Grieken vrezen Nederland in de rol van Argus

Britse diplomaten zijn bijna euforisch over het komende Nederlandse voorzitterschap, maar de Grieken is het een gruwel. De Duitsers rekenen op een “strenge” en slagvaardige leiding, maar vrezen slappe knieen. De Fransen verwachten meer van premier Lubbers dan van minister Van den Broek. Over hoop en verwachting.

Elk land dat de EG voorzit krijgt in de periode voorafgaand aan de grote datum een soort grabbelton over zich uitgestort. Zo ook Nederland. Reeksen wensenlijstjes zijn de regering gepresenteerd, eisen gesteld, suggesties gedaan, druk uitgeoefend. De permanente vertegenwoordigingen van de elf andere lidstaten in Brussel, de ambassades van EG-landen in Den Haag, de ministeries in de andere hoofdsteden vertellen in diplomatieke termen wat van Nederland wordt verwacht. Zo willen de Duitsers dat Nederland een “streng” voorzitterschap voert, geen tijd verliest, zodat er een “kwalitatieve stap vooruit” kan worden gezet. De Spanjaarden verheugen zich bijzonder op de vier vergaderingen van de ministers van visserij, want ze verwachten hun zin te krijgen van minister Bukman. De Fransen verheugen zich op het optreden van premier Lubbers. Als hij voorzitter van de Europese Commissie wil worden, zal hij op z'n minst een serieuze poging moeten doen de scherpe kanten af te vijlen van de meningsverschillen tussen Den Haag en Parijs. Nederlandse gedachten over Frankrijk berusten trouwens toch veelal op misverstanden, aldus Franse diplomaten in Brussel en Den Haag. Britse diplomaten zijn bijna euforisch over het komende Nederlandse voorzitterschap. In Brussel twijfelen ze er zelfs niet aan dat het “een succes” zal worden. Deze positieve opstelling is niet zo verwonderlijk, want op veel essentiele punten zitten Den Haag en Londen immers op een lijn, in het bijzonder wat betreft de voltooiing van de interne markt. Na Nederland zijn de Portugezen aan de beurt en daarna de Britten zelf, dus dat wordt anderhalf jaar Atlantisch denken in de EG. 'Vernieuwing in continuteit' ('Innovation in continuity') is de titel van het programma waarmee het Nederlandse voorzitterschap zich heeft gepresenteerd. “Dat is een prima titel, die je zou kunnen vervangen door 'Inspiration in consistency”', voorspelt een Britse diplomaat. Een van de grootste Britse frustraties is het gemeenschappelijke landbouwbeleid. De discussie hierover kan volgens de Britten niet onder een beter voorzitterschap dan het Nederlandse plaatshebben. Het landbouwbeleid, dat in 1988 al ingrijpend is gewijzigd om het EG-budget te ontlasten, zal nog nadrukkelijker aan de krachten van de vrije markt moeten worden blootgesteld als de EG het hoofd financieel boven water wil houden. Het Verenigd Koninkrijk is er niet gerust op dat de Ierse landbouwcommissaris, Ray MacSharry, echt bereid is te snijden in de subsidies voor kleine boeren. Misschien lukt dat wel onder zachte dwang van Nederland. Het allerbelangrijkste vindt Londen dat Den Haag duidelijk ziet hoe bang de Britten zijn voor een muntstelsel. Het is spitsroeden lopen voor de Conservatieve regering. Enerzijds wil men kalmpjes aan doen met de monetaire unie, omdat die politiek slecht ligt bij de kiezers, maar anderzijds wil men de aansluiting met de rest niet verliezen. “Als er een Europa van twee snelheden op monetair gebied komt, dan zit Groot-Brittannie in de eerste snelheid”, zegt een hoge Britse diplomaat in Den Haag. “Wij willen van binnenuit bij de discussie betrokken blijven en niet in een situatie van een tegen elf geraken.” De Britse premier, John Major, kan op dit punt maar een ding doen: er de tijd voor nemen en intussen de anti-Europagroep in zijn partij appaiseren met de toezegging dat er nog een apart besluit door het Lagerhuis moet worden genomen voordat dat ene muntstelsel ingaat - en dat het liefst zo laat mogelijk in deze eeuw. Het probleem is dat de andere EG-landen daarmee wel akkoord moeten gaan en dan is het nooit weg als het voorzittende land het wel best vindt. Frankrijk bijvoorbeeld wil de ingangsdatum het liefst nu vastleggen en zal hierover in de komende tijd zeker zware druk op minister Kok uitoefenen. De oordelen zijn, zelfs ontdaan van de diplomatieke zoetigheid die veel diplomaten ook 'off the record' blijven presenteren, voornamelijk vriendelijk en vol verwachting voor en over Nederland. Maar er is een land dat als een berg tegen het Haagse voorzitterschap opziet: Griekenland. Ons land heeft hier al jaren een 'anti-Griekse' en 'pro-Turkse' reputatie. Van tijd tot tijd komen rumoerige krantjes in Griekenland zelfs met oproepen tot boycot van Nederlandse agrarische produkten, oproepen die echter tot nu toe nauwelijks zijn nagevolgd. Het is een publiek geheim dat Nederland van alle lidstaten de meeste bedenkingen had toen Griekenland begin dit jaar de hevig begeerde EG-lening van 2,2 miljard Ecu kreeg. Van dit bedrag is nog maar een miljard uitgekeerd, en voordat Athene in februari volgend jaar de tweede injectie van 600 miljoen Ecu krijgt zal de Griekse economie met argusogen worden bekeken. Nederland heeft als voorzitter de taak in deze zes maanden bij uitstek die