Het vaderland in Europa

Uit Nederland gezien bestaat Europa vooral uit de klassieke driehoek Groot-Brittannie- Frankrijk- Duitsland. Wat is er veranderd in ons 'geo-politieke Umfeld'? En: hoe past Nederland zich aan? Bevrijders en Patriotten zijn opnieuw in het strijdperk getreden. Europa als panacee? Of Europa als bedreiging van de drievuldigheid God-Vaderland-Oranje.

Europa is een buitengewoon onoverzichtelijk onderwerp. Hele seminars worden gewijd aan vragen als: Waar ligt Europa? Wat hoort er wel, wat hoort er niet bij? Heeft de Europese Gemeenschap een eigen identiteit of moet ze die eerst ontwikkelen voordat ze uitbreidt? Bestaat Europa eigenlijk wel? Om nog maar te zwijgen van het jargon waarmee de deelnemers aan het 'politieke integratiespel' elkaar om de oren slaan en waarmee politici en landen zichzelf in het harnas hijsen. Moet het nieuwe Europa op pijlers of op zuilen rusten, moet het democratisch, 'communautair', 'co-decisief' zijn? Het zijn begrippen waarachter denkscholen en jarenlange disputen schuilgaan. Europa ontaardt dan ook vaak in abstracties en complicaties en alsof de ingewijden dat willen verbergen hebben zij het vaak over systemen en processen in Europa: “If you don't know what it is, call it a system, if you don't know how it works, call it a process”. Maar wie uit Nederlands gezichtspunt alle emblemen van het debat even laat voor wat ze zijn, kan daarentegen wel degelijk een paar overzichtelijke ijkpunten aanduiden. Uit Nederland gezien bestaat Europa in de allereerste plaats uit de klassieke driehoek Groot-Brittannie, Frankrijk, Duitsland. Europa is natuurlijk een stukje groter dan deze drie landen, maar het zijn toevallig de drie belangrijkste en Nederland ligt er middenin: geografisch, economisch, cultureel en psychologisch. Nederland heeft een eeuwenoude geschiedenis achter de rug, eerst van evenwichtskunst en later van afzijdigheid in deze driehoek om zijn soevereiniteit, ook zijn mentale en culturele soevereiniteit, overeind te houden. Scholing in internationale machtspolitiek heeft Nederland de laatste twee eeuwen nooit gehad of het heeft er zich nooit ontvankelijk voor getoond, en gekoppeld aan vaderlandse idealen kwam dat ook goed uit. Het suste het gemoed en in elk geval werd vermeden dat op die manier machteloosheid een verlammend gevoel kon verspreiden. Het Nederlandse ideaal was tot 1940 dat land van rust en vrede en een frisse lucht, Zwitserland genaamd. Deze constellatie veranderde na de Tweede Wereldoorlog weliswaar, maar het gebeurde toch maar met mate. Dankzij de Koude Oorlog en de beschermende aanwezigheid van Amerika binnen het Atlantisch bondgenootschap bleef er voor Nederlandse soevereiniteit behoorlijk wat ruimte over. De communautaire Europese Gemeenschap kwam niet heus van de grond en de fundamentele verhoudingen in Europa werden er ook niet door bepaald: de intergouvernementele NAVO onder leiding van de supermogendheid Amerika overschaduwde elke andere organisatie en in die zin vormde voor Nederland de naoorlogse NAVO eigenlijk een voortzetting van de vooroorlogse neutraliteit met andere middelen. Nederland bewoog zich opnieuw in de driehoek en waar deze onvolledig was - in de Gemeenschap - ijverde Nederland voor herstel ervan. De Britten werden lid van de Gemeenschap en dat hield de Fransen wat op afstand, terwijl de Duitsers verdeeld waren en sowieso slechts beperkte soevereiniteit genoten. Die hele constructie ligt nu aan diggelen. Revoluties voltrekken zich sneller op straat dan in het hoofd. Dat is met de revoluties van 1989 niet anders dan met voorgaande revoluties. In de hoofden is het alsof de oude fabrieksschoorsteen net is opgeblazen en de val zich nog langzaam in 'slow motion' voor ons televisietoestel voltrekt. Neem bijvoorbeeld de NAVO. Deze is koortsachtig