Groots doen over een kleine taal is hinderlijke aanstellerij

Al meer dan zestig jaar verheug ik mij in mijn Nederlands staatsburgerschap. Eerst onbewust, later bewust. Je hebt wel eens een slechte dag en dan bekruipt je het gevoel dat je jaren geleden toch maar beter op die aanbiedingen van goede Amerikaanse universiteiten had kunnen ingaan. Maar uiteindelijk vind je troost in de niet bijster oorspronkelijke gedachte dat het overal wat is. Bovendien de volgende dag schijnt de zon weer, meestal figuurlijk, soms letterlijk.

Waarom ben ik eigenlijk met genoegen Nederlander? Zelden stel ik me zo'n vreemde vraag maar soms ziet ik me gedwongen mij met zo'n vraag te vermoeien. Dat is het geval wanneer ik stukken lees waarvan de strekking is dat Nederland wat meer werk moet maken van zijn cultuur, er trotser op moet zijn en vooral meer energie en geld moet steken in het promoten van die cultuur, in binnen- en buitenland (zie het interview met H. Pleij, maandag 24 juni in deze krant). Er begint dan iets in mij te borrelen en dat geborrel resulteert in het zekere weten dat ik het daarom zo leuk vind in ons land omdat we juist niet zo groots zijn met en geexalteerd doen over onze taal en cultuur. Nemen we eerst eens onze taal. Die is volstrekt onmisbaar, voor ons althans; en in dat laatste schuilt uiteraard de ellende, want met de Vlamingen erbij zijn er toch niet veel meer dan 20 miljoen Hollandophonen. Dat is duidelijk niet genoeg om er werkelijk zending voor te bedrijven en de zending die al bedreven wordt, scoort bedroevend. Ik weet het: aan de meest onmogelijke en mogelijke universiteiten in de wereld wordt Nederlands gedoceerd, maar niets wast het feit weg dat ondanks al die hartverwarmende inzet vrijwel niemand mij verstaat als ik na een rit van twee a drie uur oost- of zuidwaarts uit auto of trein stap (om van ander vervoer maar te zwijgen) en per ongeluk mijn eigen Europese dialect gebruik. We moeten die taal ook absoluut niet gaan promoten door zwaar gesubsidieerde cursussen Nederlands, te organiseren door even zovele ruim gesubsidieerde 'Vondel'-instituten in talloze Europese hoofd- en bijsteden. De Alliance Franaise en het Goethe-instituut promoten al decaden lang hun talen en culturen en het resultaat is dat vrijwel geen Hollander fatsoenlijk Duits of Frans spreekt noch overloopt van enthousiasme voor de Duitse of Franse cultuur en leefwijze (soms bekruipt mij de gedachte dat er tot overmaat van ramp wellicht een directe relatie is tussen het Franse cultuurbeleid en de relatieve onbekendheid met enige andere taal onder Fransen, academisch of anderszins). Buitenlandse collega's zeggen wel eens, in een vlaag van goedwillende vriendelijkheid, dat ze het jammer vinden bepaalde publicaties niet in het Nederlands te kunnen lezen; ik raad ze echter steevast af die taal te gaan leren: het loont niet, net zo min als het voor mij lonend is om me in dit kortstondig leven Deens, Noors, Zweeds, Fins of Hongaars eigen te maken. Nederlanders die echt iets te melden hebben - en die zijn er genoeg - doen dat in ieder geval ook in hun internationale voorkeurstaal, hetzij na correctie, hetzij na vertaling door een native speaker. Dat kost bloed, zweet en tranen en een hoop geld maar het is niet anders. Voor ons is het Nederlands een prachtige taal zonder welke we verloren zijn en waarin we, met Pleij, vooral moeten blijven vloeken en gedichten schrijven. Voor alle anderen is het een taal, misschien wel mooi maar lastig en in ieder geval te klein. Groots doen over een kleine taal is een hinderlijke vorm van aanstellerig Calimero-gedrag. De grandeur die Pleij zo graag in onze cultuur erkend zag, zit in ieder geval niet in onze taal; misschien wel in Concertgebouworkest, PSV en de KLM maar daar zorgt men gewoon voor kwaliteit, in welke taal ook. En onze cultuur dan? Dat is een echt probleem. Zonder nu echt flauw te willen doen: wat is eigenlijk