Divisiekantoor

Onlangs werd in Den Haag door het Instituut voor Onderzoek Overheidsuitgaven een conferentie onder leiding van prof. Van Muiswinkel gehouden over 'Besturen op afstand'. Staatssecretaris mevrouw De Graaff-Nauta zei in haar openingswoord dat het onderwerp een soort 'containerbegrip' was, omdat iedereen daar iets anders onder kan verstaan. 'Den Haag' beschikt in elk geval over een eigen jargon als het gaat om (re-)organisatie.

Termen als territoriale decentralisatie, privatisering, zelfbeheer, binnengemeentelijke decentralisatie en arbeidsvoorziening zijn er gemeengoed. Steeds duidelijker wordt dat 'Den Haag' driftig reorganiseert, of althans dit voornemens is te doen. Er staat een gigantische reorganisatie op stapel, waarbij indicaties voor verschuivingen van kosten door decentralisatie tot 25 miljard gulden per jaar worden genoemd. Daarbij moet worden opgemerkt dat ook het eerste kabinet Lubbers zich reeds voornam met minder ambtenaren te werken, alsmede meer te decentraliseren en te privatiseren. In de praktijk is hiervan weinig terecht gekomen. Wat 'Den Haag' ontbeert, is een duidelijk voor iedereen te begrijpen nieuw bestuursconcept. Bij zo'n concept behoort tevens een goede turn-around manager die met zijn staf voor de coordinatie zorg draagt. Deze is in geen velden of wegen zichtbaar. Ook premier Lubbers komt niet in aanmerking, omdat hij al teveel onderdeel is geworden van het beleid van de laatste tien jaar en niet met een schone lei kan beginnen. Betekent dit nu dat 'Den Haag' reorganiseert met amateurs als begeleiders? Deze vraag zou ik ook ontkennend willen beantwoorden mede omdat het slotbetoog van Pont - topambtenaar van Binnenlandse Zaken - op de conferentie te professioneel was. Er blijkt op ambtelijk niveau grondig over allerlei bestuurlijke mogelijkheden te worden nagedacht. Wel dringt zich het beeld op, zoals Etty - ex-wethouder van Amsterdam aangaf - dat “de bestuurlijke en ambtelijke machines van Den Haag volledig zijn vastgelopen”. 'Den Haag' zou mijns inziens lering kunnen trekken uit ervaringen bij Nederlandse concerns en buitenlandse multinationals. Ik wil zes thema's globaal uitwerken. Het eerste element is dat de functie van 'Den Haag' geleidelijk transformeert van een hoofdkantoor naar een divisiekantoor. Steeds meer beleidsbeslissingen worden voor Europa in 'Brussel' genomen. Natuurlijk blijft er ruimte voor eigen beleid, maar dit wordt geleidelijk minder. Bij multinationals hebben wij de les kunnen leren om divisiekantoren klein te maken met een kwalitatief zeer goede bezetting. Dit is wat ook in 'Den Haag' moet en op den duur ook zeker zal gebeuren. Een nieuwe structuur voor het divisiekantoor in 'Den Haag' is het tweede element van een noodzakelijke reorganisatie. De eerste stap is daarbij om het aantal ministeries drastisch te beperken. Wij kunnen daarbij Zwitserland als voorbeeld nemen, dat zeven ministeries telt. Landbouw, Verkeer & Waterstaat, WVC en Ontwikkelingssamenwerking, zouden dan zeker 'sneuvelen'. De minister-president tot een echte teamleider maken, zou een derde essentieel bestanddeel zijn van de reorganisatie in 'Den Haag'. Nu heeft hij nauwelijks bevoegdheden, zeker niet formeel vastgelegd in bij voorbeeld de grondwet. Als we slagvaardig willen worden, zullen we het Britse c.q. Duitse voorbeeld moeten volgen en de minister-president eindverantwoordelijkheid moeten geven, zodat hij knopen kan doorhakken. Het vierde element is het meest essentiele, maar is pas kansrijk als de voorgaande punten zijn geaccepteerd, te weten centralisatie van lagere bestuurseenheden. Als wij op Europees niveau willen denken dan ligt concentratie van de huidige twaalf provincies in vier voor de hand. Daarmee komen onze provincies op 'Duitse' omvang. Tevens zou het aantal gemeenten kunnen worden beperkt tot circa tweehonderd (nu circa 650). Alle gemeenten zouden daarmee op een goed hanteerbaar lijkende schaal kunnen werken, te weten voor circa 70.000 a 80.000 inwoners en zij zouden een goed operationeel apparaat kunnen opbouwen. Decentralisatie van 'Den Haag' wordt door het hier voorgaande mogelijk en zou gepaard moeten gaan met forse bezuinigingen van de beleidskosten als vijfde element. Het meest radicale model zou beperking van het aantal beleids- en beheersambtenaren tot 250 per ministerie zijn, net zoals nu in Zweden het geval is. Hiermee zouden 2500 van de 30.000 ambenaren in deze categorie in Den Haag overblijven, die dan wel kwalitatief nog beter zouden moeten zijn en veel beter betaald zouden moeten worden. Daardoor wordt het noodzakelijk om het beleid te decentraliseren naar de provincies en gemeenten, waarbij doelstelling zou moeten zijn om zeker 25.000 beleidsambtenaren te laten afvloeien, ofwel een besparing van circa 2,5 miljard gulden per jaar. De provincies en gemeenten zouden deze taken makkelijk moeten kunnen overnemen omdat zij door concentratie groter worden en dus met een overschot aan personeel zitten. Tenslotte zou als zesde element vergaande afstoting van het uitvoerende apparaat van 'Den Haag' met 120.000 ambtenaren moeten plaatshebben. Per dienstonderdeel zou moeten worden nagegaan of verzelfstandiging, delegatie naar lagere echelons of beeindiging gewenst is. Een doelstelling van 33 procent voor bezuiniging is daarbij in het bedrijfsleven heel normaal. Dan lijken in ieder geval bezuinigingen van vijftien procent - of circa 20.000 ambtenaren of twee miljard gulden per jaar - haalbaar. Dit 'zes-punten-programma' is natuurlijk niet meer dan een ruw concept. Maar zo hoort een grote reorganisatie te beginnen, men vergelijke de Philips-reorganisatie en Timmers plan Centurion. Een toekomstige formateur zou ook minister-president moeten worden en zich sterk moeten maken als turn-around manager. Het kost hem zeker vier jaar om de belangrijkste besluiten door te voeren. Totaal zal het zeker tien jaar duren voordat iedereen op zijn nieuwe plaats zit. Maar dan zullen forse bezuinigingen bereikt zijn. Het werk voor de ambtenaren wordt veel leuker omdat er veel effectiever wordt gewerkt. De burger komt door de decentralisatie dichter bij de 'werkplek'. Dat kan de helderheid en de inspiratie voor toekomstig beleid alleen maar bevorderen.