DE VERLOREN OORLOG; Amerika's onmacht tegen de cultuur van armoede

The Promised Land. The Great Black Migration And How It Changed America door Nicholas Lemann 410 blz., Alfred A. Knopf 1991, f 53,40 ISBN 0 394 56004 3

Tussen 1940 en 1970 vond een van de grootste volksverhuizingen in de geschiedenis plaats. Die voltrok zich binnen de grenzen van de Verenigde Staten toen meer dan vijf miljoen Afro-Amerikanen wegtrokken uit het agrarische zuiden naar de steden in het noorden. Deze etnische aardverschuiving maakte dat de rassenkwestie niet meer afgedaan kon worden als een regionale eigenaardigheid van het zuiden. Het drong zich voorgoed op de voorgrond van de Amerikaanse samenleving als het grootste binnenlandse vraagstuk sinds de Burgeroorlog. Deze ingrijpende ontwikkeling staat centraal in het door de Amerikaanse publicist Nicholas Lemann geschreven en nu al als 'klassieker' uitgeroepen The Promised Land. The Great Black Migration And How It Changed America. Het is inderdaad een schitterend boek. Amerika's meest gelezen columnist George F. Will had gelijk toen hij The Promised Land prees als ''het beste boek over Amerika's neteligste probleem'' sinds het monumentale standaardwerk The American Dilemma van de Zweedse socioloog Gunner Myrdal uit 1944. Lemann begint zijn verhaal met de uitvinding van de katoenplukmachine aan het begin van de jaren veertig. Deze machine ontnam aan de Afro-Amerikanen, die sinds de afschaffing van de slavernij als uitgebuite 'sharecroppers' nog steeds op de katoenplantages werkten, hun vrijwel enige bestaansmogelijkheid. De industriele centra in het noorden leken echter, nu de depressie van de jaren dertig voorbij was, een aanlokkelijk toekomstperspectief te bieden. Weg uit het verstikkende en racistische plattelandsklimaat van het zuiden, was het parool. De 'American dream' zou in het Noorden eindelijk ook binnen handbereik komen van de zwarte bevolking. Althans, dat was de hoopvolle verwachting. De geschiedenis leerde anders. Opeengepakt in getto's vormde zich in de noordelijke binnensteden een omvangrijke zwarte 'underclass'. Anders dan de Europese immigranten in een eerdere tijd, raakten de Afro-Amerikanen gevangen in een neerwaartse spiraal van uitzichtloze armoede. Het was, zo betoogt Lemann, vooral de dramatische daling na de oorlog van de vraag naar ongeschoolde arbeid die daaraan debet was. In 1965 - juist op het moment dat in het zuiden de strijd voor gelijke burgerrechten gewonnen werd - kwamen de opgekropte frustraties tot uitbarsting. Tot en met het begin van de jaren zeventig zouden de Amerikaanse binnensteden het toneel zijn van bloedige getto-onlusten en rassenrellen. . BROEIERIG . Lemann heeft zijn The Great Migration bijzonder orgineel, bijna filmisch, opgebouwd. Het betoog speelt zich af op drie locaties. De eerste is het gesegregeerde plattelandsstadje Clarksdale dat gelegen is in de broeierige Mississippi-delta. Het symboliseert het vertrekpunt van de zwarte exodus. De tweede locatie is Chicago en dan vooral de stadsdelen South Side en het naburig West Side, die beide de veruit belangrijkste bestemming van de migratie werden. De South Side zou al snel na 1940 van het Newyorkse Harlem de rol van hoofdstad van zwart Amerika overnemen. De derde en laatste locatie is Washington waar achtereenvolgens de presidenten Kennedy, Johnson en Nixon elk op hun eigen wijze reageerden op het getto-vraagstuk. Ter illustratie van die complexe problematiek heeft Lemann de levensverhalen van een groepje migranten uit Clarksdale als rode draad door het boek heen gesponnen. Het decor is de bekende diepe getto-ellende van overbevolkte en uitgewoonde woningblokken die behuizing geven aan gebroken gezinnen waarvan de vader vermoord is, in de gevangenis zit of inmiddels bij een andere vrouw is ingetrokken. Bij de weinige volledige gezinnen zijn mishandeling, seksueel misbruik en sociale ontwrichting eerder regel dan uitzondering. Verder dwalen over de pagina's van dit boek natuurlijk de rivaliserende jeugdbendes die betrokken zijn bij