Deetman loodst parlement door drukke dagen voor zomerreces

Willem Deetman (46) heeft in de eerste anderhalf jaar van zijn voorzitterschap de sfeer in de Kamer veranderd. Het gaat er allemaal wat losser toe. Als het nodig is, zoals deze laatste week voor het zomerreces, legt hij alle gebruikelijke regels opzij en wordt er tot het laatst toe vergaderd. De fracties zijn tevreden. De nieuwe voorzitter leidt de vergaderingen met gemak: onpartijdig, ad rem en met gevoel voor humor.

DEN HAAG, 29 JUNI. Kunnen Kamerleden nog wel een verantwoord oordeel vellen wanneer zij, zoals de afgelopen weken, nog even snel over hele reeksen soms zeer gevoelige thema's oordelen moeten vellen? Tweede Kamervoorzitter Deetman beantwoordt die vraag wat zuinigjes met de tegenwerping dat alle mogelijke vergadertijd is vrijgemaakt “om de fracties gelegenheid te geven hun standpunten weloverwogen te kunnen laten innemen”. Kamerleden zelf klagen trouwens niet. Zij weten dat het in de weken voor het zomerreces altijd een gekkenhuis is in het Nederlandse parlement.

Kan het eenvoudige Kamerlid het met z'n halve of driekwart medewerker het nog wel opnemen tegen het enorme apparaat van een minister?

“Die vergelijking gaat mank. Want dat ene eenvoudige Kamerlid vraagt heel veel, gevoed door eigen analyses of door de samenleving. Maar het is natuurlijk goed dat een parlement ook organisatorisch een sterke positie heeft. De afgelopen jaren heeft de ondersteuning van de fracties een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Ik zeg niet dat dit proces niet verder gaat, ik kom alleen op tegen het idee, dat er een machteloos parlement zou zijn, dat niet tegen de machtige apparaten van een minister op zou kunnen.”

Gaat deze regering goed met de Tweede Kamer om?

“Het veelvuldig optreden van bewindslieden hier, maakt dat wel duidelijk. Laat ik het anders zeggen: een kabinet kan natuurlijk af en toe een meningsverschil met de Kamer hebben, maar je kunt niet bij voortduring met de Kamer overhoop liggen. Als dat gebeurt is het bekeken. Door de bank genomen heeft de Tweede Kamer een hele sterke positie. Ze kan ministers en staatssecretarissen dag en nacht op het matje roepen, ze met moties bestoken, amendementen indienen. Het aantal mogelijkheden voor een minister om zijn zin door te drijven tegen bijvoorbeeld een amendement is beperkt. Allereerst heeft hij zijn argumenten. Maar er kunnen momenten komen dat je elkaar niet kunt overtuigen. Dan is hij eigenlijk ongeveer uitgepraat.” Hoe uitgepraat, bleek in de afgelopen weken in de kwestie rondom het beeld van de kunstenaar Kounellis, bestemd voor het plein bij de nieuwe plenaire vergaderzaal. Een eigen standpunt over het kunstwerk geeft Deetman niet prijs. Wat de kunst en de huisstijl van de Kamer betreft, heeft Deetman steeds het standpunt van het presidium weergegeven. Als ervaren Binnenhof-ganger weet hij dat dit onder bepaalde omstandigheden het minst riskant is. Niettemin legt hij er de nadruk op “politicus en CDA'er te blijven” en dus ook de belangen van die partij te dienen. “Als het CDA een keer in de oppositie zou komen, zou dat geen ramp zijn”, zegt hij. “Het kan misschien zelfs de duidelijkheid ten goede komen. Maar leuk vinden we dat natuurlijk niet, geen enkele partij valt graag uit de boot. Maar een ramp, nee. Het is een onderdeel van het politieke spel.”

“Binnen het CDA leeft, net als in de meeste andere partijen, de normale behoefte om invloed uit te oefenen, om je standpunten in regeringsbeleid vertaald te zien. Daar is niets onrechtvaardigs aan. Het ligt dus ook niet op de weg van het CDA, zoals wel wordt gesuggereerd, om te zeggen: we hebben het nu al zo vaak gedaan, we zetten onszelf eens een poosje buitenspel. De werkelijkheid is anders dan men in andere partijen toegeeft: bij de laatste Kamerverkiezingen werd juist intensief naar de hand van het CDA gedongen, door PvdA, VVD en D66.”

