Een voorzitter met een sterk afwijkende mening

De Financial Times noemde Nederland onlangs ongeschikt voor het EG-voorzitterschap, Den Haag zelf tempert alvast de verwachtingen. En toch: “Elke keer heb je hetzelfde verschijnsel: de ministers zeggen dat ze niets spectaculairs in de zin hebben, maar vrijwel allemaal dromen ze van een doorbraak die tot in lengte van jaren hun naam zal dragen.”

Het Nederlandse voorzitterschap van de EG, dat maandag begint, is belast met een praktisch dilemma. Wat Nederland met de Gemeenschap wil, wijkt op essentiele punten zo sterk af van het gemiddelde en bovendien van wat de grote landen willen, dat het moeilijk wordt te bemiddelen en compromissen aan te dragen zonder de indruk van manipulatie te wekken. En juist in het komend halfjaar moeten, onder Nederlandse leiding, verdragen worden gesloten die de monetaire en politieke koers van de Gemeenschap voor jaren vastleggen. Wat in Engeland als schuttingwoord geldt, het 'F-Word' federalisme, is in Nederland het doel van officiele politiek. Nederland kiest fundamenteel “voor een federaal-communautaire rechtsorde”. Zo staat dat in een van de vele notities die de minister en de staatssecretaris van buitenlandse zaken de afgelopen tijd aan het Binnenhof hebben laten afgeven. De instemming daarmee in de Tweede Kamer is zo evident, dat moties die dit beeld bevestigen niet zozeer tot doel hebben de beide bewindslieden aan te sporen, maar de ambassadeurs van andere EG-landen. Met Frankrijk en Duitsland verschilt Nederland tegelijkertijd fundamenteel van mening over een opwaardering van de club van staatshoofden en regeringsleiders, de Europese Raad. In de Frans-Duitse opvatting moet deze een beleidsbepalend orgaan worden, dat als koepel fungeert van de Gemeenschap, van de politieke en monetaire unie en van het justitiele Europa. Nederland daarentegen ziet in de Europese Raad een symbool van “ouderwetse intergouvernementele besluitvorming”, die vooral een “belemmering voor het streven naar democratisering” vormt. Nederland is bovendien voorstander van een merkbare versterking van het Europese Parlement en van de Europese Commissie. President Mitterrand heeft er alles aan gedaan dit parlementair orgaan met zijn koopkrachtige leden voor Straatsburg te behouden, maar hij denkt er niet aan het politieke bevoegdheden te geven die zijn eigen Assemblee Nationale niet eens heeft. Wat de Commissie betreft, tegenover premier Lubbers en minister van buitenlandse zaken Van den Broek schilderde de president onlangs tijdens een lunch in Parijs met enkele cynische woorden zijn opvatting: Monsieur Delors en zijn collega's “zijn slechts functionarissen”. Londen is weer wel bereid mee te doen met een versterking van het Europese Parlement, maar de Britten huiveren bij het idee van meer bevoegdheden voor de Europese Commissie. Zelfs de Financial Times, spreekbuis van het Britse ondernemerdom, verwierp dezer dagen in een gedegen analyse de Commissie als een “volslagen ondemocratisch lichaam”, waarvan de macht terstond dient te worden ingeperkt. Niets sterke Europese Commissie dus, niets “factor van objectiviteit tegenover de per definitie meer subjectieve invalshoek van de individuele landen”, zoals minister Van den Broek in een rede voor de Europese Beweging dit orgaan bijna dichterlijk typeert. Londen, Parijs en veelal ook Kopenhagen willen geen Commissie die zich langzaam tot Europese regering ontwikkelt. Zij willen blijvend de mogelijkheid behouden om zich te verschuilen achter wat Van den Broek in diezelfde rede misprijzend de “schijnveiligheid van een nationaal vetorecht” noemt. Schijnveiligheid in het bijzonder voor de kleinere landen trouwens, “die weliswaar nee kunnen zeggen, maar ook sterk onder druk gezet kunnen worden”. Aldus nog steeds de Nederlandse minister. Schijnveiligheid, doordat men met een veto wel iets kan tegenhouden, maar niet iets tot stand kan brengen. In een communautaire, federale structuur van gewogen meerderheidsbeslissingen gebeurt dat veel eerder. In dat wegingssysteem hebben kleinere landen, gemeten naar het inwonertal, veel meer gewicht dan grote landen. Nederland heeft 5 stemmen, Duitsland en de andere grote landen 10. De Benelux heeft opgeteld zelfs 12 stemmen, met nog geen derde van het aantal inwoners van het (herenigde) Duitsland. De Financial Times noemde Nederland onlangs praktisch ongeschikt voor het EG-voorzitterschap op dit belangrijke moment, vooral omdat de regering verdeeld is en niet over een strategisch concept beschikt. Het artikel heeft binnen de Haagse 'classe politique' zowel pretoogjes als ergernis bewerkstelligd, vooral doordat op