Hopelijk haalt de gulden het jaar 2000 niet

1. Hoe belangrijk is een munt voor de Europese Gemeenschap?

Naar schatting kunnen vakantiegangers en bedrijven, opgeteld over heel de EG, ongeveer 40 miljard per jaar besparen met een gemeenschappelijke munt. Bovendien - maar dit is een veel speculatievere berekening - hoopt de Europese Commissie dat in alle landen (behalve misschien in Duitsland) de kapitaalrente gemiddeld met een half procent kan dalen wanneer er geen risico meer bestaat van een toekomstige verandering in de wisselkoers. Als zo'n rentedaling inderdaad plaatsvindt, willen bedrijven daarvan profiteren door meer te investeren waardoor uiteindelijk het nationaal inkomen in de EG-landen 5 procent hoger zou kunnen worden. Dat hypothetische voordeel moeten we overigens zelf verdienen, want de extra investeringen vereisen dat we, om te beginnen, minder consumeren en meer sparen.

Belangrijker nog zijn naar mijn mening de voordelen van een lage en stabiele inflatie voor die landen - Italie, Spanje, Groot-Brittannie - waar nu nog een variabele inflatie de planning voor bedrijven bemoeilijkt en leidt tot periodieke excessen op de onroerend-goedmarkt. De EG heeft echter niet geprobeerd de voordelen van een aanhoudend lage inflatie precies uit te rekenen.

2. Zijn er ook risico's verbonden aan de ene gemeenschappelijke munt?

Drie, nogal verschillende soorten risico's spelen een rol in de discussie. Mevrouw Thatcher en haar adviseur Sir Alan Walters zijn bezorgd dat zolang de verschillende munten nog afzonderlijk bestaan maar wel steeds meer op elkaar gaan lijken, er verstorende speculatie gaat optreden omdat de banken in de EG met steeds meer gemak kunnen profiteren van de nog aanzienlijke renteverschillen tussen de verschillende nationale markten. Die angst is niet zonder grond: de Britse rente is een stuk hoger dan de rente in Nederland of Duitsland, omdat ook lonen en prijzen in Groot-Brittannie nog sneller stijgen. Maar het Pond Sterling doet al mee met het Europese monetaire systeem. Daarom stromen soms miljarden aan speculatief kapitaal naar Londen om te profiteren van de hoge rente daar, maar zijn die korte-termijndeposito's ook weer onmiddellijk verdwenen als de markt vindt dat het Pond te snel zakt naar de bodem van de toegestane bandbreedte voor de wisselkoers, zodat angst voor een devaluatie gaat overheersen. Sir Alan verwacht zelfs dat speculatieve kapitaalbewegingen binnenkort zullen aantonen dat het steeds vaster aan elkaar koppelen van de bestaande munten zonder nog de stap te maken naar een nieuwe geldsoort, een verkeerd recept is om te komen tot een Monetaire Unie. Dan zijn er Nobelprijswinnaar prof. Hayek, prof. Vaubel uit Mannheim en andere monetaire specialisten die erop wijzen dat met de monetaire eenwording ook de diversiteit in het monetaire beleid verdwijnt. De afgelopen twintig jaar hebben hoge-inflatielanden als Italie en Spanje nog kunnen leren van succesvol beleid in Zwitserland, Duitsland en Nederland. Maar als er straks echt een munt is, ontbreken binnen Europa praktijkvoorbeelden hoe het anders en beter had gekund. Hayek c.s. zien de toekomstige Europese Centrale Bank als een kartel dat kwetsbaar zal zijn voor politieke benvloeding, omdat de leerzame diversiteit in nationale tradities en ervaringen geforceerd moet verdwijnen. Ten slotte is er een risico waar alle monetaire economen het over eens zijn. Kijk naar Oost-Duitsland sinds de hereniging: loonkosten moeten daar omlaag omdat anders alle bedrijven failliet gaan. Veruit de snelste manier om dat te bereiken is een veel lagere wisselkoers - zoals bijvoorbeeld in Polen of Bulgarije - maar dat kan niet meer vanwege de monetaire eenwording. Het middel dat resteert is een loondaling, maar daarvan komt niets terecht met als gevolg extra hoge werkeloosheid in de Oostduitse deelstaten. Zo kan het straks gebeuren dat de loonkosten in Portugal eigenlijk met tien of twintig procent moeten dalen vanwege een verslechterde concurrentiepositie, terwijl de Escudo niet meer kan devalueren en zo de Portugese produkten goedkoper maken, omdat iedereen allang en uitsluitend rekent in een Europese munt. Zullen Portugese vakbonden dan akkoord gaan met een omvangrijke loondaling, die bovendien twee jaar later misschiem moet worden herhaald?