op zoek naar een nieuwe zin van haar bestaan bij gebrek aan een herkenbare vijand en tegelijkertijd is diezelfde NAVO in al die veertig jaar in kleine landen als Nederland en Denemarken zelden zo populair geweest als juist nu. Gelet op de specifieke functie die de NAVO had voor Nederland, het behoud van een naoorlogs type neutraliteit, doet dit een beetje denken aan wat de historicus E.H. Kossmann ooit schreef over de buitenlandse politiek van Nederland door de eeuwen heen: “Indien de Nederlandse buitenlandse politiek van 1648 tot 1940 een traditie heeft gekend, dat wil zeggen een in het Nederlands bewustzijn als zodanig ervaren continuteit, dan zou ik geneigd zijn er slechts een te noemen, namelijk conservatisme.” Maar terug naar die parameters rondom Nederland, 's lands geo-politieke Umfeld, zoals de grote liefhebber van 19de eeuwse concert-modellen, Henry Kissinger, het waarschijnlijk zou noemen. Wat is daar veranderd? (SD) In Groot-Brittannie voltrekt zich een kentering ten aanzien van het Europese integratieproces. De angst voor marginalisatie is reeel, zelfs zozeer dat Britse parlementariers niet weten of ze moeten huilen of lachen over het laatste voorstel van EG-Commissievoorzitter Delors om een speciale Britse wachtkamer in de Europese Monetaire Unie in te richten. De Bank of England heeft met een blik op de Bundesbank de smaak van Europa te pakken en laat dat de Treasury openlijk weten. De angst voor irritatie van de Verenigde Staten als het gaat om Europese veiligheid en Westeuropese Unie is er minder groot dan in Nederland en in elk geval is men er nuchterder over. De Brugge-groep bij de Tories is een beperkt gezelschap, groot genoeg om John Mayor tot vaagheden te dwingen en hem een klinkende verkiezingsnederlaag te bezorgen, maar te klein om de marsroute te kunnen bepalen. Mayor zelf noemt de houding jegens Europa een generatiekwestie, waarbij de jongeren het hele proces veel nodiger en vanzelfsprekender vinden dan ouderen. Opiniepeilingen bevestigen dat. Labour heeft vier jaar geleden de draai gemaakt en voor een groot deel van de partij is Europa een soort kijkdoos waarin je sociale markteconomie kunt bezichtigen. In Groot-Brittannie is een fascinerend debat over nationale identiteit aan de gang. Er is waarschijnlijk geen ander land te vinden waar zelfs de boulevardpers met zo'n gemak over EMU, Ecu en EMS schrijft. Natuurlijk blijft Groot-Brittannie tegelijkertijd een geval apart: het is een land waar de bureaucratie weinig macht heeft in vergelijking met de rest van Europa, het is een land dat gewend is hele concrete vragen te stellen en dat ook gewend is consequent uit te voeren wat het heeft ondertekend. Logisch dat de Britten dan ook wat argwanend naar bureaucratische mechanismen kijken die in het Europa van Brussel bloeien, logisch ook dat men weinig raad weet met verdragsteksten die meer bedoeld zijn als 'myths mobilisateurs' dan als notariele aktes, logisch ook dat men op de penny wil weten wat iets kost. Maar dit alles neemt niet weg dat de Britten deze kant uitdrijven. Dolste voorbeeld van de afgelopen weken: in Zuidoost-Engeland leren sommige agenten nota bene Frans, met het oog op het volk dat straks uit die tunnel opduikt. (SD) Frankrijk is al enkele jaren een actief voortrekker van de Europese integratie. Nederlanders hebben de getuigenis zo in hun porien dat zij ertoe neigen altijd meer belangstelling te hebben voor het morele gehalte van de motieven dan voor de resultaten en aangezien Nederlanders ook zeker menen te weten dat Frans realisme in wezen altijd cynisme is, weet Nederland met Frankrijk de laatste jaren niet zo goed raad. Voor Frankrijk is Europese integratie een middel om zoveel mogelijk de eigen positie te versterken en het grote, nieuwe Duitsland in te kapselen. In het groot doet