de handel van drugs. Dagelijks voeren zij een strijd op leven en dood om de controle over een huizenblok, een straathoek, of zelfs een lift. De absurde consequentie is dat chronisch ondervoede kinderen op weg naar school regelmatig dekking moeten zoeken tegen de kogels die hun van alle kanten voorbijscheren. Hun enige contact met de blanke wereld is de televisie. De scholen die zij bezoeken, zijn erbarmelijk slecht en de talloze ongehuwde tiener-moeders zijn de eersten die afhaken. Momenteel hebben overigens veel meer zwarte jongeren tussen de twintig en dertig jaar te maken met justitie dan met enige vorm van hoger onderwijs. Een van de vier zwarte mannen van die leeftijdsgroep zit in de gevangenis, of is op borgtocht vrij (tegenover een op de zestien blanken). De sterftecijfers van jonge zwarten zijn nu in de straten van crime-city Washington D.C. hoger dan op het slagveld van Vietnam in het heetst van de oorlog. CORRUPTIE In The Great Migration wordt uitvoerig ingegaan op het beleid van het stadsbestuur van Chicago als exemplarisch voor het optreden van de Amerikaanse overheden. De stad werd indertijd geregeerd door de Democratische partijmachine. Aan het hoofd stond de katholieke Ierse 'city boss' Richard J. Daley die begiftigd was met een bijzonder talent voor corruptie. In 1960 had hij met de door hem georganiseerde stembusfraude in Chicago een belangrijk aandeel in Kennedy's nipte verkiezingswinst op Nixon. Daleys machtige politieke machine functioneerde als een alomvattend patronagenetwerk van onderbazen in de ethische gemeenschappen en stadswijken. Het was aan die onderbazen te zorgen dat hun wijk bij elke verkiezing en bloc voor Daley en zijn Democratische Partij stemde. Als wederdienst konden die wijken rekenen op extra overheidsbanen en gemeentediensten. Aanvankelijk wist Daley zo de zwarte gemeenschap met succes in zijn machine op te nemen. Hoewel de jonge Jesse Jackson indertijd, zo weet Lemann te melden, een solide betrekking verspeelde door een baan als tolbeambte aan de Illinois Highway te weigeren. Daley verkeek zich echter op de overweldigende toevloed van migranten. Als een van de grote voorvechters van Amerika's Koude Oorlog-politiek benaderde hij de getto-problemen alsof hij met het communistische blok van doen had. Boven alles wilde hij de 'containment', de indamming, van de uit hun voegen barstende zwarte woonwijken. Zo maakte Daley van Chicago de meest gesegreerde stad van de Verenigde Staten. Begin 1966 dreigde Martin Luther King met grote protestbetogingen om een op integratie gericht huisvestingsbeleid in Chigago af te dwingen. Daley beschouwde de dominee als een onruststoker, maar was uit opportunistische motieven bereid tot concessies. De enige groep die daarvan zou profiteren was echter de zwarte middenklasse die het zich financieel kon veroorloven om uit de South Side weg te trekken. Lemann beschrijft helder hoe door dit soort gecompliceerde sociale valkuilen King, die in het zuiden zo succesvol was geweest, in het noorden geen effectieve formule voor de burgerrechtenstrijd kon vinden. Tijdens de onlusten die volgden op Kings dood in 1968, verwierf Daley wereldfaam door aan zijn politie een 'shoot to kill'-opdracht te geven. Toch moet Lemann nageven dat in Chicago de rellen nog mild waren vergeleken bij de verwoestingen in steden als Detroit en Newark. MORELE PASSIE Het hoofdstuk over Washington vormt de kern van The Promised Land. Hierin wordt duidelijke gemaakt hoe de Amerikaanse overheid onwillig en onmachtig was de getto-problematiek aan te pakken. In zijn beoordeling van president John F. Kennedy onderschrijft Lemann de indertijd fameuze woorden van King dat het bij JFK 'aan morele passie ontbrak'. Kennedy had weliswaar een diepe afkeer van segregatie, maar kwam alleen in actie als hij door de burgerrechtenbeweging daartoe gedwongen werd. Zijn broer Bobby was ontvankelijker voor de uitzichtloze situatie in de zwarte woongebieden. Die zag zich als minister van justitie dan ook geconfronteerd met de schrikbarend stijgende