3. Is er al overeenstemming over de statuten van de toekomstige Europese Centrale Bank?

Veel hindernissen zijn al genomen, bij voorbeeld over de samenstelling van het beginkapitaal van de bank en over het stemrecht binnen het bestuur. Een heel moeilijk punt ligt nog steeds ter tafel en dat heeft te maken met de onafhankelijkheid van de Bank. De presidenten van de centrale banken zeggen wel steeds - en terecht - dat de Bank onafhankelijk moet zijn, evenals de rechterlijke macht, en om dezelfde redenen, maar dat kan nooit voor honderd procent opgaan. Wijze rechters houden op gevoelige onderwerpen, zoals euthanasie, wel degelijk rekening met de ontwikkeling van de publieke opinie en zouden in hun taak tekort schieten wanneer ze uitsluitend als schriftgeleerden de wet zouden interpreteren. Evenmin kan de president van een centrale bank opereren in een politiek vacuum. Het is echter onmogelijk om goed te formuleren hoever die onafhankelijkheid moet gaan en waar een zekere gevoeligheid voor de publieke opinie moet beginnen. Waarschijnlijk kunnen woorden hier ook geen uitkomst bieden en gaat het erom in de praktijk een verstandige traditie te ontwikkelen die ruimte laat voor politieke benvloeding, zeker bij calamiteiten als een economische depressie of een oorlogsdreiging, maar misschien ook bij de vaststelling van het wisselkoersbeleid tussen Europa, Japan en Verenigde Staten. De voorstellen van het Luxemburgse voorzitterschap behelzen op dit moment dat de Europese Centrale Bank zich moet richten naar de ministers van financien voor wat betreft het wisselkoersbeleid ten opzichte van Japan en de Verenigde Staten. “Dat kan de autonomie van de Europese Bank aantasten”, stelde directeur Szasz van De Nederlandsche Bank terecht op 22 maart. De opstellers van de statuten hebben maar niet geprobeerd regelingen te treffen voor typisch onvoorzienbare zaken als een depressie, grootscheepse faillissementen in het bankwezen of oorlogsdreiging. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zal de discussie over de grenzen aan de onafhankelijkheid van de Centrale Bank in de openbaarheid moeten treden, want pas dan kan blijken in welke landen de publieke opinie accepteert dat de Europese Centrale Bank in ieder geval een stuk onafhankelijker moet worden dan de huidige praktijk in Frankrijk, Spanje, Engeland en verschillende andere landen.

4. Moeten ook de ex-socialistische landen zo snel mogelijk hun munten koppelen aan de ECU of de D-Mark?

De meest prominente politieke econoom in Oost-Europa, minister Klaus van Tsjechoslowakije, vindt dat niet. De landen in Centraal en Oost-Europa zijn nog zo verschillend en hun economieen zo fragiel dat vaste onderlinge wisselkoersen op dit moment niet verantwoord zouden zijn. Net als in het voorbeeld van Portugal hierboven moeten dan de vakbonden in de zwakke landen regelmatig instemmen met loonsverlaging. Een vrijere wisselkoers die nog kan devalueren, is dan een veel betere oplossing. President Duisenberg van De Nederlandsche Bank heeft op 3 mei in Wenen betoogd dat koppeling met de ECU of D-Mark ook voor Oost-Europa doel van het beleid moet zijn, maar voorlopig kunnen de Oosteuropese landen het beleidsinstrument van de vrije wisselkoers nog lang niet missen.

5. Haalt de gulden het jaar 2000?

Politieke prognoses zijn altijd hachelijk, maar ik denk en hoop van niet. Onze economie is zo gekoppeld aan die van Duitsland, dat voor Nederland de tijd nu wel rijp is om te vragen om een zetel in het bestuur van de Bundesbank in Frankfurt, een evenredig deel van de winst van die instelling en in ruil daarvoor een inwisseling van alle uitstaande guldens in marken tegen de huidige wisselkoers. De snel gedoofde discussie, deze winter, over de suggestie om nog eens de wisselkoers tussen gulden en D-Mark te veranderen, toont wel aan dat Nederland niet meer genteresseerd is in een onafhankelijke wisselkoers. Als de huidige situatie voortduurt, hebben wij echter niets te vertellen over het Duitse beleid, en blijft onze rente op staatsschuld en hypotheken wel voortdurend hoger dan de Duitse rente, omdat de guldensmarkt toch iets minder standing heeft dan de financiele markt in Frankfurt. Maar ook als Nederland deze keer geen gidsland wil zijn, zal volgens de huidige plannen toch in 1998 de ene munt worden ingevoerd voor de kopgroep. Ons land zal daar zeker bij willen horen.