zich misschien nu voor wat bij de Franse inschikkelijkheid bij de oprichting van de supranationale Hoge Autoriteit van de EGKS een rol speelde: het was de manier om op de kolen- en staalproduktie in het Ruhr-gebied greep te houden. Wat de motieven precies mogen zijn, feit is dat Frankrijk het integratieproces bevordert, tot compromissen bereid blijkt en na de bittere socialistische les van begin jaren tachtig meer en meer oog heeft voor de interdependentie in Europa. Wie bijvoorbeeld tien jaar geleden had voorspeld dat een Franse premier in de Assemblee de jeugd nog eens zou oproepen om Engels te gaan leren, die was voor gek verklaard. Toen het een paar jaar geleden gebeurde, stond niemand er eigenlijk nog bij stil. Nederland heeft, behoudend als het is, nog weleens de neiging te zeggen dat er niets is veranderd: Mitterrand is net als De Gaulle en Van den Broek speelt voor Luns. Maar ook dat is niet juist, geschiedenis herhaalt zich wel, maar altijd anders. En zelfs al is Frankrijk niet veranderd, dan nog is de rest van de wereld zozeer veranderd dat ook in Frankrijk niet alles meer bij het oude kan blijven. Frankrijk kan zich de luxe van een Lege Stoel eenvoudigweg niet meer veroorloven en er is ondanks alle Parijse norsheid en grandeur daar een begin van een pijnlijk besef. Fransen streden zij aan zij en in redelijke harmonie naast Amerikaanse troepen in de Arabische woestijn. Mitterrand toont zich bereid zijn land bij het non-proliferatieverdrag aan te sluiten. Wie zegt er dan nog dat er tussen het tijdperk-De Gaulle en het tijdperk-Mitterrand niets is veranderd? Natuurlijk gaat het niet om een gelijkmatig proces. De koppigheid van het Franse staatshoofd in de recente veiligheidsdiscussie (WEU versus NAVO) klinkt iedereen vertrouwd in de oren. De afkeer van 'coca-cola-imperialisme' (ex-premier Rocard onlangs) is al evenzeer een 'evergreen' in de Franse politiek, maar het zijn reflexen waarachter een crisis in de nationale doelstellingen maar amper verborgen kan worden gehouden. En menigeen in Frankrijk realiseert zich dat ook - het bedrijfsleven voorop. In elk geval gaat de conclusie te ver dat er niets is veranderd. (SD) En dan Duitsland. Daar is alles veranderd. Duitsland is van de ene op de andere dag een machtig land geworden. Machtig, niet alleen omdat het een economische zwaargewicht is, maar ook omdat het volledige vrijheid van politiek handelen heeft gekregen. Het hele netwerk van akkoorden uit het twee-plus-vier-overleg, dat een diplomatieke bezegeling is van de nieuwe werkelijkheid van 1989, brengt Duitsland terug op de kaart, zoals dat een keer eerder is gebeurd, namelijk bij de Reichsgrundung in 1871. De manier waarop het is gegaan is onvergelijkbaar. Maar het feit dat Duitsland opnieuw in alle hevigheid wordt geconfronteerd met doel en richting is er niet geringer om. Duitsland zelf tobt ermee. Moet Duitsland nu weer een normaal land worden, en wat is een normaal land? Frankrijk en Groot-Brittannie hebben een zetel in de Veiligheidsraad. Is dat voor een land als Duitsland, met 80 miljoen inwoners en een van de machtigste economieen in de wereld, eigenlijk niet normaal? Frankrijk en Groot-Brittannie hebben een kernwapen. Is dat normaal? Dicht onder de oppervlakte zit in Duitsland de angst voor de eigen macht. West-Duitsland had zich na de oorlog vastgebeten in de Westeuropese integratie en dat was niet alleen gebeurd omdat het vrijhandel, wederopbouw en internationale legitimatie kon verschaffen. Natuurlijk speelde dat mee: zoals Frankrijk de supranationale EGKS als middel zag om enige greep op het Ruhr-gebied te houden, zo zag Adenauer het als een vehikel om erkenning en soevereiniteit te verwerven in een fase dat Bonn nog niet eens een eigen ministerie van buitenlandse zaken mocht hebben. Maar er is