rol van 'Argus' te spelen. En dat vindt men in Athene geen prettig idee. Enige relativering van EG-voorzitterschappen in het algemeen komt, zowel in Brussel als in Den Haag, van Duitse zijde. Diplomaten in Brussel geloven dat de rol van de voorzitter in de loop der jaren ingrijpend is veranderd. Vroeger was het nog wel eens zo dat een land de agenda een half jaar lang letterlijk naar zijn hand kon zetten door formele of informele ministerraden te organiseren over bepaalde vraagstukken. Maar daarvan is nu geen sprake meer. “Het land dat voorzitter is wordt eenvoudig meegetrokken in de dynamiek van de Gemeenschap”, luidt de mening van een Duitse diplomaat in Brussel. En die dynamiek wordt gedicteerd door het tijdschema dat is vastgelegd voor de voltooiing van de interne markt en de intergouvernementele conferenties. De verantwoordelijkheid voor Nederland om die 'deadlines' te halen is des te groter omdat, zo menen de Duitsers, het land dat na Nederland aan de beurt is, Portugal, nog nooit voorzitter is geweest en dus geen enkele ervaring heeft en minder is toegerust. Portugal is er doodsbenauwd voor, zo is onder diplomaten te horen, dat bijvoorbeeld de Uruguay-ronde (over tariefbesprekingen) niet zal worden voltooid voor het eind van het jaar. De vorige keer hebben de Portugezen, kort na hun toetreding tot de Gemeenschap, het voorzitterschap overgeslagen. De Duitsers vrezen overigens dat de Nederlanders op een aantal punten minder ambitieus zullen zijn, bijvoorbeeld wat betreft de versterking van de positie van het Europese Parlement. Duitsland streeft ernaar dat in het verdrag over de politieke unie komt te staan dat het parlement zeggenschap krijgt over de ambtsduur van het commissariaat en over het kiezen van de Commissie. Nederland zit op dat punt op dezelfde koers als Italie en Duitsland, maar Duitse diplomaten vrezen dat Nederland aan het eind van het jaar de neiging zal krijgen concessies te doen vanuit de behoefte de zaken nog tijdens het Nederlandse voorzitterschap af te ronden. Aan dat mechanisme ontkomt vrijwel geen enkele presiderende lidstaat. De Spaanse permanente EG-vertegenwoordiger in Brussel, Camillo Barcia, ondersteunt overigens het Nederlandse streven naar een federaal Europa, waarin besluiten bij meerderheid van stemmen worden genomen, door de Commissie worden voorbereid en door het parlement worden beoordeeld. “Onze Europese gezindheid ligt dichter bij die van de zes grondleggers dan bij de gezindheid waarvan sommige van die grondleggers nu getuigen. In de discussie over de toekomstige structuur van de Europese Politieke Unie zijn we voorstanders van de 'boom'-structuur. Die 'tempel'-structuur vinden we een beetje te heidens!” De 'boom' staat in het Euro-jargon voor een Europa met een unitaire structuur, in de 'tempel'-structuur gaat het over drie soorten Europa: de huidige Gemeenschap, de politieke unie en het justitiele Europa. In Franse kring wordt gesuggereerd dat premier Lubbers eigenlijk dichter bij Parijs staat dan minister Van den Broek. Ze gaan ervan uit dat Lubbers, net als Frankrijk, Europese ambities heeft op het politieke vlak. Europa heeft zich op economisch gebied ontwikkeld tot een wereldmacht, maar het gezamenlijke buitenlandse en veiligheidsbeleid moet ook substantie krijgen: het moet zich ontwikkelen tot een “werkelijk onafhankelijke factor van gewicht”. Er zal een einde moeten komen aan de obligate verklaringen die tot dusver in het beraad over de Europese politieke samenwerking worden geproduceerd, want dat zijn niet meer dan 'platitudes'. In de buitenlandse politiek die de Europese Gemeenschap in het kader van de politieke unie gaat voeren, zullen de eigen belangen van de Europese Gemeenschap tot uitdrukking moeten komen, nadat problemen zijn gedefinieerd als Gemeenschapsproblemen. In Franse kring begint men ook geregeld ongevraagd over de kansen van premier Lubbers op het voorzitterschap van de Europese Commissie te praten. Lubbers is volgens hen een man met dermate groot gezag en internationaal gewicht, met zo'n sterke persoonlijkheid ook, dat zijn stem zeer duidelijk wordt gehoord in dat gezelschap van politieke zwaargewichten als Franois Mitterrand en Helmut Kohl. Een kleine restrictie wordt er van Franse zijde nog wel bij gemaakt: de huidige (Franse) Commissie-voorzitter, Jacques Delors, moet er natuurlijk wel mee willen ophouden. Over de opvolging van Delors wordt in Duitse diplomatieke kringen geheel anders gedacht. Waarom geen Duitser? “Met alle respect voor Lubbers, maar het zou goed zijn voor Duitsland als een Duitser van hetzelfde niveau als Lubbers voorzitter van de Commissie zou worden”, gelooft een Duitse diplomaat. “De Duitsers schrikken toch al te veel terug voor internationale verantwoordelijkheid, kijk naar de Golfcrisis. Wij drukken ons te graag.” Een hoge Europese diplomaat in Den Haag, die zijn naam en nationaliteit niet genoemd wil hebben, denkt dat de Fransen de kandidatuur van een Duitser wel eens zouden kunnen steunen als het erop aankomt: om de Duitsers bij de club te houden en bovendien om een tegenprestatie te leveren voor deelname aan de Europese Monetaire Unie.