jeugdcriminaliteit van de tweede generatie migranten. Lemann betoogt terecht dat eerst na JFK's dood zijn sociale bewogenheid tot mythische proporties werd opgeblazen. In het kader van die mythevorming 'openbaarde' een voormalige vooraanstaande adviseur van JFK later dat 'fighting poverty' de laatste wens van de president zou zijn geweest. En Bobby liet in zijn werkkamer zelfs een ingelijst kladblaadje ophangen waarop JFK tijdens zijn laatste kabinetsvergadering een aantal keer het woord 'poverty' had gekrabbeld en omcirkeld. De moeizame worsteling van Lyndon B. Johnson met de Kennedy-mythe en zijn onderlinge vete met Bobby, wordt in The Great Migration schitterend beschreven. Bobby koesterde een diep geworteld wantrouwen tegen de lompe 'wheeler-dealer' uit Texas. Van zijn kant had Johnson, met zijn enorme minderwaardigheids-complex, weinig achting voor de 'dashing Kennedy-boys', die wel mooi konden praten, maar in politiek opzicht weinig voor elkaar kregen. Lemann zelf is echter opvallend positief over Johnson. Volgens hem was hij de enige president in deze eeuw die het 'Amerikaanse dilemma' bovenaan zijn politieke agenda plaatste. Weliswaar werd hij gedreven door de brandende ambitie om Lincoln en Roosevelt in historische grootheid te verslaan, maar toch was hij, meent Lemann, oprecht in zijn sociale bewogenheid. Met zijn 'Great Society'-plan en de daaraan verbonden 'War on Poverty' werd voor miljarden dollars aan federaal overheidsgeld rechtstreeks de getto's ingepompt. Bij zijn aftreden kon Johnson dan ook terecht de voor hem zo kenmerkende woorden zeggen: ''I've done more for blacks than any other President. That young hero I replaced may have done something. But I did more.'' . BENDES . Natuurlijk kan Lemann er in The Great Migration niet omheen dat de 'War on Poverty' geenszins de overwinning op de sociale problemen bracht. Daarbij wijst hij op twee oorzaken. Ten eerste werkten de lokale overheden meer tegen dan mee, omdat de besteding van gelden geheel buiten hun om ging. Ten tweede bleek de formule van gemeenschapsopbouw niet te werken. Vaak verdween het geld regelrecht in de zakken van criminele bendes omdat deze simpelweg de enige goed functionerende organisaties binnen de getto's waren. In Chicago liet het hoofd van Amerika's bloederigste gang zich zelfs als 'opbouwwerker' op kosten van de gemeenschap in een limousine met chauffeur rondrijden. Niettemin werden er volgens Lehmann met de 'War on Poverty' heel veel mensen geholpen. Door de sociale programma's en de daaraan verbonden overheidsbanen ontstond een omvangrijke en welvarende zwarte middenklasse. Het drama was evenwel dat die massaal de getto's ontvluchtte waardoor de toestand daar nog hopelozer werd. Meteen na het aantreden van Richard Nixon in 1968 zou de ontmanteling van de 'War on Poverty' beginnen. Toch voelde Nixon, die volgens betrouwbare bron overtuigd was van de genetische inferioriteit van het zwarte ras, er weinig voor om zijn politieke hoofd voor deze kwestie in de waagschaal te stellen. Ironisch genoeg zou tijdens zijn presidentschap meer dan ooit met geld naar maatschappelijke problemen gegooid worden. Weliswaar poogde Nixon de sociale programma's zoveel mogelijk te beeindigen, maar dit werd gecompenseerd door meer directe inkomenssteun in de vorm van uitkeringen en voedselbonnen voor de allerarmsten. Dit beleid was volgens Lemann ingegeven vanuit de heimelijke gedachte dat met de sociale programma's van Johnson een militante zwarte kaste van sociale werkers was ontstaan die de misstanden in de getto's als politiek chantage-middel uitbuitte. Om deze groep en haar linkse progressief-liberale bondgenoten de wind uit de zeilen te nemen, kwam Nixon zelfs met een revolutionair 'Family Assistance Plan' dat aan elk gezin een wettelijk basisinkomen moest garanderen. Het plan leed echter schipbreuk in het Congres. Het was daarna nota bene Nixons progressieve Democratische rivaal George McGovern die het in 1972 in zijn eigen verkiezingsprogramma opnam. In The Promised Land behandelt