het moment van verschijnen (eind mei) de hoofdrolspelers in de buitenlandsector binnen het kabinet, Van den Broek, Dankert, Lubbers en Kok, juist een werkbaar compromis hadden bereikt over de functie van de Europese Raad, de rolverdeling van NAVO, Westeuropese Unie en EG en de prioriteit van het Atlantisch bondgenootschap op veiligheids- en defensieterrein. Bovendien mist de regering eerder een tactisch dan een strategisch concept. Strategisch gezien willen achtereenvolgende regeringen al jaren hetzelfde met Europa: verdere integratie, opheffing van het democratisch tekort, verbetering van de besluitvaardigheid, meer eenheid en samenhang naar buiten. De laatste jaren is daarbij gekomen: verbreding van de doelstelling buiten het voornamelijk economische om, waardoor de Gemeenschap tot nu toe voornamelijk werd gekenmerkt. Wie de voorbereidende stukken voor het voorzitterschap bekijkt, wie de notities aan de Tweede Kamer leest over Europese Politieke Unie en Europese Monetaire Unie, vindt daarin onophoudelijk en consequent deze doelstellingen terug. De laatste maanden heeft men in het kabinet, onder druk van het naderend voorzitterschap, ook besloten iets aan de tactiek te doen, op twee gewichtige terreinen in het bijzonder: als het over de rol van de Europese Raad en over de mogelijkheid van een Europese 'defensie-identiteit' gaat. Van den Broek, die tot voor kort elke versterking van de Europese Raad verwierp, prijst sinds enige tijd uitvoerig de verdiensten van dat orgaan als “impuls-gever” en “knopen-doorhakker”. Premier Lubbers verspreidt nu de opvatting dat de Europese Raad weliswaar een instelling van regeringsleiders en de Franse president is, maar daardoor bepaald niet ondemocratisch. Het oude Franse streven naar een Europees defensiesysteem, dat zo onafhankelijk mogelijk van Amerika fungeert, wordt door Van den Broek niet meer bij elke gelegenheid meesmuilend in diskrediet gebracht. De minister gaat zelfs al zo ver openlijk te verkondigen dat gestreefd wordt naar een eigen Europees buitenlands politiek- en veiligheidsbeleid en - op termijn - naar een Europese rol op defensiegebied. Deze zinsneden zijn ook opgenomen in een brief die hij samen met minister Ter Beek van defensie naar de Tweede Kamer stuurde. Van den Broek legde er na het verzenden van die brief, toen de genoemde frases voortdurend instemmend werden aangehaald door PvdA-Kamerleden, de nadruk op hier heel bewust van “een rol op defensiegebied” te hebben gesproken, suggererend dat dit op een lager plan stond dan het streven naar een Europees veiligheidsbeleid. Inmiddels kan hij zijn terugtocht daarmee niet meer dekken. In de Duits-Nederlandse verklaring van 4 juni, ondertekend door hemzelf en minister Genscher, wordt eenvoudigweg gesproken van de “ontwikkeling van een Europese veiligheids- en defensie-identiteit” en van het “perspectief van een toenemende Europese verantwoordelijkheid inzake defensievraagstukken”. In Londen heeft men met enige verwondering de wenkbrauwen opgetrokken, zo mogen we uit zeer betrouwbare bron vernemen. Heeft de 'havik' Van den Broek, zoals hij kort geleden om zijn verzet tegen de Europese defensie-identiteit door The Wall Street Journal werd genoemd, zijn stokpaard op stal gezet? Wie R. Riemersma in het boek 'The politics of persuasion' volgt, moet aannemen dat het slechts om een tijdelijke, tactische manoeuvre gaat in een zaak waarin Nederland altijd een wat gesoleerde positie heeft ingenomen. “Door coalities te vormen, andere landen het woord te laten voeren, onderhandelingen op te houden door op meer onderzoek aan te dringen, door toe te geven als verder verzet zinloos was geworden, maar door weer op te veren als er een nieuwe situatie was ontstaan, zijn de Nederlanders er steeds in geslaagd hun hoofddoel veilig te stellen: veiligheidspolitiek dient uitsluitend een zaak van de NAVO te zijn.” Dat schrijft Riemersma. In hoeverre Nederland op dit punt nu toch langzamerhand tot toegeven wordt gedwongen, zal aan het eind van dit jaar in Maastricht blijken, als op de bijeenkomst van de Europese Raad de verdragen over de politieke en monetaire unie worden getekend. Hoe helder of hoe vaag wordt het perspectief voor een Europese verantwoordelijkheid inzake defensievraagstukken daarin vastgelegd? Een Nederlandse ambtenaar die al vele maanden bij de voorbereiding is betrokken, gelooft dat het EG-voorzitterschap in dergelijke situaties in het nadeel werkt van het voorzittende land. “Juist omdat je de indruk wilt vermijden als voorzitter je eigen ideeen te willen doordrukken, onstaat de neiging om bij het voorstellen van compromis-formuleringen steeds