meer. Europese integratie geschiedde ook omdat West-Duitsland zocht naar een nieuwe identiteit. Konrad Adenauer in 1954 vertrouwelijk tegen de Belgische minister van buitenlandse zaken, Henri Spaak: “Als ik er niet meer zal zijn, weet ik niet wat uit Duitsland zal worden als het ons niet lukt om op tijd Europa te scheppen. (...) Gebruik de tijd zolang ik leef. Mijn God, ik weet werkelijk niet wat mijn opvolgers zullen doen wanneer ze aan hun lot worden overgelaten, wanneer ze geen aangelegde paden moeten bewandelen, wanneer ze niet aan Europa zijn gebonden”. Dat was overdreven. Adenauer was van de kook zo vlak na het mislukken van de Europese Defensie Gemeenschap en de SPD was nog neutralistisch, anti-NAVO. Ook zijn opvolgers waren niet zo slecht als de sombere Adenauer vreesde, maar begrijpelijk is toch dat in geen land zo is nagedacht over als post-nationalisme opgevatte Europese integratie als in Duitsland. In geen land heeft het ideele enthousiasme over de Europese Gemeenschap zo lang stand gehouden als daar - en nog: de integratie van Europa biedt Duitsland een uitweg uit de groeiende nationale macht, biedt uitzicht op een structurele verzwitsering. Bondskanselier Helmut Kohl zei onlangs: “Mijn taak voor Duitsland is de trein naar de Europese Unie op de rails te zetten en in de juiste richting te laten rijden. Het tempo vind ik onbelangrijk, maar de gebeurtenis moet onomkeerbaar zijn. Daar gaat het om.” Een echo van Adenauer 1954 valt amper te ontkennen. Maar met of zonder integratie - het Duitse gebied lag een halve eeuw aan de periferie en het ligt nu in het centrum. Termen als Oost en West, als neutraliteit hebben geen betekenis meer en als Europa integreert dan is het om Duitsland heen en met een hoger Duits soortelijk gewicht. Duitsland heeft tegelijk met zijn weer klassieke Mittellage in Europa het geweldige probleem dat het enerzijds moet integreren en anderzijds moet accommoderen met oosterburen waar het nationalisme als bevrijdende kracht juist hoogtij viert. Vooral dit laatste Duitse probleem wordt in West-Europa ieders probleem. Wat betekenen deze ontwikkelingen rondom ons heen voor Nederland? De aangename speelruimte in het vrije veld van deze driehoek wordt kleiner en kleiner want de drie hoeken naderen elkaar en de politiek-militaire paraplu boven de Nederlandse soevereiniteit wordt kleiner. Of het nu gaat om overleg in de industriele topgroep van de G7-landen, om overleg in de IMF-wandelgangen, in bilaterale ontmoetingen, of dat het gaat om partij-politieke toenadering (denk bijvoorbeeld aan de aansluiting van de Tories bij de Europese Volkspartij), de drie weten elkaar te vinden of hebben in elk geval het gevoel dat ze elkaar nodig hebben. De ruimte die overbleef in tijden dat de een er een dagtaak van maakte om de ander dwars te zitten, die ruimte is er niet meer. Nederland heeft dat bij Europees ministerieel overleg het laatste jaar al een paar keer op pijnlijke wijze moeten ontdekken. De strijdvaardigheid van de Nederlandse minister Van den Broek is hierdoor weliswaar juist toegenomen, in de geest van wat Heldring dertig jaar geleden al eens het Nederlandse 'klein-maar-dapper-syndroom' heeft genoemd, maar aan de werkelijkheid van het hoofd stoten doet dat weinig af. Dat is af en toe overigens geen ramp, want voor goede zaken mag en kan in Europa wel degelijk worden geknokt, maar het gaat om de ruimte die hiervoor overblijft. En die is niet zo groot. Hans van Mierlo heeft ooit gezegd dat de Nederlanders het continent eens en voorgoed de rug hebben toegekeerd nadat ze zich eenmaal van de Spanjaarden hadden bevrijd. Van Mierlo is een nostalgische francofiel en een Brabander voor wie zeevaart een afstandelijk begrip is gebleven en hij overdreef dus ook.