Waarom gaan de mensen minder naar de stembus?

“Ik denk dat het niet juist is om een, alles overheersende factor aan te wijzen. Een deel van de kiezers is simpelweg tevreden. Die hebben een type redenering van: het maakt niet uit of de een of de ander op het fluweel zit, het gaat goed. Daarnaast zijn er de ontevredenen, die teleurgesteld zijn in hun politieke partij en die niet op andere partijen willen stemmen, omdat ze het gevoel hebben dat dit niets uitmaakt. ”Bij verkiezingen van gemeenteraden, Provinciale Staten en soms ook het Europese Parlement zie je dan nog een vermenging met nationaal-politieke aspecten. Dat heeft tweeerlei effect: als het zich niet voordoet, zoals de laatste keer bij de gemeenteraadsverkiezingen, is het spannende eraf. Als het zich wel voordoet, is het verwarrend. Een vierde, belangrijke factor is individualisering, gecombineerd met een stukje financieel-economische onafhankelijkheid. Veel mensen definieren nauwkeurig hun prive-domein; daar moeten overheid en gemeenschap buiten blijven.

De meeste problemen die u schetst zijn niet nieuw. Waarom leiden ze nu pas tot een lagere opkomst?

“Het aspect van de tevreden burger inderdaad, wat opmerkelijker is. Maar het fenomeen van de individualisering is toch een verschijnsel van de afgelopen tien, vijftien jaar. We hebben nu een overheid die dereguleert, die wil terugtreden, die het prive-domein van mensen verder met rust laat en garandeert. Bovendien hebben de burgers een redelijk zelfstandige financiele positie. In zo'n situatie kan men wellicht gaan denken, dat de overheid en de politiek minder belangrijk zijn geworden.”

Maar als je naar de sterk toegenomen media-aandacht voor het gebeuren in Den Haag kijkt, zou je haast vermoeden dat men juist meer van de overheid verwacht.

“Misschien zit nu juist daar net de spanning, die nu tot uitdrukking komt in een lagere opkomst bij verkiezingen. Die gespecialiseerde aandacht leidt niet automatisch tot algemene politieke belangstelling bij burgers. Voor een deel blijft door de aandacht die eraan wordt gegeven toch het oude verwachtingspatroon bestaan.” Is de rol van de minister-president in de Nederlandse politiek veranderd? “De formele veranderingen zijn niet erg opvallend. Belangrijker zijn de informele veranderingen. De rol die hij vervult, wordt immers voor een deel bepaald door de manier waarop de buitenwacht zich gedraagt. In de loop van de tijd is zijn positie versterkt, aan de ene kant omdat hij voor de eenheid van het beleid behoort op te komen en daar ook op wordt aangesproken. Maar ook omdat de buitenwacht in en buiten Nederland, kranten, journalisten, u allen, hem als het ware een positie toedelen. “Je ziet ook aan de wijze waarop mensen zich tegenover hem gedragen dat hij iets bijzonders is. Dat proces is na de oorlog stap voor stap verder gegaan. Het zal een keer weer stoppen, tenzij we naar een gekozen minister-president gaan, waar op dit moment geen meerderheid voor is.

“Zonder gekozen minister-president zal het kabinetsbeleid altijd door de ministerraad worden bepaald. Er is geen minister die zou aanvaarden dat hij daar zijn vinger niet in de pap heeft, zeker niet als het zijn eigen portefeuille betreft. Je ziet dus een versterking van de premier, maar er komt een einde aan. Zoals ook aan de macht van de Europese Raad vanzelf een grens komt, hetzij door het Europees Parlement, hetzij omdat de nationale parlementen er een stokje voor steken. Het hele politieke krachtenveld is te ingewikkeld dan dat de Europese regeringsleiders simpelweg hun macht zouden kunnen blijven uitbreiden.”