Lemann alle belangrijke ideologische discussies die in de loop der tijd in de VS over de getto-problematiek gevoerd zijn. Natuurlijk gaat hij uitvoerig in op de controverse rondom het naar de auteur genoemde 'Moynihan Report' uit 1965, dat hij niet zonder gevoel voor pathos het meest omstreden geschrift van de Amerikaanse geschiedenis noemt. Dit rapport bestempelde de instabiliteit van het zwarte gezin als bron van veel problemen. Het werd in links-liberale en in Afro-Amerikaanse kringen genterpreteerd als een racistisch manifest waarin volgens de methode 'blaming the victim', de zwarte bevolking de schuld kreeg van haar eigen maatschappelijk falen. In werkelijkheid had de progressief-liberale Democraat Daniel P. Moynihan juist gedacht met zijn rapport goede sier te kunnen maken. LEVENSSTIJL Ten slotte besteedt Lemann aandacht aan het concept van de 'culture of poverty' van waaruit de 'War on Poverty' sociologisch werd gelegitimeerd. Volgens deze visie zou de zwarte onderklasse gevangen zijn zelfdestructieve levensstijl en was het aan de overheid om een helpende hand te bieden op weg omhoog naar een beschaafd 'middle class' bestaan. Radicale zwarte nationalisten, waaronder de Black Power-beweging, zouden deze analyse echter al snel stigmatiseren als blank 'welzijnskolonialisme' dat gericht was op de vernietiging van de unieke Afro-Amerikaanse culturele identiteit. Opmerkelijk genoeg werd de term 'welzijnskolonialisme' later dankbaar overgenomen door neo-conservatieven, die stelden dat de overheid de getto-bevolking volledig van zich afhankelijk had gemaakt en haar had beroofd van haar eigen verantwoordelijkheid. In hun redenering werd maatschappelijk falen door de overheid beloond en de sociale stagnatie zelfs aangemoedigd met uitkeringen en sociale programma's. Lemann verbergt in zijn boek overigens zijn eigen mening voortdurend achter de opvattingen van anderen. Pas in het nawoord kiest hij onomwonden stelling. De huidige beroering in de Verenigde Staten rondom 'affirmative action' (positieve discriminatie) en 'banenquota's' voor minderheden acht hij een betrekkelijk luxe-probleem. Het betreft alleen de zwarte middenklasse die op de door blanken gedomineerde arbeidsmarkt moet concurreren. Daarentegen valt er voor de merendeels ongeletterde getto-bevolking helemaal niets te concurreren omdat er eenvoudigweg voor hen geen passende arbeid is.

Volgens Lemann heeft in de Amerikaanse samenleving nu de gedachte zeer sterk postgevat dat de getto's maar als een verloren gebied afgeschreven moeten worden. Dit argument wordt, zo schrijft hij, maar al te graag gebruikt als excuus om maar met de armen over elkaar toe te kijken naar de ellende. Wanneer The Promised Land wat later was verschenen, had Lemann als recent voorbeeld van die houding de toespraak van George Bush kunnen noemen van afgelopen mei op de campus van de Michigan State University in Ann Arbor. Op precies dezelfde plaats waar Johnson in 1964 zijn 'Great Society-programma' afkondigde, verkondigde Bush openlijk dat de 'Great Society' een totale flop was geweest. Zelf pleit Lemann in The Promised Land vurig voor een krachtig federaal overheidsinitiatief gelijkend op de 'War on Poverty', maar dan natuurlijk zonder de fouten van toen. Vooral zou de overheid niet opnieuw in de illusie mogen vervallen dat het mogelijk is om door gemeenschapsbouw de getto's om te toveren tot bloeiende etnische enclaven. In het idee van 'black selfhelp' zoals dat in zwarte nationalistische kringen wordt aangehangen, ziet Lemann al even weinig heil. De enige weg voor de getto's is volgens hem de integratie in 'mainstream middle class America'. Zijn recept is daarvoor verrassend eenvoudig: meer sociale programma's, meer banen, betere scholen, betere sociale voorzieningen en hogere uitkeringen. Ongetwijfeld zal er daarbij een heleboel gemeenschapsgeld in verkeerde handen terechtkomen, maar dat bedrag is volgens Lemann te verwaarlozen met wat het Pentagon jaarlijks aan mislukte wapensystemen verspilt.

Thomas Bersee is historicus