* Maar feit is dat Nederland een lange maritieme traditie heeft: Midden-Europa begon bij Lobith, Zuid-Europa bij Wuustwezel. De feitelijke ontwikkeling van de laatste decennia is een andere. Nederland heeft geen kolonien meer, het Britse EG-lidmaatschap heeft de Nederlandse bewegingsvrijheid verkleind en de Europese economische entiteit heeft onze actieradius meer op het continent geconcentreerd. Aardgas verkoopt Nederland aan EG-partners op het continent en als supermogendheid in landbouwproduktie heeft Nederland intensievere banden met de Europese omgeving gekregen. Groente en fruit bederven snel en afzet om de hoek is dus het beste. Over deze ligging, of liever: over de plaats en rol van Nederland, heeft decennia lang in Nederland een dispuut voor liefhebbers en fijnproevers gewoed tussen Atlantici en Europeanen. De eersten hadden en hebben het steeds over het Atlantisch bondgenootschap, de anderen wijzen almaar op de Frans-Duitse as waar Nederlanders op zouden moeten gaan zitten om te kunnen meerijden. In termen van verlies en overwinning heeft het einde van de Koude Oorlog de Atlantici geen goed gedaan. Ook de verschuiving van de economische stromen heeft de Europeanen een paar pluspunten gebracht. De emancipatie van het katholieke volksdeel en zijn numerieke sterkte zou men met wat goede wil aan de score van de Europeanen kunnen toevoegen. Voor zover althans het calvinistische volksdeel altijd enige huiver tegen dat Vaticaanse Europa van de Adenauers en de Gasperi's heeft gekoesterd. Maar toch is dit hele theologische dispuut tussen Atlantici en Europeanen inmiddels hooguit sociologisch interessant, en nauwelijks relevant voor de vraag hoe het staat met Nederland en Europa. Van groter belang is de normatieve kracht van de feiten - en een zo'n feit is dat Europa zich hier meer en meer manifesteert. De Nederlandse houding ten opzichte van Europa weerspiegelt deze ontwikkeling. Naast het traditionele, idealistisch getinte Europa-enthousiasme van bewegingen was er in de jaren tachtig een ware Euro-euforie ontstaan in Nederland. Het aangeslagen Europa van de lethargie en de eurosclerosis begon toen weer overeind te krabbelen. De 'baby-boom'-generatie kwam er aan om het vermoeide continent nieuw elan te geven. Dat kwam menigeen in Nederland ook goed uit, want Nederland was als geen ander land verbureaucratiseerd. De 'Dutch disease' van potverteren in plaats van investeren, van overbelaste verzorgingsstaat en anti-ondernemersland had zodanig toegeslagen dat Nederland er een internationale faam mee had verworven. Het Europese industrieel-economische elan, aangejaagd door een Europese Commissie die het momentum vastpakte met besluitvaardigheid, logo's en slogans, was voor menigeen in Nederland een soort bevrijding. Dankzij 'Europa 92' en met verwijzing naar 'Brussel' konden Haagse politici plotseling schoon schip maken met allerlei achterhaalde inheemse zeden en gewoonten en hier en daar konden uitwassen uit het lang vervlogen ideaal van de maakbare samenleving worden gekapt. Dat Euro-enthousiasme bestaat hier nog steeds, maar het heeft een formidabele tegenkracht ontwikkeld. Gemakshalve zou je de beide krachten kunnen splitsen in Bevrijders en Patriotten, al deugt de parallel met tweehonderd jaar geleden natuurlijk niet. De bevrijders willen dit land van zijn nationale corsetten bevrijden, de patriotten zien in het opdringende Europa een bedreiging voor nationale eigenheid, cultuur en soevereiniteit. De patriottische beweging is eigenlijk pas iets van de laatste tijd als men tenminste de kleine conservatief-religieuze partijtjes buiten beschouwing laat, want die hadden al heel vroeg in de gaten dat de drievuldigheid God-Vaderland-Oranje door zoveel transnationale verwatering in het nauw kon geraken. Het onbehagen is nu breder. Mensen beseffen dat achter allerlei ogenschijnlijk technische