IN DE OUDHEID WAS ER GEEN PUBERTEIT

Ancient Youth. The Ambiquity of Youth and the Absence of Adolescence in Greco-Roman Society door Marc Kleijwegt 401 blz., J. C. Gieben 1991 (Dutch monographs on ancient history and archaelogy, vol. VIII), f 130,- ISBN 90 5063 063 4

Bij de laatste verkiezingen werd in Drenthe een achttien-jarige vrouw gekozen tot lid der Provinciale Staten voor de Partij van de Arbeid. Het was nieuws dat ook deze krant haalde. Niet de sekse van de betrokkene, maar haar leeftijd was een noviteit. Het mag zo zijn dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in vele politieke functies, anno 1991 is een vrouw in een Statenfractie niet meer uniek. Dat echter een tiener, maar net meerderjarig, verkiesbaar was gesteld en nog was gekozen ook, dat baarde opzien. Het trof sommigen zelfs onaangenaam. 'De politiek is toch geen kinderkamer', kon je horen zeggen, en: 'van politici mag je op zijn minst enige rijpheid en levenservaring verwachten en zo'n 'jong kind' kan daarover onmogelijk beschikken'. Hieraan moest ik denken bij lezing van Ancient Youth van Marc Kleijwegt. In deze dissertatie over jeugd in de Grieks-Romeinse maatschappij, en dan vooral de mannelijke jeugd in de steden van het Romeinse keizerrijk in de eerste eeuwen van onze jaartelling, besteedt de auteur nogal wat aandacht aan het optreden in publieke functies van jonge tot zeer jonge personen. Hij geeft daarvan een aantal treffende voorbeelden. Zo waren Lucius Porcius Celer en Caius Iulius Silvanus respectievelijk pas zeventien en achttien jaar toen zij stierven, maar zij hadden het allebei toen al wel gebracht tot aedilis in Barcino, het moderne Barcelona (steden in het Westen van het Romeinse keizerrijk werden in de regel bestuurd door een college van vier jaarlijks gekozen magistraten, onder wie twee aediles). Op hun zeventiende jaar ook al aedilis waren verder een anonieme jongen uit Lanuvium in Italie, wiens grafsteen slechts gedeeltelijk bewaard is gebleven, en Marcus Vitullius Novianus, afkomstig uit het zo'n honderd kilometer ten zuiden van Rome gelegen stadje Fabrateria Nova. En er zijn meer van dergelijke jeugdige stadsbestuurders geweest. In de diverse steden van het rijk zijn ook tieners en zelfs kleuters te ontdekken onder de leden van de stedelijke raad, het equivalent van wat in de stad Rome zelf de senaat, letterlijk 'raad van ouden' (!), heette. Voor het lidmaatschap van de door de bank genomen honderd man tellende stedelijke raad bestond weliswaar officieel tot aan de tijd van Constantijn de Grote een minimumleeftijd van vijfentwintig jaar, maar toch zijn er jeugdiger raadsleden bekend, van zeventien en achttien (uit Pompeii en Ostia onder andere), maar ook van zestien, van veertien, van twaalf en zelfs van zes (ene Numerius Popidius Celsinus uit Pompeii bijvoorbeeld), vijf en vier jaar oud.

