Het grote Schengenland bestaat eigenlijk al

Het Akkoord van Schengen bevat vergaande regelingen voor grensoverschrijdend politie-optreden. Maar hoeveel nieuws biedt 'Schengen' eigenlijk? “Als je criminelen achtervolgt en je wilt echt iets te weten komen over hun doen en laten, kun je bij de grens ophouden, maar je kunt ook doorkachelen. Dat gebeurt allang, Schengen schept er nu een rechtsgrond voor.”

Het is 1 januari 1993. Alle deelnemende landen hebben de Uitvoeringsovereenkomsten bij het Verdrag van Schengen ondertekend en geratificeerd. De personencontrole aan de binnengrenzen is weggevallen: het grote Schengenland, bestaande uit Frankrijk, Duitsland, de Benelux, Italie, Spanje en Portugal, is een feit. Op de snelweg bij Aken houden Duitse autoriteiten (politie-agenten en voormalige douaneambtenaren) bij een verkeerscontrole de Nederlander Harm D. staande. Sinds de afschaffing van de grenscontrole zijn verkeerscontroles in de buurt van de grens aanzienlijk toegenomen. Harm D. moet zijn papieren tonen en zijn gegevens worden ingevoerd in de computer. De terminal is onderdeel van het Schengen Informatie Systeem: het internationale, geautomatiseerde opsporingsregister van de Schengenlanden. Het systeem kent de naam Harm D. Hij wordt gezocht in Nederland wegens handel in verdovende middelen en de opdracht luidt: aanhouden en uitleveren. Maar net als de Duitsers tot actie willen overgaan, geeft de Nederlander gas. Hij ramt de wegafzetting en rijdt met grote snelheid in de richting van de Nederlandse grens. De Duitsers zetten de achtervolging in, maar de auto van D. is sneller. Hij passeert de Nederlandse grens. Ook de Duitsers passeren de grens, waarschuwen over de radio hun Nederlandse collega's, en arresteren D. uiteindelijk na een kort vuurgevecht in het centrum van Kerkrade. Direct na zijn aanhouding wordt D. overgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten. Zo ongeveer zou een staaltje internationale politiesamenwerking bij de bestrijding van criminaliteit er dank zij 'Schengen' kunnen uitzien. Advocaat-generaal mr. P.H.A.J. Cremers van het Arnhemse gerechtshof vindt de gevolgen van Schengen echter niet zo spectaculair. De meeste van de zaken die in de Uitvoeringsovereenkomst worden geregeld, gebeuren volgens hem ook nu al. Zo zijn er bepalingen opgenomen over de samenwerking tussen rechterlijke instanties. Cremers: “Maar we werken allang samen. Als ik ergens in Duitsland huiszoeking wil doen, zoek ik contact met de Duitse rechter-commissaris. De betreffende bepalingen in de Uitvoeringsovereenkomst verwijzen ook gewoon naar de oude verdragen over internationale rechtshulp.” Schengen regelt verder de grensoverschrijdende observatie van verdachte personen. Maar ook dat is niets nieuws voor de politie-ambtenaren uit de diverse Schengenlanden. “Als je criminelen achtervolgt en je wilt echt iets te weten komen over hun doen en laten, kun je wel bij de grens ophouden, maar je kunt ook doorkachelen”, zegt Cremers, “Dat gebeurt allang en Schengen schept er nu een rechtsgrond voor.” Niet dat de politie op dit moment onrechtmatig handelt, haast Cremers zich eraan toe te voegen. Observatie kan ook nu al met toestemming van het betreffende buitenland en die toestemming kan zelfs achteraf gegeven worden. Cremers: “Het voordeel van de afspraak is dat de autoriteiten nu van tevoren weten wanneer er toestemming is en wanneer niet. Dat geeft rechtszekerheid.” In het verleden zijn er herhaaldelijk incidenten geweest met Duitse opsporingsambtenaren die opereerden in strijd met de Nederlandse wet. De Arnhemse advocaat-generaal zegt in het algemeen dat hij op de hoogte wil zijn van de bewegingen van buitenlandse opsporingsambteren in Nederland. “Zij komen hier, en ik wil dat weten. Ik beschouw het verdrag dus als een vooruitgang, want nu kan ik ze op hun vestje spugen als ze het niet melden.” Nog dit najaar zal een landelijk officier van justitie worden benoemd die het aanspreekpunt moet zijn voor buitenlandse opsporingsdiensten. Ook de informatie-uitwisseling tussen politie en veiligheidsdiensten van de verschillende Schengen-partners bestaat allang en zonder enig internationaal verdrag. Een van de kanalen hiervoor is het wereldwijde netwerk van de International Police Association (IPA), een gezelligheidsvereniging waar honderdduizenden politiemensen over de hele wereld lid