Brusselse dossiers reusachtige cultuur-chirurgische ingrepen schuil gaan en dat het menens dreigt te worden. Zoiets ingewikkelds als fiscale harmonisatie betekent in de praktijk dat Nederland zich aan andere belastingstelsels moet aanpassen. En aangezien een belastingstelsel een collectieve cultuuruiting van de eerste orde is, betekent aanpassing iets heel ingrijpends. Ook de verzorgingsstaat op z'n Nederlands staat op de tocht als de deuren opengaan. Het is niet toevallig dat de belanghebbende overheidsbureaucratie in Den Haag en sommigen in de Partij van de Arbeid zich op dit moment met hand en tand verzetten tegen elke poging de integratie van sociale stelsels enigszins in geordende Europese banen te leiden. Thijs Woltgens: “Het vooruitzicht dat Nederland zijn soevereiniteit bijna geheel zou overdragen aan Brussel beangstigt me. Het perspectief van de genivelleerde Europeaan lijkt me ook weinig aantrekkelijk.” Vergelijkbare zorgen zijn er bij de harmonisatie van justitiele en politiele activiteiten. Vrij personenverkeer in de Gemeenschap dwingt tot gezamenlijkheid. Maar nu het zover is schrikt de Nederlandse politie- en juristenwereld, want gezamenlijkheid betekent plotseling ook en vooral dat Nederland zich moet schikken. Lang gekoesterde en waardevolle nationale mores in de relatie tussen individu en staat dreigen in het gedrang te komen. Hoewel in alle enthousiaste Europa-paragrafen van partijprogramma's er steeds gemakshalve van was uitgegaan dat de rest wel zo zou willen worden als Nederland, blijkt de werkelijkheid wat anders. Ook in culturele kring groeit argwaan tegen internationalisatie. De geprikkeldheid in het Nederlandse taaldebat is - los van de merites van de diverse opinies - een signaal dat men zich bedreigd voelt. De omroepverenigingen, bestuurders en leden, spartelen tegen terwijl de internationale wetten van smaak en stijl, van commercie en jurisprudentie deze restanten van Nederlands eigenheid langzaam maar zeker het museum in drukken. En zelfs het bedrijfsleven dat de mond vol heeft van internationalisatie gedraagt zich de laatste tijd defensief. Reuzenfusies als tussen ABN en AMRO en tussen NMB en Nationale Nederlanden worden defensief verdedigd met verwijzing naar het aanstormende Europa. Europa niet als uitdaging, maar als bedreiging waartegen nationale fusies als verdedigingsforten kunnen dienen. Waarom geen fusies over de grenzen heen, zo kan men zich afvragen, of betekent dat misschien al te zeer opgeven van eigen, nationaal vertrouwde macht, zelfstandigheid en bedrijfscultuur? Er is kortom sprake van een botsing tussen Bevrijders en Patriotten, tussen degenen voor wie Europa een panacee is om de frisse wind te laten waaien en degenen die de vanzelfsprekendheid van het nationale houvast zien aangetast. De tegenstellingen lopen dwars door alle partijen heen en menig individu zal de tegenstelling ook in zichzelf ontdekken. De ware Patriotten zijn uiteraard de ware machthebbers in Nederland en dat zijn de grote overheidsbureaucratieen, deze ambtelijke gletsjers die ongeacht de dienstdoende coalitie altijd doorschuiven. Maar zelfs deze gletsjers zullen merken wat staatssecretaris Dankert een tijdje geleden zei: “Het totstandkomen van de interne markt leidt tot een enorm verlies van nationale soevereiniteit op allerlei gebieden, zoals het milieu en de sociale zekerheid, want er gaat rechtstreekse concurrentie optreden. Dat heeft men nog onvoldoende in de gaten.” Einde citaat. Dit verlies aan nationale soevereiniteit is het dominerende gegeven. In het debat over Europa gaat het daar natuurlijk niet zo openlijk over en dat kan ook moeilijk, want een gevoel van machteloosheid cultiveren leidt tot niets, hooguit tot wrok. Daar hoeft het ook niet om te gaan, want Nederland kan mits het uit zijn defensieve