RIJPHEID

Was dit alles in de Grieks-Romeinse wereld van de keizertijd nu net zo uitzonderlijk als de verkiezing van een achttien-jarige tot lid van de Provinciale Staten in onze dagen? Nee, zegt Kleijwegt. Anders dan men veelal aanneemt, kwam het vaak genoeg voor om te kunnen spreken van een structureel verschijnsel. Het zal duidelijk zijn dat Numerius Popidius Celsinus, raadslid (decurio) in Pompeii op zes-jarige leeftijd, over nog minder rijpheid en levenservaring beschikte dan de in de ogen van sommigen op dit punt al te kort schietende Drentse tiener. En toch zat hij als jongen van ver onder de voorgeschreven minimumleeftijd in de raad van de stad. Hoe dit te verklaren? Veel inbreng kunnen zulke kinderen toch niet hebben gehad. Het is immers onvoorstelbaar dat een jochie als Celsinus zich als spreker zou hebben geweerd bij een debat over, zeg, de graanvoorziening, de reparatie van een aquaduct, de aanleg van een badhuis of wat er verder zoal aan de orde kon komen in de raad. Als hij al geregeld bij de raadsvergaderingen present is geweest (gegevens hierover ontbreken), dan moet hij er voor spek en bonen bijgezeten hebben. Een van de redenen voor de benoeming van Celsinus tot decurio in Pompeii is ongetwijfeld zijn rijkdom geweest, of liever, de rijkdom van zijn vader. Expliciet staat het op zijn grafsteen: de decuriones van de stad hebben hem in hun midden opgenomen vanwege zijn 'liberalitas', zijn vrijgevigheid. We mogen veronderstellen dat het bij zijn jeugdige collega's elders vaak van hetzelfde laken een pak is geweest. Immers, publieke functies leverden in de Oudheid weliswaar aanzien en prestige op, maar ze kostten ook veel geld. Men verwachtte nu eenmaal van de bekleders van zulke functies allerlei vormen van weldadigheid, van het organiseren van gladiatorenspelen tot het laten vervaardigen van een mooi marmeren beeld van Apollo of de herbouw van een lokale tempel. Gebrek aan voldoende kapitaalkrachtige volwassenen zal gemaakt hebben dat men de hand heeft gelicht met de bepalingen over de voorgeschreven minimumleeftijd van raadsleden. Zo sneed het mes aan twee kanten. De stad en de andere decuriones, die nu minder diep in de buidel hoefden te tasten, profiteerden van de weldaden van de jeugdige functionaris, zijn familie kon zich koesteren in de glans van verhoogd prestige.

DECLINE AND FALL

Varianten van de zojuist gegeven verklaring voor het optreden van jeugdigen, kinderen soms nog, in raad en bestuur van de stad bestaan er in verschillende gedaantes. Zo wil een theorie dat het verschijnsel alles te maken heeft met de Decline and Fall van het Romeinse Rijk; pas in de Late Oudheid zou de jeugd zijn intrede hebben gedaan, toen, zegt men dan, de steden achteruit gingen, de decuriones zich op allerlei manieren aan hun financiele verplichtingen trachtten te onttrekken en er daardoor een steeds grotere behoefte ontstond aan verse gefortuneerden. Dat deze theorie niet klopt, toont Kleijwegt in zijn boek duidelijk aan. Juist ook in de bloeitijd van het rijk kwam het fenomeen ruimschoots voor. Een verklaringsgrond die alle andere uitsluit, acht hij overigens niet te geven. Hem is het daarom ook niet in de eerste plaats begonnen: 'We must accept the fact that the presence of youngsters in council can not solely be attributed to one factor. But the principal importance of their presence - whatever their age - is that thanks to their enrolment they were presented not as children or adolescents, but as adults or apprentice-adults'. Dit laatste raakt de kern van het betoog in dit boek. De stelling die Kleijwegt in zijn Ancient Youth verdedigt, kan ongeveer als volgt worden samengevat. In de moderne, gendustrialiseerde samenleving vormen adolescenten, ruwweg de jongeren tussen twaalf en twintig jaar, een aparte groep die de kinderjaren achter zich heeft gelaten maar nog niet de fase van volwassenheid heeft bereikt. In de prendustriele Oudheid bestond zoiets niet. De Grieks-Romeinse samenleving kende geen overgangsfase, geen periode van puberteitscrisis waarin de adolescent bij voorkeur met leeftijdgenoten verkeert, deel heeft aan een eigen subcultuur en zich door een diepe kloof gescheiden weet van de wereld der volwassenen. Tot de antieke 'jeugd' behoorden dan ook niet slechts tieners, maar net zo goed 'twens' en dertigers. Het betrof een uitgebreide groep, waarbinnen nauwelijks onderscheid werd gemaakt naar leeftijd. Deze 'jeugd' sloot zich nauw aan bij de in de wereld der volwassenen heersende opvattingen en idealen, anders dan moderne adolescenten, die geneigd zijn zich af te zetten tegen gangbare normen en waarden. Jeugdige personen werden als kleine volwassenen beschouwd en vervulden al vroeg taken die volwassenen ook vervulden, maar (en dit dient beklemtoond) dat wil niet zeggen dat ze door die volwassenen volledig werden geaccepteerd.