cultuur? Het antwoord moet zijn: een mer a boire. Pleij heeft wel een beetje gelijk als hij, onder openhartige verwijzing naar zijn in een Hollandse vlag verpakte, keurige Gooise zoon, opmerkt dat Nederlanders vooral op grootse wijze uit hun bol gaan over een winnend Nederlands voetbalelftal. Ik wil er graag aan toevoegen dat ik bepaald zou glimmen van gezonde nationale trots als Jan Siemerink Wimbledon nog eens zou winnen, al bezit ik niet eens een vlag, laat staan me erin zou wikkelen. Maakt het Concertgebouworkest een fantastische tournee door de USA dan geniet ik nog meer van mijn staatsburgerschap dan ik al doe; idem dito voor het Nederlands ballet, voor succesvolle oplagen van in een vreemde taal vertaalde Nederlandse bellettrie en voor internationaal scorende Nederlandse films. Een weinig moe word ik echter van al die pleidooien voor grotere waardering voor en diepere beleving van het verleden van onze cultuur. Om te beginnen moeten we langzamerhand eerst eens vaststellen dat het verleden meer en meer verwordt tot wat de Engelse historicus Peter Laslett genoemd heeft “the world we have lost”. Het verleden is interessant - als wij het tenminste interessant maken - maar minder en minder relevant. Dat de Duitsers hun 'Goethe' en de Fransen hun 'Racine' zo oneindig veel meer lijken te beleven en vooral pushen is daarom ook eerder zielig dan navolgenswaard, voorzover het gebaseerd is op een vaak onuitgesproken en in ieder geval wetenschappelijk onhoudbaar continuiteitsdenken. Vervolgens is het dienstig onderscheid te maken tussen de wetenschappelijke bestudering van onze verleden cultuur en het via cultuurpolitiek, dat wil zeggen met belastinggeld populariseren en uitdragen van zowel onze verleden als hedendaagse cultuurprodukten. Wat de wetenschap betreft, het is pure demagogie om te zeggen dat de Nederlanders hun verleden wetenschappelijk verwaarlozen. We moeten eens ophouden met die Schama-truc. Schama's en Huizinga's worden bij toeval geboren en niet gemaakt, laat staat gepland. Uit hun tijdelijke afwezigheid hier te lande af te leiden dat we ons verleden niet au serieux nemen, is even zot als uit de afwezigheid van een Cruyff op onze velden te concluderen dat de Nederlander niet veel meer aan voetbal doet. Er voetballen er nog zat, zowel op de groene weiden als in de archieven en studeerkamers. Pleij vindt dat wij teveel millimeteren in onze geschiedbeoefening en dan vooral nog op economisch gebied. Hij heeft het niet zo op studies over graanprijzen in Holland; ik ook niet. Maar achter die opmerking gaat een gevaarlijke versmalling van het cultuurbegrip schuil. Want 'graanprijzen' staat voor een beetje prendustriele historicus zo ongeveer gelijk aan 'de economie'; en die economie speelt een hoofdrol in de discussie over de vraag hoe geavanceerd de Hollandse wereld in de totale prendustriele Europese wereld eigenlijk wel was. Met andere woorden: Nederlanders mogen wat mij betreft, best nog wat meer aandacht schenken aan de materiele cultuur van hun Republiek maar dat zou vooral in een Europees perspectief plaats moeten vinden. Het gezwijmel over de uniciteit en de grandeur van onze vroegere cultuur (economie inbegrepen) heeft een comparatistische, Europese aanpak broodnodig. De VOC moet geplaatst worden in het kader van het onthutsend geringe percentage goederen dat voor de industriele revolutie uberhaupt de grenzen van de staten in Europa overschreed. Dan blijkt dat er, ondanks al het grandeurachtig gepopulariseer (en vooral 'ge-anachroniseer'), een kloof gaapt tussen de primitiviteit van de VOC en de geavanceerdheid van een moderne internationale zeevaart- en handelsmaatschappij. Niets is gevaarlijker en oppervlakkiger dan te “participeren in je eigen cultuur”, met de onuitgesproken, aprioristische vooronderstelling dat het iets bijzonders is en de directe voorganger van onze industrieel-kapitalistische wereld.