De uitbreiding

“De Europese Gemeenschap is een groot succes”, zo pleegt de Nederlandse Europarlementarier Jean Penders te zeggen. “Kijk maar hoeveel landen er allemaal bij willen!” Maar blijft de Gemeenschap ook een succes als al die landen worden toegelaten?

De besluitvorming in de EG is er na de toetreding in 1973 van Groot-Brittannie, Ierland en Denemarken, in 1981 van Griekenland en in 1986 van Portugal en Spanje, niet eenvoudiger op geworden. Ook al omdat duidelijk werd dat de nieuwe leden de visie van de oorspronkelijke Zes op de Europese integratie niet altijd delen. En nu rammelen er nog veel meer landen aan de poort. Turkije en Marokko hebben al toetredingsverzoeken ingediend in 1987, Oostenrijk in 1989, Malta vorig jaar en de Zweedse premier Carlsson zal aanstaande maandag in Den Haag officieel de aanvraag uit Stockholm indienen. Ook ten oosten van het twee jaar geleden opgehaalde IJzeren Gordijn is de blik inmiddels hoopvol op Brussel gericht. Zelfs door verscheidene deelrepublieken van Joegoslavie en de Sovjet-Unie zijn aanvragen aangekondigd. Brussel kan nog anderhalf jaar dralen, want aan het begin van hun mars naar het Europa zonder grenzen van 1992 hebben de Twaalf besloten om voor 1 januari 1993 geen toetredingsverzoeken te behandelen. De huidige leden hebben het druk genoeg om hun onderlinge grenzen te slechten. En wat daarna? Voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie heeft een Europa van concentrische cirkels geopperd. Rond de harde kern van de huidige EG-leden zou de Europese Vrijhandels Associatie (Scandinavie, IJsland, Zwitserland, Oostenrijk en Liechtenstein) een ring moeten vormen van landen die wel meedoen aan de markt zonder binnengrenzen, maar die niet zijn betrokken bij de politieke besluitvorming in Brussel. Daaromheen zou een rand van Oosteuropese landen liggen die via associatieakkoorden met de EG kunnen zijn verbonden. De geschiedenis heeft dit plan inmiddels ingehaald. De EVA-landen hebben ontdekt dat zij zich in de Europese Economische Ruimte (EER) die zij samen met de EG zullen vormen, moeten aanpassen aan de EG-regels zonder dat zij medezeggenschap krijgen bij het opstellen ervan. Zweden en Oostenrijk hebben al de conclusie getrokken dat het maar beter is volwaardig EG-lid te worden, terwijl Zwitserland de onderhandelingen over de EER dreigt te laten mislukken door niet toe te geven aan de EG-eis van vrije doortocht voor vrachtwagens. Wat Oost-Europa betreft is in het Westen het besef gegroeid dat de nieuwe democratieen daar meer moet worden geboden dan een weinig verplichtend samenwerkingsakkoord. Al is het alleen maar om een volksverhuizing naar de EG-landen te voorkomen. Het gaat om een nijpend probleem en steeds meer politici doen er dan ook uitspraken over, alleen hebben die weinig met elkaar gemeen. Zo heeft vice-premier Kok gezegd dat Polen, Tjechoslowakije en Hongarije in het jaar 2000 tot de EG moeten kunnen toetreden. EG-Commissaris voor externe betrekkingen Andriessen heeft een soort B-lidmaatschap voorgesteld, maar waaruit dat B dan precies bestaat is nog niet duidelijk. En de Franse president Mitterrand waarschuwde deze maand plompverloren dat het eerste Oosteuropese EG-lidmaatschap nog wel tientallen jaren op zich kan laten wachten. De toetreding van de democratische Oosteuropese landen is een groot economisch probleem, de toetreding van het neutrale Zweden en Oostenrijk is vanwege het streven van de EG naar een gemeenschappelijk buitenlands beleid een wat bescheidener politiek probleem. Het is nog geen 1993, maar de uitbreiding speelt bij de nu lopende onderhandelingen over wijziging van het EG-verdrag ten minste een duidelijke rol - die van donkere wolk. Als de Twaalf de buitenlands-politieke samenwerking, de monetaire unie en de democratische besluitvorming nu niet onderling regelen, lukt het misschien nooit meer.