Duitsland verwacht veel van Nederland als voorzitter van de EG

BONN, 29 JUNI. Coalitiespecialisten in de Bondsdag en het Duitse ministerie van buitenlandse zaken hopen en verwachten dat Nederland als EG-voorzitter op de Maastrichtse top, eind december, een verdragstekst voor de Politieke Unie klaar heeft die aanmerkelijk meer biedt dan totnutoe is bereikt. Dat premier Lubbers en minister Van den Broek de afgelopen maanden wel eens van mening verschilden over de Europese politiek, is in Bonn bekend, maar daaraan wordt niet zwaar getild.

Al wordt het nu eindigende Luxemburgse voorzitterschap als een succes gezien, “kanselier Kohl wilde de Europese zak toch nog niet dichtdoen, want er zat nog niet genoeg in”, heet het. De Duitse regeringscoalitie hoopt voor eind dit jaar op een verdrag waarin ten minste vier zaken zijn geregeld. De bevoegdheden van het Europese parlement moeten zodanig worden versterkt dat het vaker een “medebesluitende” functie krijgt (naast de Europese Raad), o.a. voor wetgeving in engere zin en voor de benoeming van de voorzitter en de leden van de Europese Commissie. - Vooral Londen en Parijs voelen daar weinig voor. Het federale karakter van de Gemeenschap moet voorrang krijgen, waarbinnen de nadruk op het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel moet komen te liggen. Brussel moet datgene doen wat op nationaal of regionaal niveau, bijvoorbeeld in de Duitse deelstaten, niet kan. In Bonn zegt men niet te begrijpen hoe sommige Britse Conservatieven in een adem het centralistisch-bureaucratische Brussel en een federalistisch Europa kunnen afwijzen. De bevoegdheden van de Europese (minister)raad moeten worden uitgebreid op praktische terreinen als verkeers-, gezondheids-, wetenschaps-, milieu- en energiebeleid en dat geldt eventueel ook voor migratie-, asiel-, drugsbeleid en criminaliteitsbestrijding. Ten slotte moet de Europese Raad “scheidsrechter, garant en initiator” worden voor de verdere politieke integratie, de bestaande Europese Politieke Samenwerking (EPS) moet erin opgaan, hij moet ook “richtlijnen” geven voor een Europese buitenlandse- en veiligheidspolitiek. Voor een verdergaande latere fase dient het EPU-verdrag alvast zowel de ingangsdatum als de besluitvormingsregels in de Europese Raad te noemen (via zogenoemde Evolutifklauseln, wat Bonn betreft: na 1996 besluiten met gekwalificeerde meerderheid). In het EMU-dossier hebben Bonn en Den Haag nauwelijks problemen. “Misschien zullen Frankrijk, Duitsland, Denemarken en de Benelux straks inzake de monetaire eenwording maar een tijdje alleen voorgaan, dat zou een schok voor bijvoorbeeld Italie zijn, maar zo'n schok kan voor velen ook heilzaam werken”, zegt dezelfde CDU'er. Een positiekeuze van Londen is niet te verwachten voor er Lagerhuisverkiezingen zijn geweest, meent hij, “dan kan Nederland ook pas zijn goede betrekkingen met de Britten gebruiken voor benvloeding”. Waar kanselier Helmut Kohl en zijn minister van buitenlandse zaken Hans-Dietrich Genscher het als politieke rivalen ook wel eens met elkaar aan de stok hebben, zijn leden van de Bondsdag er niet verbaasd over dat zoiets ook in Den Haag voorkomt. Integendeel: mede dankzij de in Europa erkende kwaliteiten van zowel Lubbers als Van den Broek zal Nederland het EG-voorzitterschap goed doen, meent men in Bonn. In het algemeen is bij Duitse politici minder goed bekend bekend dat een deel van de Haagse perikelen erdoor wordt veroorzaakt dat een Nederlandse premier collegiaal moet fungeren in zijn kabinet, en geen eigen aparte bevoegdheden heeft (zoals de kanselier met zijn Richtlinienkompetenz of een door de kiezers gekozen figuur met uitvoerende macht als de Franse president). “Het Europese voorzitterschap heeft intern een disciplinerende functie, dat is ook in andere landen gebleken, bijvoorbeeld in Spanje en Italie, zo zal het in Holland ook wel gaan”, zegt een CDU-Bondsdagspecialist. “Ik hoop en verwacht dat. De druk op een land dat het voorzitterschap bekleedt is heel groot, zeker nu de voltooiing van de Politieke Unie in het geding is.” Een FDP'er zegt dat er de laatste weken in zijn fractie, waarvan minister Genscher deel uitmaakt, wel eens kort over botsingen en botsinkjes tussen Lubbers en Van den Broek is gesproken. “Maar”, meent hij, “zulke problemen in de binnenlandse politiek mogen het werk aan grote Europese taken niet ongunstig benvloeden”. De woordvoerder van Genschers ministerie van buitenlandse zaken wil liever niet reageren. Op herhaalde vragen antwoordt ook hij tenslotte met de algemene constatering: “Als een land de Europese presidence heeft merkt men niet van binnenlands-politieke moeilijkheden”.