HALVE AFHANKELIJKHEID

De positie van de jeugd werd veeleer gekenmerkt door ambivalentie: of, zoals Kleijwegt het formuleert, 'de jongeling had een positie van halve afhankelijkheid. Hij was volwassene en niet-volwassene in een persoon'. Deze opvattingen over de antieke jeugd zijn overigens niet fonkelnieuw. De grondslag voor het onderzoek van Kleijwegt is een tiental jaren geleden gelegd door zijn promotor, de Leidse hoogleraar H. W. Pleket, in een in het tijdschrift Lampas gevoerde polemiek met de Belgische geleerde E. Eyben. Die had in de 691 bladzijden tellende studie De jonge Romein volgens de literaire bronnen der periode ca. 200 v. Chr. tot ca. 500 n. Chr. (1977) nou juist willen aantonen dat 'voor de Oudheid de jeugd de crisisperiode van een mensenleven is'. Volgens hem verschilde die jeugd weldegelijk van zowel kinderen als volwassenen 'in kledij, sport, omgang met anderen, ontspanning, moraal, taal, muziek, literatuur, gevoelens, op alle terreinen kwam hun anders-zijn tot uiting'. Daartegen richtte zich indertijd Pleket, daartegen richt zich nu, uitvoeriger, Kleijwegt. Het fundamentele meningsverschil is gedeeltelijk te herleiden tot een bronnenkwestie. De van inscripties op steen bekende aediles uit Barcino, Lanuvium en andere steden en de decurio Numerius Popidius Celsinus cum suis komen in De jonge Romein van Eyben niet voor. Op zichzelf is dat geen wonder, want Eyben wilde zich expliciet beperken tot literaire bronnen, maar jammer is het wel. Zijn boek is een 'Fundgrube' voor ieder die wil weten wie wat in de bestudeerde periode over jeugd heeft gezegd, van minder bekende auteurs als Censorinus en Herodianus tot grootheden als Cicero en Augustinus. Een voortreffelijke bronnen-index en een idem trefwoordenregister vormen hierbij welkome hulpmiddelen (de indices van Ancient Youth zijn vergeleken hiermee wel heel erg mager). Maar door andere dan literaire bronnen buiten beschouwing te laten, heeft Eyben zich de kijk op de praktijk des levens bemoeilijkt. Wil men werkelijk zicht krijgen op de antieke samenleving in het algemeen en op de antieke jeugd in het bijzonder, dan zal men ook de stenen moeten laten spreken: het aanboren van epigrafische bronnen is dan onmisbaar. Anders dan Eyben heeft Kleijwegt bekwaam gebruik gemaakt van de mogelijkheden die dit soort bronnen biedt. Anderzijds heeft hij helaas niet of nauwelijks geprobeerd zijn via de epigrafiek verkregen gegevens rechtstreeks te confronteren met de door Eyben verzamelde uitspraken over de antieke jeugd in literaire bronnen of met papyrologische materiaal. Sommigen zullen dat betreuren, maar er staat iets tegenover. In plaats van de directe confrontatie met Eybens bevindingen te zoeken, heeft Kleijwegt in zijn Ancient Youth voor een andere aanpak gekozen. En juist die aanpak maakt het boek bijzonder.

SAMOA

Kleijwegt beperkt zich niet tot de jeugd van de Grieks-Romeinse wereld. Hij bekijkt ook verschijnselen die men in andere prendustriele samenlevingen heeft waargenomen, of althans heeft gemeend te kunnen waarnemen. Zijn studie mag dan ook met recht historisch-comparatistisch heten. Zo wordt de lezer in de eerste hoofdstukken van deze toch primair oudhistorische studie uitvoerig genformeerd over de controverses omtrent het werk van Margaret Mead op Samoa in Polynesie en omtrent L'enfant et la vie familiale sous l'Ancien Regime van Philippe Aries. Maar Kleijwegts onorthodoxe aanpak is beslist functioneel. Hij gaat dan wel uit van de theorieen van Mead, Aries en anderen, maar sluit de ogen niet voor de zwakke kanten ervan en beseft dat er tussen Polynesie, het vroeg-moderne Europa en de antieke wereld behalve overeenkomsten ook grote verschillen waren. Zo kan hij genuanceerd tot zijn centrale stelling over de ambivalente positie van de jeugd en de afwezigheid van adolescentie in de Oudheid geraken. In een aantal case-studies (over jeugd en opvoeding, de positie van jeugdige artsen, rechtsgeleerden, senatoren, equites en decuriones in Oost en West) wordt vervolgens getracht de juistheid van deze stelling aan te tonen. Naar mijn mening is Kleijwegt daarin geslaagd. Ancient Youth is een interessant boek geworden.