Bonn viert geen feest bij jubileum monetaire unie

BONN, 29 JUNI. Het verenigde Duitsland beleeft maandag een jubileum dat de regering in Bonn graag zonder bloemen of toespraken gevierd ziet. Dan is het een jaar geleden dat de D-mark haar intocht deed in de toen staatkundig al bijna overleden DDR.

Inmiddels heeft een groot deel van de Oostduitse industrie, verouderd maar tot voor kort toch het paradepaard in de communistische wereld, na de kennismaking met de vrije wereldmarkt de laatste adem uitgeblazen. In Erich Honeckers gewezen boeren- en arbeidersstaat is een enorm werklozenleger ontstaan, dat zijn grootste omvang nog niet eens heeft bereikt. Integendeel, morgen komt een einde aan de ontslagbescherming die voor grote groepen was afgesproken in het Duitse eenwordingsverdrag. Daarmee dreigt volgens sombere prognoses van het Berlijnse Treuhand-instituut voor nog eens 900.000 mensen ontslag. Op 30 juni eindigt namelijk de zogenoemde Warteschleife, een interimregeling voor de 2,2 miljoen Oostduitsers die tot vorig jaar het hopeloos overbezette overheidsapparaat van de DDR bevolkten. Geschat wordt dat omstreeks 400.000 ontslagen zullen vallen. Ook eindigt morgen in het algemeen de zogenoemde Kurzarbeit-0-regeling, die vele honderdduizenden in wier bedrijven eigenlijk geen werk was, maandenlang van een salaris voor thuisblijven voorzag. Ook van deze groep schuiven er volgende maand zeer velen, de Treuhand schat een half miljoen, door naar de officiele werkloosheidsstatistieken. Om de gedachten te bepalen: eind mei was het officiele werkloosheidscijfer in Oost-Duitsland 842.300, “korter” werkten 1,96 miljoen mensen. Het eerste cijfer zal dus zometeen sterk stijgen. Maandag steken Oostduitsers de vlag dus niet uit. Sommige buitenlandse experts zullen enig leedvermaak onder een verbaal laagje discrete deelneming bedekken. Want hier en daar is een merkwaardige posterieure sympathie voor de vroegere DDR ontstaan, die misschien ook wel wat te maken heeft met de schrik die de Duitse eenwording voor velen in Europa ook meebracht. Hoofdschuddend zagen vele economen het op 1 juli 1990 gebeuren: de sterkste economie van Europa stelde met onmiddellijke ingang de sterkste munt van Europa beschikbaar aan een land met een strak-dirigistische economie, dat zich achter vele misleidende statistieken in werkelijkheid op de rand van het faillissement bevond. Ja, in het verkiezingsjaar 1990 werd de D-mark zelfs in een paritaire wisselkoers tussen D-mark en de Ost-Mark (de “Alu-Chip”) aangeboden. Dat was een mooi begin voor de Oostduitse bevolking (en voor een coalitie die een serie verkiezingen tegemoet ging), maar betekende op termijn ook de doodsteek voor vele doodzieke (marode) Oostduitse staatsbedrijven, was de algemene economische opvatting. Zo is het gegaan, en het kon in feite niet anders gaan. Begin februari 1990, toen kanselier Kohl besloot om de DDR met spoed een monetaire unie aan te bieden, vertrokken wekelijks fantastische aantallen Oostduitsers naar West-Duitsland, doorgaans jongere goed opgeleide mensen. Meer dan dat, niet alleen was er het acute gevaar dat de DDR leegliep, zij was economisch eigenlijk op sterven na dood. Dat had Kohl trouwens een paar dagen eerder, op het wereld-managementsympsosium in Davos, al in bedekte termen gehoord van de toenmalige DDR-premier Hans Modrow. Die had hem daar verteld wat iedereen vandaag weet, namelijk dat de Oostduitse industrie al jaren, ook dankzij buitenlandse kredieten, via grote subsidies tot ver beneden kostprijs produceerde maar nu langzamerhand met de overheid voor de afgrond stond. Anders gezegd: de DDR was al jaren bezig zichzelf op te eten. Dat was Kohl toen wellicht nog niet helemaal duidelijk, maar dat er iets ernstigs aan de hand was en dat alleen de belofte van een snelle monetaire unie de Oostduitse exodus zou kunnen afremmen, dat moet toen voor hem hebben vastgestaan. Het kan geen kwaad te bedenken dat het zicht op snelle Duitse eenwording pas vijf maanden later kwam, namelijk tijdens Kohls juli-bezoek aan president Gorbatsjov in de Kaukasus. Het aanvankelijke Oostduitse enthousiasme over de komst van de D-mark en - op 3 oktober 1990 - de Duitse eenwording heeft intussen bij velen plaats gemaakt voor ontnuchtering en angst voor de toekomst. Al is er vrijheid, al liggen de winkels vol en al gaat het de meeste bewoners qua koopkracht echt beter dan voorheen, de werkloosheid ligt als een zware grauwsluier over alles heen. Een communistisch-dirigistisch land met een verzwegen financiele noodtoestand, met een bevolking die eigen initiatief ruim veertig jaar in de taboesfeer wist, werd uitgeleverd aan de wereldmarkt en de concurrentie van agressieve Wessi's met hun vrije markt. Dit jaar gaat er 150 miljard mark uit Bonn naar de vijf nieuwe Oostduitse deelstaten. Bundesbank-president Pohl waarschuwde er deze week voor nog meer geld te sturen en zo, onbedoeld, de Oostduitsers toch weer in de richting van een (nieuwe) subsidiecultuur te duwen. Niettemin: Saksens minister-president Kurt Biedenkopf (CDU) laat al horen dat nog een decennium jaarlijks honderd miljard hulp nodig is. De enorme geldstroom, bovendien honderden miljarden Oostduitse schulden die moeten worden overgenomen, immense Treuhand-kosten, de Golf-oorlogbijdragen, de hulp aan Oost-Europa, de recente keuze voor Berlijn als politieke hoofdstad, boven de produktiviteit stijgende nieuwe cao's - dat alles doet intussen de vraag opkomen of de Westduitse economie zich niet aan het vertillen is. Zoals er in de EG nu onmiskenbaar bezorgdheid begint te ontstaan over de hoogte van de Duitse rente en het begrotingstekort. En daarmee over de toekomst van de D-mark, Europa's leidende munt. De onvermijdelijke, maar harde en abrupte confrontatie met de D-mark is in Oost-Duitsland uitgelopen op een koude sanering, waarvan de sociale gevolgen voorshands zoveel mogelijk met enorme geldtransfers uit de Bondsrepubliek worden getemperd. Tussen de coalitiepartijen enerzijds en de SPD en de vakbonden anderzijds is al maanden een discussie gaande over het geldende saneringsrecept. Voor de SPD, en voor veel Oostduitsers, is dat concept zelf de bron van het kwaad. De regeringscoalitie ziet die sanering per saldo als de enige echte weg naar economische genezing. Achter de ontmoedigend groeiende werkloosheid zijn er nu eerste tekenen dat zij gelijk zou kunnen krijgen, want het aantal nieuwe Oostduitse bedrijfjes steeg de afgelopen maanden spectaculair. Maar voor het eerste monetaire jubileum, overmorgen, betekent dat nog weinig.