De trainer

“Een judoleraar uit een van de andere lidstaten kan na 1992 niet worden belet zijn beroep in Nederland uit te oefenen op grond van ontoereikende kwalificaties.” Dat hield Berty van Bockom Maas van de Nationale Federatie van Werkers in de Sport (NFWS) nog onlangs in sportcentrum Papendal de Nederlandse judoleraren voor. Ze hoorden er van op.

De kennis onder trainers, coaches en leraren in de sport over de arbeidssituatie in de EG na 1992 is niet echt groot. Tot dit moment kan alleen de coach-met-een-reputatie zonder veel moeite aan de slag in andere EG-landen. De voorbeelden uit het voetbal dringen zich op, maar ook in minder bekende sporten zijn wel Nederlanders werkzaam in het buitenland. Als de begeerde topfiguur niet over de juiste diploma's beschikt, wordt er wel een stroman of -vrouw naast gezet om de situatie te autoriseren. En zodra de vermeende ster niet voldoet aan de verwachtingen, wordt zijn onduidelijke status aangegrepen om hem de deur te wijzen. Ook dat laatste weet die coach, zijn salariseisen zijn veelal ingegeven door die kwade kans. De, spaarzaam voorkomende, situatie voor buitenlandse coaches die in Nederland werken, is vergelijkbaar. Na 1992 kan iedere coach desgewenst zonder beperkingen in de EG aan het werk buiten zijn eigen land. Van Bockom Maas onderbouwt die stelling met een verwijzing naar drie recente 'inbreukprocedures' van het Europese gerechtshof. Die procedures hebben geen betrekking op sporttrainers, maar op gidsen van reisgezelschappen. Het Hof besliste dat de gidsen geen diploma's hoeven te bezitten van de lidstaten waarin ze hun vak uitoefenen. “Iedere beperking die wordt gesteld omdat de verlener van diensten is gevestigd in een andere lidstaat, is verboden”, aldus het Hof. Die uitspraak heeft volgens Van Bockom Maas zonder meer gevolgen voor de sport. En eigenlijk voor nagenoeg ieder ander beroep, want “iedereen heeft recht op vrije keuze en vrije uitoefening van een beroep volgens de voor elk beroep geldende bepalingen. De beginselen van gelijke behandeling ten aanzien van toegang tot arbeid, arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming van het ontvangende land moeten worden nageleefd.” Mevrouw Van Bockom Maas is juridisch- en beleidsmedewerker van de NFWS. Deze organisatie heeft eind vorig jaar samen met de Nederlandse Sport Federatie (NFS) een internationale werkconferentie gehouden over de gevolgen van de eenwording voor de erkenning van diploma's en licenties. In zes takken van sport werd gewerkt aan toetsingsprocedures voor het vergelijken van de opleidingen. “Bij diverse Nederlandse sportbonden leeft de angst dat de kwaliteit van het sporttechnische kader in Nederland straks niet kan worden gewaarborgd”, zegt Van Bockom Maas. “Die benadering is veel te negatief. In EG-verband leeft juist de tegenovergestelde gedachte. Als coaches uit andere EG-landen nieuwe ideeen en visies inbrengen, kan dat de kwaliteit bevorderen.” Nederland hanteert binnen de gemeenschap een afwijkende opleidingsstructuur. Elders is sprake van universitaire opleidingen voor de hoogst gekwalificeerde trainers, coaches en leraren. “Juist op dat niveau wordt gewerkt aan afstemming”, zegt Van Bockom Maas. “En dan valt Nederland er buiten, terwijl het niveau van die universitaire opleidingen elders nauwelijks verschilt van onze hoogste opleiding. Het hoogst gekwalificeerde Nederlandse instituut is de Academie voor Lichamelijke Opvoeding, waar geen specifieke trainersopleiding wordt gegeven.”