De visser

De zeevissers staan niet te dringen om aandacht. “We staan al zo in de picture”, zegt de man die uiteindelijk wel wil praten verontschuldigend. Maar ook hij wil anoniem blijven. “Wij hebben met iedereen een goeie relatie en dat willen we zo houden.”

Hij maakt deel uit van een familiebedrijf dat vist met drie Nederlandse schepen en twee die onder Duitse vlag varen. Begin 1988 reisde hij met een van zijn broers naar Duitsland. “Ik wist dat ze hun scholquota nooit opvisten. We vroegen ons af of er een manier was om daar tussen te komen. Ik ben naar een Duitse notaris gestapt en hoorde dat je in aanmerking kon komen voor quota als je voor 3 februari 1988 een Duits visserijbedrijf oprichtte. We hebben meteen 50.000 mark overgemaakt en op 23 januari hadden we een Duits bedrijf. “De eerste twee jaar moesten we ons waarmaken, er werd verschrikkelijk naar ons gekeken. 'Een foutje en we sodemieteren je eruit', zei een hoge ambtenaar van het Duitse ministerie van visserij. Het ombouwen van een Nederlandse kotter volgens de Duitse normen heeft ons een kwart miljoen gulden gekost. De Berufsgenossenschaft wilde het precies zo hebben als zij het voorschrijft. Alles wat Nederlands was deugde natuurlijk niet. Maar het is toch allemaal goed gekomen. We zijn zo verschrikkelijk hard gaan werken dat de kotter eigenlijk te weinig rust heeft.” Hij vertelt zijn verhaal in de stuurhut van dezelfde kotter, die afgemeerd ligt in een Nederlandse haven voor een revisiebeurt. “Wat wij hier doen, een kotter opknappen met eigen mensen, dat speel je nergens op de aarde meer klaar”, zegt hij trots. “Overal zegt het personeel: 'sorry, daarvoor ben ik niet ingehuurd'. Dat is de kracht van onze maatschap. Ik heb weleens gedacht: als de Nederlandse vissers de handen ineen zouden slaan konden ze 70 procent van het hele Europese quotum in handen krijgen. Dat is makkelijk zat, als je maar veertig miljoen op tafel gooit. Maar het is een onmogelijk zaak, want iedereen denkt: als ik maar overleef, laat mijn buurman dan maar verrekken.” Wat verwacht hij na 1992? “Vooral goed je ogen openhouden en letten op het buitenland. We moeten ook van het criminele imago af. Alsof we een groep zouden zijn die zich nergens aan stoort. Dat is natuurlijk niet zo, want de drang om legaal je brood te verdienen is nog nooit zo groot geweest als de laatste paar jaar, omdat de boetes zeer hoog zijn. De schuld wordt te veel doorgeschoven naar de visserman, terwijl de overheid ook boter op het hoofd heeft. Het is onverstandig om zo door te gaan met '92 in zicht. We moeten eensgezind en gezamenlijk een standpunt innemen tegenover Brussel, anders krijgen we nooit de vangstrechten die we nodig hebben.” De concurrentie van een aantal andere lidstaten moet niet worden onderschat. “Als je ziet hoeveel Nederlandse schepen er de laatste jaren zijn verkocht aan Britten en Ieren... Wij hebben de Engelsen aan een boomkorvloot geholpen. De Fransen beginnen zachtjes aan ook te komen en de Belgen zitten ons al op de nek.” Zijn bedrijf orienteert zich op dit moment ook in Engeland. “We zitten overal een beetje te kijken, maar wat we in het buitenland doen heeft alleen maar tot doel in Nederland te kunnen overleven. In Engeland gaat het ons erom rechten te krijgen voor de toekomst. Ook in Belgie kijken we of we met hulp van collega's een voet aan de grond kunnen krijgen. Dan moet je wel een Belgische kapitein op je schip zetten. Maar dat hebben we nu in Duitsland ook, dat is een wassen neus. Die Duitse kapitein heeft niks te vertellen, hoor.”