'De grote landen vinden ons vaak een lastpost'

In het kabinet van Frans Andriessen, zijn 'denktank' van zes mensen, wordt sinds april hard gewerkt aan een plan voor een beperkt EG-lidmaatschap van Oosteuropese landen. Kritiek van de lidstaten schudt de Nederlandse vice-voorzitter van de Europese Commissie van zich af. “Ik kan u brieven laten zien van ministers die heel positief waren.”

“Frans, heb je de agenda voor juli gezien? Dat is een totale ramp!” Aan het woord is Sipke Brouwer, adjunct-kabinetschef van Frans Andriessen, eerste vice-voorzitter van de Europese Commissie, sinds 1981 de vertegenwoordiger van Nederland in het dagelijks bestuur van de Europese Gemeenschap. Het gezicht van Andriessen wordt even somber, maar klaart direct weer op. Hij heeft vandaag, de 13de juni, nog geen zin zich zorgen te maken over juli. Bovendien, hij heeft net een debat in het Europese Parlement achter de rug over de betrekkingen tussen EG en EVA (Europese Vrijhandels-associatie) en daarin bleef hij, zelf oud-parlementarier en door de wol geverfd, recht overeind. Met bijna nonchalant gemak diende hij de critici van repliek, ontspannen in de bank zittend, nu en dan omkijkend naar een bekende in de banken achter zich, grappend met de naast hem zittende Brouwer. In zijn kamer op de zesde verdieping van het Straatsburgse Palais d'Europe is het even rustig. De kamers daar - overeenkomstig de raadselachtige regels waarzonder Europese instellingen niet schijnen te kunnen bestaan - ademen de onpersoonlijke sfeer van hotelkamers: ze zijn namelijk afwisselend in gebruik bij de Raad van Europa of bij de leden van de Europese Commissie en dragen dan ook de sporen van haastig vertrek en haastige aankomst. Een bruin bureau met daarop een glas whisky, lege kasten, een stapeltje documenten, geen versiering aan de wanden. Een telefoon die herhaaldelijk rinkelt. De commissaris vertelt over zijn plan van een 'geaffilieerd' lidmaatschap voor de vele landen in Europa die ongeduldig op de deur van de Europese Gemeenschap staan te kloppen. Dat plan, dat toen nog niet uitgewerkt was, lanceerde hij enkele maanden geleden in Brussel, maar het vond in de ogen van de lidstaten weinig genade. “De eerste reacties waren inderdaad vrij negatief, maar in Centraal- en Midden-Europa was het anders. Ik kan u brieven laten zien van ministers die heel positief waren. Oost-Europa ziet dat plan als een politiek gebaar dat ze bij de Europese familie horen zonder dat het integratie-proces binnen de EG wordt benvloed.” Andriessen gelooft dat het beeld “een beetje begint te kenteren”. “Veel mensen blijken toch toe te geven dat ik met dat idee in elk geval een politiek probleem van de eerste orde heb gesignaleerd, namelijk dat we onvermijdelijk afgaan op een Europese Gemeenschap van 20 of 25 leden. We kunnen tegen die landen die in een vacuum terechtgekomen zijn toch niet zeggen dat ze nog maar tien jaar buiten moeten blijven? Er is daar zoveel instabiliteit, er heerst sterk het gevoel van onvoldoende respons van het Westen.” In de 'denktank' van Andriessen, zijn uit zes mensen bestaande kabinet, wordt sinds april hard gewerkt aan de vervolmaking van het plan voor een 'geaffilieerd' lidmaatschap. De benaming zal waarschijnlijk gewijzigd worden omdat affiliatie in veel talen de associatie van ondergeschiktheid wekt. Sipke Brouwer zegt daarover: “We moeten iedere gedachte aan een soort B-status vermijden. Misschien moeten we een andere term bedenken waarin tot uitdrukking komt dat ze er echt bijhoren.” Uitgaande van het feit dat overeenkomstig artikel 237 van het verdrag in principe alle landen van Europa - waartoe de Sovjet-Unie niet behoort - aanspraak kunnen maken op lidmaatschap van de EG, wil de Europese Gemeenschap de nieuwe democratieen in Oost-Europa een politiek orientatiepunt bieden. De zich in de jaren negentig verdiepende Gemeenschap is het