een beetje aan de vanuit jouw oogpunt andere kant van het midden te gaan zitten.” De belangrijkste punten buiten de eigen institutionele en toekomstbeslommeringen om zijn de onderhandelingen over wereldwijde liberalisatie van de handel (GATT), het Midden-Oosten en de hulp aan Oost-Europa en de Sovjet-Unie. In de GATT-onderhandelingen bestaat een diepgaand conflict met de Verenigde Staten, waarbij Washington vooral bezorgd is over het feit dat het met een hecht blok 'Europa' te doen heeft. Over de oplossing van problemen in het Midden-Oosten bestonden enkele maanden geleden nog bijna roekeloos optimistische gedachten; de EG-ministerstrojka reisde onophoudelijk door het gebied. Misschien, zo werd stilletjes in Den Haag gehoopt, zou tijdens het Nederlands voorzitterschap, met de Nederlandse minister aan tafel bij een Midden-Oostenconferentie, een eerste stapje worden gezet op weg naar vrede. De perspectieven voor een dergelijke conferentie zijn inmiddels weer veel somberder, er zitten weinig kansen in om te scoren. Met de hulp aan Oost-Europa is dat wel het geval, maar dan moet er wel iets spectaculairs op tafel komen. En juist dat leek even te gebeuren, toen vice-premier Kok en minister Van den Broek onafhankelijk van elkaar pleitten voor een volwaardig EG-lidmaatschap van Midden- en Oosteuropese landen in het jaar 2000. Terstond tekenden zich in het kabinet twee kampen af, want premier Lubbers en staatssecretaris Dankert wilden zich absoluut niet zo gevaarlijk op een datum vastleggen. Inmiddels zwakken Kok en Van den Broek hun uitspraken af; het jaar 2000 komt in hun uitlatingen niet meer voor. Het viertal heeft elkaar nu gevonden op de formule dat de Midden- en Oosteuropese landen een “reeel perspectief” op lidmaatschap geboden moet worden. Daarmee zit Nederland, keurig op tijd voor het voorzitterschap, ongeveer in de hoofdstroom van het denken bij de Twaalf. Direct betrokkenen in het Europese wereldje geven al weken signalen naar de media af om geen grootse perspectieven te verwachten. “De rol van het voorzittende land wordt door de buitenwereld overschat”, schrijft drs. Ph. de Heer in het personeelsblad van Buitenlandse Zaken. De Heer is lid van het driemanschap op dit departement dat voor de coordinatie van het hele Nederlandse voorzitterschap is aangewezen. Het is een wat defensieve houding, die ook is bedoeld om kritiek achteraf op voorhand te ondermijnen. Tegelijkertijd is een heel leger ambtenaren bij alle ministeries deels al vanaf medio 1989 bezig zich op dit negende Nederlandse EG-voorzitterschap voor te bereiden, om te proberen er een succes van te maken. “Wij realiseren ons dat wj het straks zijn die de compromissen moeten presenteren, 's nachts moeten doorwerken, knopen doorhakken”, zegt een hoge ambtenaar op Buitenlandse Zaken zuchtend. “En we hebben de afgelopen tijd al zoveel uren gedraaid dat we het gevoel hebben voor de laatste in plaats van voor de eerste maand van het voorzitterschap te staan.” De burgemeesters van Apeldoorn, Amsterdam, Edam, Volendam, Rotterdam, Ootmarsum, Drachten, Noordwijk, Den Haag, om er maar enkele te noemen, die straks ministerraden en legertjes ambtenaren binnen hun grenzen krijgen, weten ervan mee te praten. Stad- en Provinciehuizen, kasteeltjes en luxe hotels dienen er als vergaderoord. Geraamde kosten voor het voorzitterschap: 6,6 miljoen gulden. Maandag komt allereerst de voltallige Europese Commissie naar Den Haag, voor gesprekken met de hele regering, met inbegrip van koningin Beatrix. De koningin geeft een dejeuner voor de bezoekers, en aan het einde van de dag staat er een grote ontvangst op het programma. De buitenwereld kan het voorzitterschap dan overschatten, Nederland doet er in de uiterlijkheden weinig aan dat beeld te corrigeren. Het verleidt een ervaren diplomaat in Den Haag, die bij verscheidene Nederlandse EG-voorzitterschappen betrokken is geweest, tot een ironisch commentaar. “Elke keer heb je hetzelfde verschijnsel: de ministers zeggen dat ze niets spectaculairs in de zin hebben, maar vrijwel allemaal dromen ze van een sluw compromis, een opvallend plan, een slimme doorbraak die tot in lengte van jaren hun naam zal dragen.” Alleen premier Lubbers kan achteroverleunen. Hij heeft al een plan. Voor een Europees Energiehandvest. Als het wat meezit, kan Lubbers op de topconferentie begin december, in Maastricht, zelfs Michail Gorbatsjov ontvangen voor de ondertekening ervan. De vaagheden in de verklaringen over Europese defensie, de Europese Raad, over democratisering en over het 'F-Word' federalisme in het verdrag over de Europese Politieke Unie, vallen dan mooi wat minder op.