Onregelmatige trekken in het sociale gezicht

Het kabinet-Lubbers rekent de totstandkoming van de 'sociale dimensie van Europa' tot de prioriteiten voor het komende halfjaar. Maar het voornaamse doel is het verijdelen van Brusselse regelgeving voor de sociale zekerheid. Nederland wil niet 'neerwaarts harmoniseren'. Alhoewel, mininumloon en uitkering bij ziekte staan inmiddels ter discussie.

Wat zijn de gevolgen van de Europese eenwording voor het relatief dure Nederlandse stelsel van sociale zekerheid? Bezwijkt het als de beschermende binnengrenzen verdwijnen? Of blijven minimumloon en ziekengeld op Hollands peil? Twee jaar geleden was minister De Vries (sociale zaken) optimistisch. Zeker, de scherpere concurrentieverhoudingen in het Europa van na 1992 onderstreepten “eens te meer” het belang van loonmatiging en van beheersing van de kosten van de sociale zekerheid. Maar de totstandkoming van de gemeenschappelijke interne markt, zo liet hij de Kamer toen weten in de nota 'Sociale dimensie van Europa '92' noopt niet tot een neerwaartse aanpassing van het niveau van de sociale zekerheid in Nederland. Begin deze maand inspecteerde De Vries de verdedigingslinie. Gelijkschakeling van nationale regelingen (harmonisatie) in de sociale zekerheid wordt afgewezen, schreef hij de Kamer ('De sociale dimensie en het voorzitterschap'). Om het opstellen van Europese regelgeving op dit terrein te verijdelen wordt vastgehouden aan besluitvorming bij unanimiteit. Dat is een beproefde tactiek tegen de uitbreiding van de competentie van de EG waar dit onwenselijk wordt geacht. Niet iedereen neemt deze aanpak even serieus. Bij hun pleidooien voor aanpassing van minimumloon, ziekengeld of arbeidsongeschiktheidsregelingen wijzen werkgevers steevast op het omringende buitenland dat minder royaal zou zijn. De toenemende openheid van de Nederlandse economie zou een uitzonderingspositie voor de sociale zekerheid alleen al om die reden onhoudbaar maken. Secretaris mr. A.M. Huntjens van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO): “Het is een buitengewoon gevoelig punt, maar wie kijkt naar wat er feitelijk aan de hand is, die ziet dat bij ons de hoogte van het minimumloon en de regelingen bij ziekte en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid aan de vooravond van Europa '92 nadrukkelijk ter discussie zijn komen te staan. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de Europese integratie daarbij een belangrijk argument is.” “Europa moet sociaal zijn, of er komt helemaal geen Europa”. Die inmidddels gevleugelde woorden sprak de Franse president Mitterrand eind 1989, toen elf van de twaalf lidstaten in Straatsburg het 'Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden' ratificeerden. Alleen Groot-Brittannie weigerde - en weigert nog steeds - te tekenen, omdat het volgens de toenmalige premier Thatcher de terugkeer van het marxisme en de klassenstrijd zou inluiden. Dit Sociaal Handvest, zoals het in de wandeling heet, markeert het tegenoffensief dat vanuit enkele hoofdsteden, het Europese Parlement en de vakbeweging werd aangewakkerd. Het kon niet zo zijn dat het nieuwe industriele Europa, waarin op het kompas van het 'witboek' uit 1985 wordt aangestuurd op het slechten van handelsbelemmeringen, zou worden gebouwd op “de runes van sociale verhoudingen”, zei Commissievoorzitter Delors. Ook tegenwoordig laat hij zelden een gelegenheid voorbijgaan dit te beklemtonen. “Sociale vooruitgang vormt geen belemmering voor een sterke economie, integendeel”, zei hij eerder deze maand ter gelegenheid van de viering van het honderdjarig bestaan van de grootste vakbond in de EG, de Duitse IG Metall. Nochtans steken de vorderingen in het Europees sociaal beleid magertjes af bij deze beloftevolle woorden. Voor een deel ligt dit aan het vrijblijvende karakter van het handvest, dat op de keper beschouwd niet meer is dan een politieke intentieverklaring, gericht op het wegwerken van de grootste onevenwichtigheden tussen de lidstaten. Deze goede bedoeling kan echter niet verhullen dat de EG-landen het over essentiele onderdelen in het sociale beleid niet eens zijn, zoals de Britse opstelling illustreert. Maar het blijkt ook uit drie kwesties die om de haverklap terugkeren: Hoever mag de competentie van Brussel op dit terrein reiken?; Moet besluitvorming bij unanimiteit of bij (gekwalificeerde) meerderheid geschieden?; En welke rol wordt toegedacht aan de sociale partners? Als zich bij de onenigheid over deze zaken al een sociale dimensie aftekent, dan verschillen de perspectieven per onderdeel hemelsbreed. Gaat het bijvoorbeeld om het vrije verkeer van Europeanen, dan zijn de lidstaten het er gauw over eens dat dit met regelgeving