moeilijkheden opleveren. Wat betreft inflatie, loonkosten en betalingsbalans behoort Nederland tot de meest stabiele landen in de EG. De Nederlandse pijnpunten concentreren zich op het financieringstekort en op de omvang van de overheidsschuld. Daaraan zal in het kader van de monetaire eenwording paal en perk worden gesteld. De betekenis van EMU is niet voor niets Economische en Monetaire Unie. Wat het begrotingsbeleid betreft doen zich voor Nederland problemen voor met de omvang en met de aard van het tekort. In het verdrag van de monetaire unie zal waarschijnlijk worden vastgelegd dat nationale overheden slechts geld op de kapitaalmarkt mogen lenen (staatsleningen) ten behoeve van investeringsuitgaven. Het Nederlandse financieringstekort wordt veroorzaakt door subsidies en overdrachtsuitgaven, niet door investeringen. Sinds kort valt in Den Haag een opmerkelijk politiek enthousiasme te bespeuren voor grotere overheidsinvesteringen in milieu, infrastructuur en onderwijs. Het is een verschuiving die vooruitloopt op wat uit Brussel komen gaat. Met de voltooiing van de interne markt en in de aanloop naar de monetaire unie zijn de lidstaten van de EG vorig jaar juli, toen de eerste fase van het proces naar de unie inging, begonnen zich intensiever te bemoeien met elkaars financieel-economische beleid. Dit zogenoemde multilaterale toezicht heeft twee keer per jaar plaats. Tot nu toe zijn twee bijeenkomsten gehouden, op 8 juli volgt de derde. Het is een besloten groep die aan deze sessies van kritiek en zelfkritiek deelneemt: de twaalf ministers van financien en hun thesauriers-generaal, de voorzitter van het Monetaire Comite en de voorzitter van het Comite van gouverneurs van de centrale-bankpresidenten. Voorzitter van het Monetair Comite is de Nederlandse thesaurier-generaal van financien, drs. ing C. Maas; Karl-Otto Pohl is - nog - voorzitter van het Comite van bankgouverneurs. Volgens een deelnemer zijn het 'pijnbank-sessies', waaraan de EG-ministers van financien elkaar onderwerpen. Ze moeten er nog aan wennen om elkaar hard de waarheid te zeggen. Voor sommige ministers is het buitengewoon pijnlijk om die waarheid van collega's te moeten horen. “We houden landen een spiegel voor”, zegt een deelnemer. Met als stok achter de deur dat een land zonder aanpassingen niet kan meedoen aan de laatste fase van de EMU, waarin sprake zal zijn van een Europese munt. Landen staan voor dezelfde keuze als wielrenners in de Tour de France: ze kunnen afhaken en daarmee aansluiting bij de EMU-kopgroep missen, of ze kunnen harder trappen zodat ze te zijner tijd in staat zijn de eindstreep voor deelname aan de EMU te halen. Dit multilaterale toezicht heeft geen mogelijkheden om strafmaatregelen tegen bepaalde landen te nemen, maar het kan wel sterke druk uitoefenen. Als de macro-economische situatie in een land te veel uit de pas loopt met die in de overige EG-landen, is deelname aan de laatste fase van de unie uitgesloten. Tussen de twaalf EG-landen bestaan nu nog grote verschillen wat betreft macro-economische grootheden zoals inflatie, financieringstekort, saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans en overheidsschuld als percentage van het bruto nationale produkt. Die verschillen moeten teruggedrongen worden als landen de stap naar een gemeenschappelijke munt willen maken, anders zou de monetaire unie binnen de kortste keren door interne tegenstrijdigheden uit elkaar spatten. Als de EG op 1 januari 1994 de overgangsfase wil ingaan moet nu al met de convergentie van het beleid worden begonnen. In die fase zal het multilaterale toezicht alleen maar strenger worden. De grootste uitschieters zijn op het ogenblik Portugal (hoge inflatie, groot tekort op de lopende rekening), Griekenland (idem plus groot financieringstekort) en Italie (hoge inflatie, groot financieringstekort). De situatie in deze drie landen zal op de komende bijeenkomst van 8 juli in Brussel uitvoerig aan de orde komen. Zij zullen met een geloofwaardig aanpassingsprogramma op tafel moeten komen. Die programma's zijn hun eigen verantwoordelijkheid; er is geen financiele EG-steun beschikbaar. Het is, met andere woorden, een crash- en geen cash-programma. Vooral voor Italie, mede-oprichter van de EG, is dat buitengewoon pijnlijk. Als serieuze aanpassingen uitblijven dreigt Italie in de restgroep terecht te komen wanneer de overige landen besluiten tot een monetaire unie van twee snelheden. Nederland bevindt zich nog in de luwte, nu de aandacht is gericht op de landen die het meest uit de pas lopen. Maar begin 1992 zal Nederland aan de beurt zijn als de volgende groep landen ter sprake komt. Nederland, Belgie en Ierland hebben een groot financieringstekort en een hoge schuldquote (overheidsschuld als percentage van het bruto nationale produkt). Het zal dan de vraag zijn of Nederland in de ogen van zijn EG-partners voldoende doet ter stabilisering en verlaging van het financieringstekort. Weliswaar kan Nederland zich beroepen op het regeerakkoord en de Tussenbalans die als doel hebben dat het financieringstekort in 1994 is verminderd, maar de overige EG-ministers zullen waarschijnlijk garanties voor verdergaande bezuinigingen na 1994 eisen. Dat kan nog een interessant debat opleveren: de minister van financien kan dan door zijn Europese collega's worden gedwongen om toezeggingen te doen over het Nederlandse begrotingsbeleid voor de jaren na de huidige kabinetsperiode. Dat is ook precies de bedoeling van de economische convergentie van het beleid.