schulp kruipt wel degelijk een rol spelen, het proces benvloeden op een manier die Nederlandse betrokkenen, dat wil zeggen groepen en regio's, welgevallig is. En dus is het ook wel degelijk van belang dat Nederland knokt over de modaliteiten van het integratieproces. Een communautair Europa wordt het voorlopig niet, een intergouvernementeel Europa ook niet en een Europa met een hegemonie evenmin, hooguit misschien op monetair terrein een beetje met de sterke positie van het gebied van de D-mark. Joris Voorhoeve heeft het in zijn recente inaugurele rede in Leiden over “een toekomstig model van verschillende Europese samenwerkingskringen, die elkaar gedeeltelijk overlappen en doorsnijden”, waarbij de dikste lappen op de Benelux liggen, want die zijn het verst met de buitenwereld gentegreerd. Belangrijk voor Nederland is onder meer dat het Europese Parlement wat te zeggen krijgt, want als binnen- en buitenlandse bewindslieden en commissarissen een zwaar stempel drukken ook op het wel en wee van Nederland dan is het pure winst wanneer Euro-parlementariers daar controle op uitoefenen, ook al zijn het merendeels geen Nederlanders. Vreemd genoeg bewijst de Nederlandse regering daaraan ook lippendienst, maar steunt ze bijvoorbeeld een voorstel tot versterking van het parlement niet, als niet tegelijk ook de Commissie wordt opgewaardeerd. (Zie bijvoorbeeld de Bestandsopname van Buitenlandse Zaken van 6 mei jongstleden.) Dat klinkt zuiver, maar het gevolg is dat men misschien geen van beide krijgt - en dat vindt men misschien ook wel het beste: is de angst voor Europa groter dan menigeen toegeeft? De Europese integratie is een proces met velerlei, niet altijd even efficiente 'checks and balances'. Dat proces kan Nederland benvloeden, maar het idee dat met een Mister-Njethouding het proces zelf te keren is, is een illusie. De internationalisatie en de transnationalisatie zijn immers al veel langer aan de gang dan de opeenvolging van politiek-diplomatieke aktes en conferenties doet vermoeden. De greep van politici en overheidsbesluiten op zo'n ontwikkeling is gering. Nederland is eerder, met name in de jaren vijftig en zestig, al eens door een proces van aanpassing aan de wereld gegaan. Wetenschappers hebben dat proces wel aangeduid als een 'koele modernisering', waarbij Nederland in navolging van de rest van de Westerse wereld een consumptieland werd, waarin de industrialisatie de sociaal-culturele verschillen tussen stad en platteland deed vervagen, waarbij Amerikaanse gedragswetenschappen en Anglo-Amerikaanse massacultuur hun intrede deden. Ook die 'koele modernisering' heeft een enorm verlies van eigenheid, zo men wil identiteit, met zich gebracht. De nieuwe fase van de Europese integratie is zo beschouwd niet veel meer dan een nieuwe stap, maar dan wel een grote met kwalitatieve gevolgen - een stap die achteraf weleens zou kunnen zijn neergekomen op een revolutie. In dat proces bevindt Nederland zich. De Bevrijders hebben wat dit betreft de loop van de geschiedenis aan hun kant. Een herhaling van de jaren twintig, waarin een krachtig verzuild christelijk Nederland de invloed van de buitenwereld, van 'roaring twenties' en 'goldener zwanziger Jahre' geheel buiten de deur wist te houden, is allang niet meer mogelijk. Maar onbehagen produceert de verwatering van soevereiniteit wel, nu het menens wordt. Want is het Nederlandse probleem niet eigenlijk dat dit land misschien nog wel in staat zou zijn om geestdriftig op te gaan in een groter ideaal, maar niet in een groter geheel?

* Dit beeld is van Sam Rozemond in zijn verhelderende boekje 'Nederland in West-Europa - Een plaatsbepaling', Den Haag, 1987, p. 8

Dit artikel is een bewerking van een voordracht voor het congres van de Europese Beweging Nederland van 15 juni jongstleden.