Keer het Nationalisme

De ontwikkeling van de Europese Gemeenschap bevindt zich in een beslissende fase. Het volgende half jaar is cruciaal voor de richting die de twaalf lidstaten, en de landen die zich in de toekomst bij hen zullen voegen, uitgaan. Nederland valt de eer te beurt in die periode leiding te geven aan een experiment van eenwording dat in de wereld nog niet eerder is uitgevoerd.

Den Haag staat voor een zware taak. Niet alleen door de vele lastige onderhandelingen die moeten worden gevoerd om het proces '1992' tot een goed einde te brengen en verdere economische, monetaire en politieke integratie te bereiken. De opgave is vooral bijzonder moeilijk omdat het intellectuele tij in West-Europa is gekeerd. De slinger van de Europese integratie gaat weer de kant op van scepsis, van afremmen, van angst voor nieuwe initiatieven. Na tijdperken van optimisme - direct na het ontstaan van de Europese Economische Gemeenschap in 1958 -, van verlamming ('Eurosclerose') aan het eind van de jaren zestig en in de jaren zeventig, en van nieuw optimisme in de jaren tachtig als gevolg van het elan dat het vooruitzicht van een markt zonder binnengrenzen ('1992') teweegbracht, steken nu reserves, wantrouwen en nationale gevoelens de kop op. Het lijkt er niet meer om te gaan hoe de Europese eenheid eruit moet zien, hoe de Europese Gemeenschap zich tegenover andere machtsblokken in de wereld moet ontplooien, wat de belangen van Europa zijn. Het opgeven van soevereiniteit en het behartigen van 'nationale belangen' zijn de in het oog springende ingredienten van het huidige Eurodebat. Verder houdt de inkapseling van het, volgens sommigen, naar het oosten afglijdende machtige Duitsland de gemoederen vooral bezig. Alsof de Gemeenschap alleen bedoeld is om het 'Duitse gevaar' te neutraliseren, alsof die discussie al niet vele jaren geleden is gevoerd, alsof Duitsland zich niet voorbeeldig in de Europese Gemeenschap gedraagt (ook al geeft het steeds meer blijk van zelfbewustheid, maar is dat gevaarlijk?), alsof het niet de hoogste tijd is dit denkschema in te ruilen voor een bredere Europese en mondiale optiek, alsof alle lidstaten niet gezamenlijk een missie in Oost-Europa hebben te vervullen. Het heeft er veel van weg dat de Twaalf opeens terugschrikken voor de gedurfde stap die zij van plan waren te zetten op weg naar werkelijk politiek en economisch samengaan, dat zij, nu de Verenigde Staten van Europa aan de kim verschijnen, opeens de grote waarde van eigen huis en eigen haard opmerken. Zal Nederland in staat zijn de opkomende nationale golf te keren en de doorbraak naar werkelijke Europese eenwording te forceren? De voortekenen stemmen tot somberheid. Het denken over buitenlandse politiek in ons land wordt nog steeds gedomineerd door het axioma uit vroeger tijden dat het Nederlandse belang in de grond meer is gediend met Atlantische samenwerking dan met continentale eenheid. Minister Van den Broek is wat zijn Europese politiek betreft eerder een Luns - een nobel strijder tegen de Fransen, maar geen stimulator van de Europese vereniging - dan een Beyen, die met vasthoudende vermetelheid in de jaren vijftig de EEG van de grond wist te krijgen. Het nationale belang bewaken - wat dat ook moge zijn en hoe dat ook kan wisselen met de regeringssamenstelling - kan een waardevolle orientatie zijn. Zolang het maar wordt gezien in het perspectief van de belangen van het geheel. Maar moet Den Haag de formulering van een Europese sociale politiek tegenhouden omdat die minder ver gaat dan de welvaartsstaat waaraan de Nederlanders verslaafd zijn geraakt? Moeten de Denen de formulering van Europese milieustandaards blokkeren omdat die in eigen land strenger zijn? Daar kunnen conflicten ontstaan, waarbij over de belangen in engere zin moet worden heengestapt. Dat vereist moed en visie. President Kennedy riep zijn landgenoten bij zijn aantreden op niet te vragen wat Amerika voor hen kon doen, maar eerder wat zij voor Amerika konden doen. Toegegeven, dat is retoriek. Maar is het niet de hoogste tijd dat de Europese landen zich erop bezinnen hoe zij tot dat verenigde Europa kunnen bijdragen in plaats van zich te vermoeien met de nationale winst-en-verliesrekening van de Europese eenwording? De les van de afgelopen veertig jaar is dat die laatste dan vanzelf een fors overschot toont.