De economie van de kindermishandeling

Op het eerste gezicht leek het de markt van welzijn & geluk in volle werking. Een organisatie van hulpverleners bedenkt, met subsidie van de overheid, een campagne om de aandacht te vestigen op het leed in de leniging waarvan zij voorziet. Vervolgens poneert zij dat die campagne de 'hulpvraag' zal doen toenemen en dat haar de middelen ontbreken om daaraan te voldoen. Als blijkt dat de overheid deze niet onverwijld ter beschikking stelt, staken de hulpverleners hun medewerking aan de campagne. Zo werken, meent - met Hans Achterhuis - de cynicus, de wetten van vraag en aanbod in de zachte sector.

De hulpverleners in kwestie zijn de vertrouwensartsen, het onderhavige leed is de kindermishandeling. De desbetreffende campagne zal, na bijna drie jaar voorbereiding, onder het motto 'Over sommige geheimen moet je praten' in dit najaar van start gaan via Socutera, Rondom Tien, Tina, Yes, Taptoe, de radio, Publex-borden, lespakketten en wat niet al. Ze dient twee doelen, zoals wordt toegelicht: ''Aan volwassenen zeggen: heb oor voor het verhaal van een kind. Maar vooral ook: kinderen motiveren om met hun ellende naar buiten te komen.'' Want kinderen voelen zich bij voorbaat schuldig als ze over hun bejegening door ouders of 'verzorgers' zouden 'klikken'. Tot nu toe is dan ook slechts 2 procent van het snel stijgend aantal 'meldingen' inzake kindermishandeling afkomstig van de slachtoffers zelf. Wat die stijging aangaat: in 1983 waren er 3.883 meldingen, in 1990 al 8.223, waarbij met name de 'snelle toename' in de sector 'emotionele mishandeling-verwaarlozing' opvalt. Vroeger, in de jaren vijftig toen 'geluk nog heel gewoon' was, was ook kindermishandeling heel gewoon. Kinderen werden gekleineerd ('jij deugt toch nergens voor') en gekrenkt ('ik wou dat je er nooit geweest was'), afgetuigd en gemaltraiteerd. Maar de term kindermishandeling bestond nog niet, het leed was nog niet benoemd en dus niet bespreek- en behandelbaar. Dat geldt voor veel kwalen in de moderne samenleving: stress, anorexia, hyperventilatie en allerlei syndromen, van het KZ- tot het postnatale. We weten nu hoe veel stoornissen heten en waar ze vandaan komen. Dat is beter dan niet, maar het is een kostbare ontwikkeling. Want elke nieuwe benoeming van een type leed maakt het 'herkenbaar' en leidt tot een hausse in slachtoffers die zich melden en om hulp vragen.

De directeur van de Landelijke Stichting Buro's Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling is drs. Harry Mourits. Ik herken zijn warme, invoelende stem van het radioprogramma Kruispunt, waarin hij tijdens de jaren zeventig de worstelingen binnen de katholieke kerk belichtte. Hij was de eerste getrouwde priester bij de KRO, werd een huisvriend van kardinaal Alfrink (die zijn eerste kind doopte), studeerde theologie bij prof. Schillebeeckx, werkte daarna voor 'oorlogsgetroffenen' en sedert vijf jaar bij de LSBVK. Deze overkoepelt een 130-tal medewerkers, van wie 40 (meest parttime-) artsen, 40 'maatschappelijk werkenden' en 50 administratieve krachten. De vertrouwensartsen houden zich overigens niet, zoals ik veronderstelde, zelf bezig met het lenigen van het leed. De bureau's fungeren als 'meldpunt', vervolgens voeren zij het 'exploratie- en verificatieproces' uit ('heel langdurig, heel omzichtig, om het hard te krijgen') en dan komt het 'opstarten van het hulpverleningsproces', waarvan zij ook de 'coordinatie' behartigen. De 'werkdruk' is geweldig groot. ''We behandelen eerst de meest ernstige meldingen, de andere gaan even op een stapel'', zegt Mourits zacht, ''maar als we aan die stapel toekomen, komt het soms voor dat het kind dood is.'' Al in 1988 kreeg hij van staatssecretaris Dees te horen dat de stichting misschien efficienter moest werken, misschien ook te veel oneigenlijk hooi op de vork nam. Een onafhankelijk bureau zocht het uit en stelde vast dat 'minimaal verantwoord werken' een personeelsuitbreiding van 40 procent nodig maakte, ad 2,5 miljoen gulden. De eerste anderhalf miljoen daarvan zijn inderdaad beschikbaar gesteld, het volgende miljoen werd gereduceerd tot vier ton, zodat er nu een flinke achterstand is ten opzichte van het toenmalige vereiste, nog ongerekend dus de sedertdien sterk gestegen vraag om hulp. En de taxatie is dat de campagne 'Over sommige geheimen moet je praten' nog eens 1.000 nieuwe meldingen zal opleveren. Nu mijn vraag: is het niet onverantwoord om zo'n actie op touw te zetten als je bij voorbaat weet dat je de nieuwe klandizie, die daardoor wordt gekweekt, niet kunt helpen? Tot mijn verbazing is Mourits dit geheel met mij eens. Hij heeft dan ook reeds een jaar geleden voorgesteld de 'campagne' af te blazen. ''Maar ik heb het niet gehaald.'' Het blijkt dat er behalve de zijne nog maar liefst vier andere landelijke organisaties over gaan: de NVAGG (Nederlandse Vereniging voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg), de VKM (Vereniging tegen Kindermishandeling), de VSK (de Vereniging tegen Sexuele Kindermishandeling binnen het gezin), de LOK (Landelijk Overleg Kindertelefoon). Binnen dit vijftal bevond Mourits zich in een minderheid van een en dus rolde de publiciteitstrein voort. De vertrouwensartsen menen voor elk nieuw geval 1.200 gulden te moeten spenderen en vragen dus 1,2 miljoen gulden voor de 'opvang' van de effecten der campagne. De overheid heeft trouwens nooit met zoveel woorden gezegd dat Mourits daar niet op hoeft te rekenen, maar geeft geen uitsluitsel. ''Als ik een jaar terug definitief had geweten dat ik geen cent kreeg, was ik er toen al uitgestapt.'' Dat deed hij ten slotte deze week, drie maanden voor het startsein van de actie. Een dramatisch gebaar als extra drukmiddel?

Welsprekend verdedigt de directeur het belang van zijn compartiment binnen de zachte sector, waarbij opmerkelijk is dat hij de harde argumentatie van de jaren negentig aanwendt: ''Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat seksueel misbruik en seksuele mishandeling in de jeugd leiden tot een leven lang van trauma's en hulpverlening. En dat de slachtoffers later zelf significant vaker behoren tot de kindermishandelaars. Dat kost op den duur allemaal veel meer. Dus ik zeg tegen staatssecretaris Simons, heel economisch: tel uit uw winst! Help ons de kinderen heel te houden.'' Had de overheid de vier ton, die ze nu steekt in de actie tot meerdere bewustwording van de ellende, dus maar beter meteen aan de vertrouwensartsen kunnen geven, zodat die tenminste eens aan de stapels voorlopig terzijde gelegde gevallen toekomen? Dat vindt Mourits, enigszins schizofreen, nu ook weer niet. ''Die campagne is op zichzelf goed. Ik ben een beetje naef. Als ik van een gifbelt hoor denk ik ook: goed dat we het tenminste weten, nu kunnen we er iets aan doen. Dus ik zeg: laten we het kwaad boven tafel halen. Maar laat de overheid ons dan ook in staat stellen er iets aan te doen.''