ankerpunt en blijft het zwaartepunt. Maar in de periode dat de tien of twaalf aspirant-leden nog niet rijp zijn voor een volledig lidmaatschap kunnen ze wel al deelgenoot worden van het politieke integratieproces. De ministers van de geaffilieerde landen zouden een adviserende stem hebben waarmee rekening wordt gehouden bij de beslissing die de 'echte' Raad van Ministers neemt. Op dezelfde wijze zouden er regelmatig vergaderingen kunnen worden belegd van een 'uitgebreid parlement', en van een 'uitgebreid Coreper', zoals de vergaderingen heten van de permanente vertegenwoordigers van de twaalf lidstaten bij de EG. Ja zelfs is voorstelbaar dat de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders, het 'impulsgevende orgaan' van de EG, voorafgaande aan de echte bijeenkomst (eens per half jaar) een zitting in uitgebreide samenstelling houdt. Op die manier zou een permanente politieke dialoog ontstaan tussen de EG en de landen die er zo graag lid van willen worden, maar dat om veelal economische redenen niet kunnen. Het geaffilieerde lidmaatschap biedt die landen de gelegenheid zich met de EG te identificeren in de periode voordat volledige toetreding haalbaar is. Aanvullend zou een selectieve deelneming denkbaar zijn in een aantal specifieke organen: zo zouden de ministers bijvoorbeeld aanwezig kunnen zijn bij een 'uitgebreide' milieuraad. Op die wijze zouden de geaffilieerde leden de kans hebben om bij te dragen aan het tot stand komen van de beslissingen die de EG neemt en om zelf de binnenlandse wetgeving daarop alvast af te stemmen. Andriessen is zich ervan bewust dat dit ambitieuze plannen zijn waarmee de Gemeenschap op het ogenblik nog moeite heeft. De EG is immers zo druk bezig met haar eigen structuur, met de Economische en Monetaire Unie, met de Politieke Unie, met het voltooien van de wetgeving voor de interne markt, dat de lidstaten er slechts weinig aandacht aan willen besteden. Maar dat wekt bij hem wel wrevel: “Wat ik op het ogenblik mis in West-Europa is een visie op hoe we verder moeten gaan met de architectuur van Europa. Wat bedoelen we als we zeggen dat we een groter Europa willen hebben? Wat bedoelen we als we het hebben over een 'Europese confederatie', zoals Mitterrand die propageert? “Dat we overigens nog vaak te weinig consequent politiek handelen blijkt ook onmiddellijk wanneer we moeten vertalen wat we gaan doen. Zodra ik over handel begin te praten wijkt men terug. 'Ja, handel', zegt men dan, 'maar dat is gevoelig, textiel, landbouw, staal, dat is gevoelig.' Toen heb ik voorgesteld om geld dat voor de Sovjet-Unie bestemd is gedeeltelijk te gebruiken voor aankopen van agrarische produkten in Polen en Hongarije, dan snijdt het mes aan twee kanten: zij leveren en de Sovjet-Unie kan kopen met het door ons ter beschikking gestelde geld. Ik heb dat in de ministerraad gebracht, een halve tafelronde afgewacht en toen heb ik gezegd: 'Voorzitter, ik trek mijn voorstel terug.' Want ik had liever dat het niet verworpen zou worden, zodat ik nog een keer de kans krijg om terug te komen.” Toen hij kortgeleden in Praag was heeft Andriessen het idee voor 'triangulaire' handel opnieuw gelanceerd. Daar is men enthousiast, net zoals in Hongarije. Andriessen: “Daar staan honderden, zo niet duizenden autobussen klaar, gebouwd voor en in opdracht van de Sovjet-Unie, onder contract. De Sovjet-Unie neemt ze niet af, want ze kunnen niet betalen. Hard currency. In Tsjechoslowakije staan voor honderden miljoenen tram- en treinstellen klaar voor de Sovjet-Unie die ze niet kan afnemen. Als je nou garanties zou kunnen geven voor de aankoop - want wj kunnen die tramstellen niet leveren, wij bouwen niet voor die markt, wij bouwen voor andere markten - dan zouden wij daar helemaal niet onder lijden en die andere landen zouden er voordelen van hebben. Naar mijn idee zou dat een bijdrage zijn voor de oplossing