Heupwiegende bosschages bij Alcina

Voorstelling: Alcina van G.F. Handel door de Vlaamse Opera o.l.v. Jos van Immerseel. Met: Daniella Lojarro, Alicia Nafee, Ann Monoyios, Kathleen McKellar-Ferguson, Guy de Mey, Dale Duesing en Julius Hendriksen. Decors: Carlo Tommasi; kostuums; Patrice Cauchetier; regie: Philippe Berling. Gezien: 25-6 Kon. Vlaamse Opera Antwerpen. Herhalingen: 29-6 en 2-7 19.00 uur.

Opera's van Handel worden slechts zelden scenisch uitgevoerd en terecht. De meeste zijn nauwelijks meer dan een eindeloze serie prachtige aria's met hoogstens pas op het eind een duet. Boeiend uit te beelden aansprekelijk drama is er nauwelijks, zeker niet voor ons late twintigste eeuwers, moeilijke vocale capriolen voor tegenwoordig zeldzaam perfecte stemmen zijn er des te meer. En het was in de achttiende eeuw al geen wonder dat eerst Gluck en daarna Mozart vorm en structuur van opera verbeterden en vernieuwden. Maar bij Alcina (1735), een van Handels laatste en toen al succesvolste opera's, valt een deel van die bezwaren weg tegen de voorspelbaar eenvoudige en monotone vorm: er is een koor, er is een ballet, er treedt een beer (of een leeuw) op, er is een jongenssopraan, er zijn veel dialogen die de handeling ook echt ontwikkelen en tegen het slot is er zowaar een lang terzet. Een zorgvuldige regisseur hoeft hier slechts een stijlbewuste dirigent en een grandioos zingende cast te hebben voor een opmerkelijke voorstelling, zoals Franco Zeffirelli die in het begin van de jaren zestig maakte met Joan Sutherland in de titelrol. De Vlaamse Opera komt nu op al die gebieden ook een heel eind met een Alcina-voorstelling in een co-produktie met het Grand Theatre in Geneve en het Chatelet in Parijs. Het geheel biedt een varierende diversiteit aan ouderwetsheid. De opera zelf, met veel verwikkelingen een variant op een deel van het middeleeuwse Orlando furioso, is stokoud. De muzikale uitvoeringsstijl van het orkest Anima Eterna onder leiding van Jos van Immerseel is historiserend maar ook al vanwege coupures niet fanatiek 'authentiek'. In het decorontwerp van Carlo Tommasi staan Louis Seize-stoelen op de binnenplaats van een Italiaans palazzo. En de regie-stijl van de Fransman Philippe Berling biedt zonder hinderlijke dramaturgische gestrengheid aangename verpozing voor het oog, deels met carnavaleske elementen als een koor van gemaskerden, heupwiegende bosschages en karikaturale types uit een optocht. Het allerbeste van deze Alcina is een vocale cast van een evenwichtig en hoog niveau. In de voorstelling die ik zag kwam dat niveau pas echt in de tweede en derde acte, maar toen was het dan ook vaak meer dan voortreffelijk. Handel blijkt dan hier juist ook in heel lange aria's van Alcina (Daniella Lojarro), Ruggiero (Alicia Nafe) en Morgana (Ann Monoyios) nog steeds dramatisch heel effectieve en aangrijpende muziek te hebben geschreven. Het eerste opera-optreden van de 12-jarige jongenssopraan Julius Hendriksen, lid van het Zaans Jongenskoor, is een verhaal apart. Hij produceert in de rol van het jongetje Oberto dat zijn vader zoekt, opmerkelijke versieringsnoten, zingt af en toe flink vals - een treffende typering van het zeurende kind dat hij speelt - en is vertederend als hij Alcina ontmaskert als de heks die zijn vader omtoverde in een beer.