van zijn. Een IPA-lid, oud-medewerker van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), zegt graag gebruik te hebben gemaakt van de diensten van zijn buitenlandse collega's. “Als je snel even iets wilde weten over iemand, dan belde je met een kennis bijvoorbeeld bij de Duitse politie. Dat was zo voor mekaar. Later breide je het ook nog eens via de hierarchische kanalen recht.” Het achtervolgen van verdachten om ze te arresteren, zoals dat in het voorbeeld met Harm D. gebeurt vanuit Duitsland, is wel nieuw. Bovendien is het een beladen onderwerp dat nauw verbonden is met ideeen over de nationale soevereiniteit en met herinneringen aan de bezettingstijd. Een hoge Nederlandse politiefunctionaris zegt het zo: “Als ik in Nederland opgepakt word, wil ik dat het door landgenoten gebeurt.” Het is dan ook verboden dat mensen die door de Duitsers in Nederland worden gepakt mee terug worden genomen naar Duitsland. En daarom zullen de Duitsers naar verwachting straks niet verder dan tien kilometer over de grens mogen doorrijden. Zelf zijn de Duitsers veel guller: buitenlandse opsporingsautoriteiten zijn bij achtervolgingen op het hele Duitse grondgebied welkom. De Belgen denken eerder aan het stellen van een tijdslimiet: een achtervolging mag tien minuten op Belgisch grondgebied worden voorgezet. Overigens zijn achtervolgingen door Belgische politieambtenaren op Nederlands grondgebied al mogelijk in Benelux-verband. Het komt alleen sporadisch voor. Cremers, die vijf jaar werkzaam was in Maastricht, herinnert zich maar een geval waarbij Belgische rijkswachten een Nederlander tot in het centrum van de stad achterna zaten en arresteerden. Het is de vraag of Harm D. deze eeuw nog zal worden gearresteerd door agenten van een zelfstandig, Europees politiekorps. De Duitsers zijn als enigen voorstanders van zo'n Europol-korps. De Duitse minister van binnenlandse zaken van de bondsstaat Noordrijnland- Westfalen, dr. Herbert Schnoor, pleitte onlangs nog op een congres in Venlo voor zo'n supranationaal politiekorps, samengesteld uit agenten van de verschillende landen en op den duur bevoegd om in alle aangesloten landen op te treden. Dit idee wordt door Nederlandse beleidsmakers in alle toonaarden verworpen. Nederland stelt zich, vooralsnog, op het standpunt dat er geen onafhankelijke, democratisch niet gecontroleerde politie mag komen. Maar ook zonder Europol brengt Schengen een revolutionair element in de samenwerking van de politie: het Schengen Informatie Systeem (SIS). Dit systeem moet ongewenste vreemdelingen buiten houden, maar een andere hoofdtaak is de functie van internationaal opsporingsregister. Het informatiesysteem wordt alom gezien als de belangrijkste compenserende maatregel voor het wegvallen van de controles aan de binnengrenzen van de landen die samen Schengenland vormen. Nederland heeft verklaard het inrichten van een dergelijk opsporingsregister te beschouwen als een noodzakelijke voorwaarde voor de uitvoering van het verdrag. Het informatiesysteem moet het eerste internationale, geautomatiseerde overheidssysteem worden voor 'on line'-gegevensverstrekking over personen en gestolen goederen. Wat het systeem uitzonderlijk maakt is, dat aan de gegevens opdrachten tot handelen zijn gekoppeld: in het voorbeeld kwamen de Duitse autoriteiten tegen Harm D. in het geweer op bevel van het SIS. “Het systeem bevat een nieuwe titel op grond waarvan iemand van zijn vrijheid beroofd kan worden”, zegt mr. A.E. de Vries, hoofd van de afdeling bestuurlijke en juridische zaken van de directie politie van het ministerie van binnenlandse zaken, “Iemand kan straks worden aangehouden voordat hij volgens Nederlandse regels een verdachte is en voordat er een uitleveringsverzoek ligt. Het Schengenverdrag is daarom ook zo belangrijk: het schept nieuwe bevoegdheden.” Het SIS is een netwerk van nationale databestanden die onderling met elkaar in verbinding staan via de centrale computer die op dit moment gebouwd wordt in Straatsburg. De Nederlandse tak van het opsporingssysteem wordt nu gemaakt door de Centrale recherche informatiedienst (CRI) in Den Haag. Cruciaal voor de internationale functie is dat de bestanden identiek zijn. Het systeem levert behalve over gestolen goederen ook gegevens over vijf categorieen mensen: personen van wie door een der Schengen-landen uitlevering wordt