van hun economische problemen. “Als we niet een beetje verbeeldingskracht opbrengen om dit soort dingen te verzinnen, dan zie ik niet hoe we kunnen beantwoorden aan de behoeften die in deze landen bestaan. Dat is dus wat ik bedoel als ik zeg: 'wat hebben we voor visie, hoe gaan we nou echt reageren? En zijn we wel diep genoeg overtuigd dat stabiliteit in Centraal- en Oost-Europa op langere termijn van vitaal belang is voor onze eigen stabiliteit en veiligheid?' Afgezien van een zekere mate van solidariteit, die toch niet helemaal hoeft te worden uitgesloten in de internationale politiek, is het ook reeel ons eigen belang.” Via het nationale eigenbelang komen we te spreken over de soevereine staat. Andriessen, die deze herfst een inaugurele rede moet houden voor de Rijksuniversiteit in Utrecht, waar hij tot buitengewoon hoogleraar is benoemd, zegt daar tegenwoordig veel over na te denken. “Het voornaamste verschil tussen wat er in de VS en andere federale staten is gebeurd en wat wij doen is dat wij een conglomeraat van soevereine staten zijn en dat tot op heden ook willen blijven. Er is niemand in de Europese Gemeenschap die bereid is om zijn soevereiniteit volledig in te leveren. Ik denk dat een van de kernvragen waarvoor wij op dit moment staan is of het model van de soevereine staat wel het model van de volgende eeuw is. Daar zet ik grote vraagtekens bij. Ik denk dat we moeten leren denken in termen van geleidelijk afnemende betekenis van de soevereine staat en toenemende betekenis van het supranationale orgaan. En op den duur gaat dat ertoe leiden dat de notie van de soevereine staat in Europa belangrijk aan betekenis zal inboeten.” Wanneer ik Andriessens kamer verlaat is er plotseling opwinding. “Heb je gehoord dat een collega-commissaris heeft gepraat over de Zweedse toetreding? Dat ze op 1 juli in Den Haag het verzoek indienen? Nog voor het bekend is gemaakt in het parlement!” Andriessen is gerriteerd, maar hij is er in de loop der jaren aan gewend geraakt dat zijn collega's wel eens indiscreties plegen. “Collegiale besluitvorming, zoals die in de Commissie bestaat, betekent nog niet dat je voor je beurt mag praten”, zegt hij gelaten. Andriessen vertrekt straks met Air France naar Brussel. Brouwer wordt gebeld door de dienst die voor de auto zorgt. “Ja, maar voor een toestel van 19.10 hoef je er nog niet om kwart voor zes te zijn!”, roept hij verontwaardigd. “Ik heb nog wel meer te doen!” Andriessens stem via de gang: “Ik moet even met Netty bellen, hoe doe ik dat?... De auto's, dat zit nog niet helemaal goed. ...ligt met malaria in Bangkok.” Brouwer leest intussen een tekst door die een medewerker hem laat zien. “Nee, de hele transportsector moet eruit, ja, en je bedoelt waarschijnlijk 'possible' in plaats van 'eventual'...” Brouwer vertelt over zijn zes jaar werken voor Andriessen. “Zeer aangenaam, hij is een man met grote intellectuele capaciteiten die de grijze massa voortdurend in beweging houdt. In het parlementaire debat voelt hij zich als een vis in het water. Hij begint zich meer voor het conceptuele te interesseren, er komt een historisch aspect bij, zeker ook in verband met het hoogleraarschap. Zijn plan voor het geaffilieerde lidmaatschap houdt in dat de Europese Gemeenschap een politieke ankerplaats moet zijn voor die landen, en later pas economisch. Dat is dus een totaal omgekeerde situatie. Het plan van Mitterrand over een Europese confederatie is voor Havel achterhaald. Mitterrand wil daar de Sovjet-Unie bij (en de Amerikanen erbuiten) en dat wil Havel natuurlijk helemaal niet. We zijn nu aan het brainstormen. Maar het is niet zo dat Andriessen in de Commissie in de hoek gedrukt was met zijn plan.” Achttien uur later in het Berlay- mont-gebouw in Brussel, in de aangename ambiance van zijn kantoor op de dertiende verdieping, heeft Andriessen er alweer een vergadering in Den Haag