Hannes loopt nog steeds op klompen

Brabantse klompenmakers en hun geschiedenis, door C.A. Verkuylen, uitgeverij Prinseneiland Amsterdam, prijs 25.00.

De buurtschap heet de Vleut en ligt in het Brabantse Best. Een voor meer Meierijsche dorpen kenmerkend driehoekig pleintje met huizen er omheen. In het schitterende coulisselandschap de populieren; of zoals ze hier zeggen: de 'canidassen'. Dan de Broekdijk. Daar staat een boom, die vol is gehangen met klompen in vele kleuren en maten en daar is ook het klompenmuseum De Platijn.

Het museum is van de drie gebroeders Van Laarhoven, klompenmakers sinds 1850. Tot 1960 was de Broekdijk nog een zandweg. Dat was in de dagen dat de populieren nog met de mallejan naar de klompenmakerij werden gesleept en vader Van Laarhoven in het dagelijks taalgebruik veel spreuken met het voorwerp zijner stiel aanduidde. Als hij op huis aanging, dan zei hij dat hij “de klompen maar eens thuis ging brengen”. Om maar meteen aan alle twijfels een einde te maken zegt Harry, de schilfers van het uitbeitelen van de klompen in de haren: “Het gaat hartstikke goed in de Nederlandse klompenindustrie. We eten en drinken er van en zo af en toe kan ik me een sigaar permitteren.” Maar wat heet 'af en toe': vijftig in de week, dikke bolknaks van Hofnar, goedkoop gekocht wegens de miskleur. “De toekomst ziet er goed uit op voorwaarde dat er voldoende populieren overblijven.” Alleen bij het kappen van populierenbossen bestaat een herplantplicht. De Nederlandse klompenmakers willen daarom dat de Boswet wordt gewijzigd, zodat de plicht ook voor 'losstaande' populieren gaat gelden. Boeren zijn tegenwoordig de bomen liever kwijt. Dan kunnen ze op die plaats weiden maken voor hun vee. Gisteren werd in het klompenmuseum het door de Brabander C.A. Verkuylen geschreven boekwerkje Brabantse klompenmakers en hun geschiedenis gepresenteerd. Het telt 60 pagina's en geeft de ontwikkelingsgang van de eens zo bloeiende Brabantse en Nederlandse nijverheid weer. Niet dat je de klompen er van uitvallen, maar Verkuylens werkje is wat magertjes uitgevallen. Er zijn diepgravender boeken verschenen, onder meer van F.J.M. van Puyenbroek, directeur van het Arnhemse Openlucht Museum. Verkuylen is met zijn beschrijving niet veel verder gekomen dan 1977. Maar de instructieve illustraties maken veel goed. De klompenindustrie anno 1991 kan men klein maar fijn noemen. Het aantal bedrijven, voor de helft eenmanszaken, in heel Nederland is 35 met samen ongeveer 200 werknemers. Er zijn nog drie grotere bedrijven in Liempde, Sint-Oedenrode en Zwolle. Die maken voor de helft souvenirklompen. Vijftien jaar geleden waren er nog zo'n 100 bedrijven. Vlak na de oorlog nog 1800, goed voor een produktie van 9 miljoen paar. Er waren toen nog knechten die in vakbonden waren georganiseerd, maar dat ras is aan het uitsterven. De 35 bedrijven maken per jaar 3,5 miljoen paar, waarvan de helft bestaat uit wat wordt genoemd draagbare klompen. Die kosten in de winkel gemiddeld 15 gulden per paar. De andere helft zijn eveneens souvenirklompen. De gebroeders Van Laarhoven maken per jaar tussen de 35.000 en 40.000 paar draagbare klompen. Daar gaat 750 kubieke meter populierenhout aan op. De produktie is de laatste jaren stabiel. Van Laarhoven maakt twee types. Dat zijn de rondvormige Bossche klomp en een wat spitserse die het type Enter (genoemd naar Enter in de Achterhoek) het meest benadert. Maar in het museum zijn nog andere typen te zien, zoals de Twentse Punt, de Friese Schuit, de Marker, de Alkmaarder vissersklomp en de smokkelaarsklomp. Het loopprofiel van deze laatste klomp is omgekeerd: dat was om de douane op een dwaalspoor te brengen. Pronkstuk van het museum is een grote collectie houten schoeisel uit Japan. Verder klompen in velerlei soort, waaronder een paar rolschaatsklompen met inklapbare wieltjes en klompen met neuzen, die met een touwtje open en dicht kunnen worden geklapt en die worden gebruikt door klompendansgroepen. De nog bestaande klompenfabrieken werken bijna uitsluitend machinaal. Sommige zijn zelfs volledig geautomatiseerd. De klompen worden voornamelijk gemaakt uit populierenhout: nog een enkele keer uit wilgenhout. Populierenhout heeft de eigenschap snel te groeien. In 25 tot 30 jaar is de boom volwassen en dus kaprijp. Populierenhout bestaat voor 60 procent uit water. Van Laarhoven pakt een klomp in bewerking, blaast ter hoogte van de kap erop en er komt een guts water uit. In Brabant was de klompenindustrie voornamelijk geconcentreerd in Best, Liempde en Sint-Oedenrode. Daar groeiden op het drassige land (het 'broek') ook de meeste populieren. Een volwassen populier 'drinkt' per dag tussen de 500 en 1000 liter water: vandaar. In Best zitten nu nog vier klompenmakers. Verder is er in de Achterhoek nog een kleine concentratie. In Sint-Oedenrode werd tot een paar jaar geleden een klompenbeurs gehouden, maar wegens gebrek aan baten van de Nederlandse Vereniging van Klompenfabrikanten is die afgeschaft. Aan gezamenlijke reclame wordt weinig meer gedaan. Volgens bestuurslid H. van der Vleuten van de vereniging (hij is klompenmaker in Liempde met 18 werknemers) zal de beurs nieuw leven worden ingeblazen. Ook zijn er plannen voor een scholingsprogramma. Van der Vleuten: “Het probleem met de financien is dat maar de helft van de bedrijven is georganiseerd. De anderen zijn niet bereid om de 2 centen per paar af te dragen als contributie. Niks ten kwade van Van Laarhoven, maar die is ook niet bij de vereniging aangesloten. Dat is jammer. Anders konden we vaker aan de weg timmeren.” De afnemers van de klompen zijn boeren, maar ook burgers en buitenlui. Er zijn volgens Van Laarhoven steeds meer kinderen op klompen. “Die vraag zal wellicht nog groeien, want men ziet in dat voor een voet niks gezonder is dan een klomp. Het voetbed geeft de voet op de juiste plaats steun en masseert hem permanent. We krijgen vaker mensen die wegens rugklachten door de dokter zijn gestuurd. De klomp ademt. Je moet de voeten eens ruiken van iemand die de hele dag in rubber laarzen heeft gelopen. Na het dragen van de klomp valt er niks te ruiken.”