moet worden beperkt tot “werkenden” en “niet-actieven die over voldoende middelen van bestaan beschikken” (anders kan hun verblijfsvergunning ook in het Europa zonder grenzen worden geweigerd). De vrees voor volksverhuizingen - noordwaarts van 'social shoppers' en in tegenovergestelde richting van rentenierende zonzoekers - zit kennelijk diep, ook al blijkt uit empirisch onderzoek dat die vrees nergens op stoelt. Op het vlak van de arbeidsomstandigheden worden Europese richtlijnen - ter bescherming van werknemers tegen risico's van zware ongevallen (Seveso-richtlijn), lawaai-overlast en het werken met stoffen als lood en asbest - wenselijk geacht. Hetzelfde geldt voor de wederzijdse erkenning van diploma's. Maar zodra arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid in het geding komen, is terughoudendheid jegens Brusselse regels troef. Zo hebben bijvoorbeeld Spanje en Portugal zich met succes verzet tegen het aanvankelijke voornemen van de Commissie om in het handvest op te nemen dat werknemers recht hebben op de arbeidsvoorwaarden en de sociale bescherming zoals die van kracht zijn in het 'buitenland' waar ze voor hun werkgever een opdracht uitvoeren. Dat zou namelijk hun belangrijkste concurrentievoordeel (lagere loonkosten) ten opzichte van bedrijven in andere lidstaten tenietdoen. Een zorg die niet ongegrond is bij gemiddelde loonkosten per uur die in de industrie vorig jaar uiteenliepen van 8,04 gulden in Portugal tot 42,60 gulden in Duitsland. In Nederland bedroegen ze 34,20 gulden, in Spanje 24,64 gulden. De Europese Acte, waarin de EG-landen elkaar verplichten voor 1993 de besluiten te nemen die nodig zijn om de interne markt te verwezenlijken, bepaalt dat de Commissie “zich beijvert de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau verder te ontwikkelen”. De vakbeweging wil deze 'sociale dialoog' met werkgevers “verbreden en verdiepen”, zegt drs. P.J.G.M. van Rens van de vakcentrale FNV. Daarbij staan hem kaderakkoorden (Euro-CAO's) voor ogen over onderwerpen als arbeidstijden, scholing en sociale begeleiding bij reorganisaties, waaraan alle bedrijven in de betreffende branche zich zouden moeten houden. Werkgevers voelen daar echter “geen enkele pepernoot” voor, zegt Huntjens (VNO), al sluit hij niet uit dat ze zullen meewerken aan aanbevelingen op enkele terreinen, al was het maar om verdergaande regelgeving te voorkomen. De meeste lidstaten laten het liever aan werkgevers en werknemers zelf over. Bij de sociale zekerheid willen de lidstaten 'Brussel' buiten de deur houden. Voor harmonisatie achten zij de verschillen in welvaartspeil en tussen de diverse nationale stelsels vooralsnog te groot. Ter illustratie: de gemiddelde uitgaven aan sociale zekerheid (uitgedrukt in percentage van het bruto binnenlands produkt) waren in de periode 1985-1988 in de EG het hoogst in Nederland (31 procent), gevolgd door Belgie, Denemarken, Frankrijk, West-Duitsland en Luxemburg (alle tussen 25 en 29 procent), Groot-Brittannie, Italie en Ierland (beide omstreeks 23 procent), Spanje en Portugal (beide omstreeks 17 procent). Onder deze omstandigheden lijkt de lidstaten een behoedzame convergentie (van doelstellingen) van nationale regelingen een realistischer scenario. Tegen deze achtergrond hoeft het nauwelijks verbazing te wekken dat van de circa vijftig voorstellen uit het actieprogramma, aan de hand waarvan de Commissie de sociale identiteit van Europa beoogt te concretiseren, anderhalf jaar voor de kritieke datum nog maar over een onderdeel (veilig en gezond werken) overeenstemming is bereikt. Het kabinet-Lubbers rekent “de totstandkoming van de sociale dimensie tot een van de prioriteiten van het aanstaande Nederlandse voorzitterschap”. Komend half jaar beslist de Raad over een vijftiental voorstellen uit het actieprogramma, zo verwacht minister De Vries. Concreet gaat het daarbij onder andere over een omstreden richtlijn over de oprichting van Europese ondernemingsraden in concerns met een omvang van meer dan duizend werknemers en minimaal twee vestigingen van honderd werknemers in verschillende EG-landen. Nederland vindt dat een goede zaak en De Vries wil de moeizaam verlopende besluitvorming erover vlottrekken. Minder enthousiast is hij over het voorstel uit het actieprogramma om gemeenschappelijke criteria te ontwikkelen voor een minimumniveau van sociale zekerheid in alle lidstaten. Het betreft weliswaar een 'aanbeveling', de zwaktse variant in de Brusselse regels, maar volgens De Vries wordt er een “sluipend proces” van ongewenste uitbreiding van communautaire bevoegdheden mee in gang gezet, waarmee de kwestie van de competentie met bijbehorende vertragingen en impasses haar schaduw alweer vooruitwerpt.