opzitten. Overleg over het komende voorzitterschap van Nederland. Dat sterk verschilt van dat van zes jaar geleden, zegt hij. “Toen was het een Europa met de horizon van het IJzeren Gordijn. Nu hebben we het Europa tot aan de Oeral en nog ergens daarachter. Er is inmiddels een totaal andere dynamiek gekomen in de Europese Gemeenschap. Die is van binnenuit ontstaan door onze eigen besluiten en van buitenaf aangereikt door de ontwikkelingen die hebben plaatsgehad.” Het gesprek komt op de positie van een Europese commissaris die landgenoot is van de voorzitter van de Raad. Maakt dat eigenlijk verschil? Andriessen: “Er bestaat natuurlijk een eigen relatie, maar ik herinner me dat Delors ooit zei dat hij liever Commissievoorzitter is onder het voorzitterschap van een ander land dan dat van Frankrijk. Nou, dat zeg ik niet, maar we zullen toch op een andere manier met elkaar praten en ik denk ook wat meer coTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT ordineren dan onder n'importe welk voorzitterschap.” Andriessen legt uit dat het voor de Commissie in het algemeen gemakkelijker is te werken onder het voorzitterschap van een van de kleinere lidstaten, omdat die meer 'Commissie-georienteerd' zijn. “De grote landen vinden de Commissie vaak een lastpost, kleinere landen hebben juist de neiging meer op de Commissie te spelen.” Wat betreft de controverse tussen zijn partijgenoten Lubbers en Van den Broek over hun competentie op het gebied van de buitenlandse politiek houdt Andriessen zich wijselijk op de vlakte. “Er is natuurlijk een zekere spanning aan het groeien doordat het buitenlands beleid de neiging heeft om meer naar dat communautaire te gaan. Je zit met het probleem dat in de Europese Gemeenschap de structuren verschillend zijn. In Frankrijk is de president nu eenmaal verantwoordelijk voor het buitenlands beleid. Dat is voor het Verenigd Koninkrijk formeel niet het geval, maar wel de facto. Als je in een structuur werkt waarin de premier of het staatshoofd een eigen specifieke verantwoordelijkheid heeft, dan zet zich zo'n model ook een beetje neer in de Europese Gemeenschap.” De vraag ten slotte die heel Europa bezighoudt: wie komt er na Delors, gaat Andriessen handig uit de weg. En wat hemzelf betreft, waar hij zal zijn op 1 januari 1993, in Brussel, Den Haag of elders? “Ik weet het niet, daar wordt veel over gespeculeerd, ik doe dat niet, niet over mezelf, ook niet over anderen in of buiten Nederland. Ik vind dat zeker in dit stadium vrij zinloos. Het heeft bovendien een duidelijke politieke connotatie en daar begeef ik mij liever niet in. Maar de kans dat ik in Den Haag zou zitten lijkt me uiterst klein.” Dus verlenging van het commissariaat? “Luister, ik voel me nog fit genoeg - Andriessen is 62 jaar - om beschikbaar te zijn, maar dat is natuurlijk geen zaak die primair van mij afhangt. Daar moet Den Haag over beslissen en Den Haag zal dat op een gegeven moment wel doen. Dan merk ik het wel. Maar ik zeg niet dat ik niet beschikbaar zou zijn.” De vraag ten slotte die heel Europa bezighoudt: wie komt er na Delors, gaat Andriessen handig uit de weg. En wat hemzelf betreft, waar zal hij zijn op 1 januari 1993, in Brussel, Den Haag of elders? “Ik weet het niet, daar wordt veel over gespeculeerd, ik doe dat niet, niet over mezelf, ook niet over anderen in of buiten Nederland. Ik vind dat zeker in dit stadium vrij zinloos. Het heeft bovendien een duidelijke politieke connotatie en daar begeef ik mij liever niet in. Maar de kans dat ik in Den Haag zou zitten lijkt me uiterst klein.” Dus verlenging van het commissariaat? “Luister, ik voel me nog fit genoeg om beschikbaar te zijn, maar dat is natuurlijk geen zaak die primair van mij afhangt. Daar moet Den Haag over beslissen en Den Haag zal dat op een gegeven moment wel doen. Dan merk ik het wel. Maar ik zeg niet dat ik niet beschikbaar zou zijn.”