Memoires (15)

Het kan vreemd lijken dat ik door zo'n kleine gebeurtenis, een kort gesprek met twee vreemden, mijn leven zo drastisch liet veranderen. Maar wanneer ik terugkijk, zie ik dat het eigenlijk altijd zo is gegaan: het zijn altijd ontmoetingen met anderen geweest die me tot belangrijke beslissingen hebben aangezet, meestal zonder dat die mensen - vrienden, familieleden, onbekenden - wisten wat ze teweegbrachten.

Nu ik dit opschrijf, schrik ik. Wie aardig wil zijn kan zeggen dat de mensen in mijn omgeving een onuitputtelijke bron van inspiratie zijn, maar evengoed kan je stellen dat ik aan een ernstig persoonlijkheidsdefect lijd, dat ik eenvoudigweg niet over een eigen wil beschik. Het zijn immers altijd anderen die bepalen wat er mij gebeurt. Ik ben niet meer dan een speelbal, een stalen knikker in een flipperkast. Mijn besluit om in 1929 naar Berlijn te gaan kwam voort uit dat ene zinnetje van Auden van wie ik natuurlijk niet wist dat hij Auden was: “Then we went to Germany.” In die paar woorden lag, zo voelde ik het, alles wat in mijn eigen leven ontbrak. Op een vreemde manier gaven ze uiting aan een verlangen dat ik zelf niet onder woorden kon brengen. Wat was dat verlangen? In zijn autobiografie Christopher and His Kind zegt Isherwood het zo plat mogelijk: “I went to Berlin for the boys.” Dat is het soort zinnetje dat je onthoudt, maar in zijn bestudeerde platvloersheid laat het ook niets meer te raden over. Geldt het ook voor mij? Hoewel jongens ongetwijfeld alles te maken hadden met mijn verlangen, en ik in mijn Berlijnse jaren inderdaad vooral jongens vond, blijf ik toch vasthouden aan de romantisch-sentimentele overtuiging dat ik via de jongens naar iets anders op zoek was. Misschien waren die jongens niet meer dan een symbool. Het morele klimaat was in Nederland weliswaar veel milder dan in Engeland, maar hier heerste een ander soort verstikking. Een voorbeeld: drie jaar voor mijn vertrek weigerde ds. Geelkerken aan te nemen dat de slang in het paradijsverhaal ook werkelijk gesproken had en scheidde de dominee zich af van de gereformeerde kerk. Het was het soort debat waarin de bijzaken het onherroepelijk winnen van de hoofdzaken, kortom, het soort debat dat de Hollandse publieke opinie tot op de dag van vandaag blijft beheersen. Ook in het jaar van mijn vertrek stonden de kranten vol met dergelijke schijnkwesties: er werd bedaagd gediscussieerd over discussies, achter ieder uitroepteken werd een zelfgenoegzaam vraagteken gezet. Het vereist een rijk innerlijk leven om zoveel hardnekkige nuchterheid te weerstaan en dat had ik niet. Zoals zoveel landgenoten die last van ademnood krijgen, hield ook ik mezelf voor dat Nederland te klein voor mij was, terwijl het natuurlijk andersom was: ik was niet tegen Nederland opgewassen. Ik liet niemand weten dat ik wegging. Op een herfstige zaterdagochtend stapte ik in de trein naar Berlijn en het geratel van de wielen op de rails scandeerde steeds opnieuw een enkel zinnetje in mijn hoofd: weg-van-hier-weg-van-hier-weg-van-hier. Ik had een koffer bij me, voor bijna de helft gevuld met Engelse boeken; ik dacht dat ik in Duitsland gelegenheid zou vinden om te studeren (tijdens mijn verblijf, dat langer dan drie jaar zou duren, heb ik er geeneen aangeraakt; de boeken roken te veel naar Nederland). Van die treinreis herinner ik me een belangrijk moment. Bij de grens hield ik mijn paspoort gereed voor controle en ik keek naar de foto van mijn gezicht en voor het eerst had ik het gevoel dat ik werkelijk naar mezelf keek. Dit ben ik, dacht ik. Een moment lang bestond er geen afstand tussen mijzelf en degene die ik daar afgebeeld zag. Ik kende Berlijn niet en wist niet waar ik het beste naar een kamer kon zoeken. Toen ik met mijn koffer het station uitliep, werd ik overweldigd door de bruinachtige grauwheid van de stad. In mijn portefeuille bewaarde ik het briefje met het telefoonnummer van Auden, maar ik durfde hem niet te bellen. Bij een kiosk op een hoek van twee brede straten kocht ik een reusachtige kaart van de stad. Uiteindelijk kwam ik met blaren op mijn voeten terecht in de vuile arbeiderswijk in de buurt van de Hallisches Tor. Ik was doodmoe en vroeg aan voorbijgangers waar ik een kamer zou kunnen huren. Een oude vrouw met een reusachtige boodschappentas, die tot boven de rand met aardappels gevuld leek, verwees naar een adres in Hamletgasse (geloof het of niet), een kleine zijstraat waar het altijd nacht leek. Daar, op nummer 31, trok ik aan de bel naast een scheve, groene deur. Na een kleine eeuwigheid werd er opengedaan. Een hese mannenstem riep dat ik naar boven moest komen. Bovenaan een kaalgelopen trap stond een lange man met een lichaam als een soepstengel. Hij had een uitgerekt, geel gezicht met stoppels op zijn kin en grote, bolle ogen, die oplichtten toen hij mij zag. Hij keek alsof hij lang op mij gewacht had en had getwijfeld of ik nog wel zou komen. Verhuurt u kamers, vroeg ik, nog ademloos van de trap. Naturlich, du schoner Bursch, zei de man. Hij draaide zich om en verdween in de schaduwen van de overloop. Ik aarzelde een moment en liep hem toen achterna. Hij opende een deur en liet me een kleine donkere kamer zien, die werd gedomineerd door twee reusachtige fauteuils. Die gehorten meinem Mutterlein, zei hij zonder dat ik iets had gevraagd. In de hoek stond een oud, houten ledikant. Er lag een sprei van glimmend rood satijn op. Ik vroeg me af of die ook van zijn moeder was geweest. De man boezemde me een vage angst in, maar de huur die hij vroeg was zo belachelijk laag dat ik niet kon weigeren. Ik nam de kamer. Ik wachtte tot mijn nieuwe huisbaas, die Herr Muller heette, de deur achter zich dichtgedaan had, zette mijn boeken op het plankje aan de muur boven het bed, schoof mijn koffer onder het bed en opende de gordijnen voor het raam. Ik keek uit op een muur.