gevraagd, vreemdelingen aan wie toegang tot het Schengen-gebied is ontzegd en vermiste personen of mensen die “ter bescherming van zichzelf” voorlopig moeten worden opgesloten (minderjarigen). Verder kunnen worden gesignaleerd: mensen die gehoord moeten worden als verdachte of getuige in een rechtszaak en personen die moeten worden gecontroleerd of onopvallend moeten worden geobserveerd. Het informatiesysteem is alleen al door alle problemen rond de bescherming van de privacy een van de meest omstreden onderdelen van het Schengenverdrag. Maar er zijn ook een aantal praktische haken en ogen. “Het SIS is een prachtig bouwwerk,” zegt de Vries, “Op papier althans.” De Vries weet waar hij het over heeft: hij was ooit samen met een collega van justitie aangewezen ter interne beoordeling van automatiseringsprojecten bij de politie. Destijds waarschuwde hij de verantwoordelijken voor valkuilen, nu doet hij het weer. Het SIS zou op zichzelf “een vrij eenvoudig” systeem zijn waarvan de bouw zonder veel problemen zou kunnen verlopen. De Centrale recherche informatiedienst wil echter gelijktijdig twee andere nationale systemen, het Opsporingssysteem (OPS) en de regionale Herkenningsdienstsystemen (HKS) bij die operatie “meenemen”. Op zich lijkt het geen slecht idee om iets te doen aan het Opsporingssysteem. Eerder deze maand bleek uit het jaarverslag van de CRI over 1990 dat een derde van de in het Opsporingssysteem geregistreerden ten onrechte gezocht werd - en dus ook ten onrechte kon worden aangehouden. Het is dus geen wonder dat De Vries moeilijkheden voorziet. “De CRI moet zich concentreren op SIS en geen vertaalslag gaan maken voor andere systemen. Dat kan later altijd nog wel.” Tijdens een grote Schengen-conferentie, twee weken geleden in Ede, wees de Haagse officier van justitie mr. A. Couzijn op een bizar gevolg van de systematiek van het internationale opsporingssysteem: “Nederland zal straks al die Duitse studenten die begin jaren zeventig met een vlag liepen te zwaaien en daarom volgens de Duitse autoriteiten potentiele terroristen zijn, moeten gaan arresteren. Stel dat Frankrijk daarbij alle gestolen auto's in het systeem stopt ongeacht de waarde en dat andere landen er ook nog zo wat eigenaardigheden in stoppen, dan zet de Nederlandse diender de knop om.” Volgens Couzijn wordt de wet niet in “Brusselse binnenkamers” gemaakt maar “gewoon op straat”. Het oude gebouw van de Centrale recherche informatiedienst (CRI) aan de Raamweg in Den Haag zoemt als een bijenkorf voor de bruidsvlucht van de koningin. De justitiele politiedienst reorganiseert. De CRI is aangewezen als “de centrale nationale autoriteit belast met de internationale samenwerking”. De binnenplaats van het complex is volgebouwd met bouwketen van twee etages waarin de nieuwe, sterk groeiende internationale tak is gehuisvest. “Schengen is voor ons een groeimarkt”, zegt CRI-hoofd J. Wilzing gekscherend. De Nationale verbindingsschakel wordt in deze periode met negentig mensen uitgebreid. “Dat is allemaal exogeen gefinancierd,” benadrukt Wilzing, om geen scheve ogen te krijgen van de om geld en manschappen schreeuwende Nederlandse politiekorpsen. Er is extra geld gekomen van Financien. Het budget van de CRI is mede door de internationalisering en alles wat dat met zich meebrengt, toegenomen van dertig miljoen 1988 tot honderd miljoen op dit moment. Dit jaar nog komen er in verband met Schengen contactambtenaren in Duitsland, Frankrijk, Spanje, Belgie en Turkije. Dat laatste land is wel geen Schengen-lid maar “belangrijk voor de bestrijding van de verdovende-middelencriminaliteit”. Voor het eerst krijgt de recherche informatiedienst ook vooruitgeschoven posten in eigen land: in Assen, Enschede, Eindhoven, Rotterdam en Amsterdam. Zo zijn de vijf ressorten, de bevoegdheidsgebieden van de gerechtshoven “afgedekt”. “Maar we zitten op de politiebureaus waar het werk zich aandient en omdat we geen behoefte hebben aan een gerechtelijke politie, zoals de Amerikaanse FBI”, zegt Wilzing. De CRI bouwt ook het Nationaal Schengen informatiesysteem. Maar de folder van de recherchedienst meldt onder het kopje systeembeheer trots: “De CRI beheert het Opsporingssysteem (OPS), het vingerafdrukkensysteem (HAVANK), het Herkenningsdienstsysteem (HKS), en het Nationaal Schengen informatiesysteem.” 1 januari 1993 is bij de CRI allang begonnen.