Architectuur nieuwbouw weerspiegelt opzet Rijksakademie

Van de oude Kavallerie-kazerne in Amsterdam maakt architect Koen van Velsen een nieuw gebouw voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Deze postacademische instelling, die nog maar luttele jaren geleden met opheffing werd bedreigd, kan zich nu nu met rest van de Europa meten.

AMSTERDAM, 29 JUNI. Uit de stallen van de Kavallerie zijn de paarden allang verdwenen. De geur van mest en stro is verdreven door die van verse beton en baksteengruis; op het binnenplein worden geen exercities meer gehouden maar verrijzen er staketsels van glanzend metaal. Naar een ontwerp van architect Koen van Velsen wordt dit gebouw aan de Amsterdamse Sarphatistraat verbouwd tot een thuis voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Pas over een jaar kan de academie verhuizen, maar na alles wat eraan vooraf is gegaan lijkt dat minder dan geen tijd. Al een eeuw lang maken Nederlandse architecten ontwerpen voor de Rijksakademie, die in 1870 is opgericht. In 1900 leverde H. Walenkamp zijn bijdrage aan een prijsvraag hiervoor met als motto 'Despereert nimmer'. In 1917 deden Duiker en Bijvoet, Wijdeveld en Michel de Klerk mee aan prijsvraag van de regering. “Het gebouw zal zoo moeten zijn ontworpen, dat het zooveel mogelijk een kunst-werk mag heeten,” aldus het reglement. “Wat de aesthetische vormenspraak aangaat, deze zal in het bijzonder duidelijk moeten uitdrukken, dat het gebouw voor het hooger onderwijs der Beeldende Kunsten wordt opgericht.” Voor het winnende ontwerp van Duiker en Bijvoet was uiteindelijk geen geld, maar anderen lieten zich niet ontmoedigen: in 1921 kwam Van Eesteren met een ontwerp voor een Instituut voor Wetenschap, Letteren en Beeldende Kunsten. Een halve eeuw later intrigeerde het idee kennelijk nog steeds: in 1971 ontwierp de latere rijksbouwmeester Van Gool een academiegebouw - eveneens tevergeefs. Van Velsen valt de eer te beurt om als eerste zijn ontwerp - weliswaar op basis van een bestaand gebouw - gerealiseerd te zien worden. Met een totale investering van 33 miljoen gulden maakt hij een 'instituut voor praktijkstudie' - een van de drie in Nederland voor postdoctoraal kunstonderwijs - van een gebouw dat in 1863 voor de Kavallerie is gebouwd en in 1889 Rijksgeneesmiddelenmagazijn werd. In de voormalige stallen worden de werkplaatsen ondergebracht voor onder andere hout, metaal, steen, keramiek, kunststoffen, fotografie, film, video, offset- en lithodrukken en computertechniek. De eerste verdieping en de manege worden opgedeeld in zestig individuele ateliers. Drie grote ateliers van negentig vierkante meter ieder zullen plaats bieden aan grote projecten of interdisciplinaire samenwerkingen, bijvoorbeeld met theater en architectuur. Op het binnenplein worden twee gebouwen van achttien meter hoog opgericht met daarin bibliotheek, een gehoorzaal, een galerie, een grote daglichtstudio en de administratie. Beide 'torens' zijn met luchtbruggen aan elkaar en aan het hoofdgebouw verbonden. De nieuwbouw wordt met steen bekleed om niet al te opzichtig tegen het bestaande af te steken; juist dan spreken de vormen voor zichzelf, vindt de architect. Vanaf de Sarphatistraat kijk je door de poort van de kazerne dwars over de binnenplaats heen naar het water en het petit restaurant. Jean Beddington, Engelse kokkin en voormalige studente van de Rijksakademie, zal er adviseren en begeleiden. Directeur Janwillem Schrofer vindt het ontwerp van Koen van Velsen niet alleen mooi, maar ook op een bevredigende manier logisch. “Deze architectuur vormt een duidelijke weerspiegeling van de opzet van de Rijksakademie,” zegt hij. “Aankomende kunstenaars werken in en vanuit een eigen atelier, onder begeleiding van ervaren kunstenaars. Hier krijgen ze de technische faciliteiten om hun eigen weg te volgen. Gentegreerd binnen die praktijk - dus op het binnenplein - staat de theorie. Deze is niet alleen naar binnen gericht, maar vormt ook een verbindingsschakel met de kunstwereld van vroeger en nu. De ingang ligt daarom op dat binnenplein, in het hart.” Naast de Rijksakademie wordt postacademisch kunstonderwijs gegeven bij Ateliers 63 in Haarlem en de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Het drietal wordt niet gefinancierd door het ministerie van onderwijs, maar door WVC. Begin jaren tachtig was de Rijksakademie in zo'n diepe winterslaap gesukkeld dat WVC met opheffing dreigde. Schrofer, die als troubleshooter is binnengehaald, zegt: “Nu kunnen we ons niet alleen met andere kunstinstellingen in Nederland meten, maar ook op internationaal niveau tellen we uitdrukkelijk mee.” Ook buiten de academie wordt dat beaamd. Niet alleen wordt de intensieve individuele begeleiding van de zestig studenten geroemd, maar gedijt ook de discussie over hedendaagse kunst. Bovendien heeft de academie geen vast docentencorps meer, maar worden voor beperkte periodes kunstenaars aangetrokken, deels uit het buitenland. Dit jaar zijn dat onder anderen John Hilliard, Jean-Marc Bustamante, Narcisse Tordoir, Hermann Pitz en Armando. Juist op internationaal niveau groeit het aanbod aan nieuwe instellingen voor kunstonderwijs, waarbij de nadruk vooral ligt op technologische middelen zoals de computer. In Karlsruhe bijvoorbeeld worden in 1995 het Zentrum fur Kunst und Mediatechnologie en een Hochschule fur Gestaltung geopend in een gebouw van Rem Koolhaas. In Keulen is eind vorig jaar een Hochschule fur Neue Medien begonnen. In de Noordfranse plaats Tourcoing wordt met veel nadruk op de moderne technologie een ecole superieure d'art opgericht. Voorlopige huisvesting is Le Fresnoy, een gebouw met een rijkgeschakeerd verleden als zwembad, manege, schaatsbaan, box- en worstelring, dancing en bioscoop. Welke plaats is er voor nieuwe media als computertechnieken weggelegd in een academie als die van Amsterdam, waar veel aandacht werd besteed aan 'traditionele' disciplines als hout en steen? “De apostelen van de computertechniek spreken van een 'doorbraak naar een nieuwe wereld',” zegt Schrofer, “maar ik ben zelf wat cynischer. “Een deel van wat ik op de Duitse instituten en elders heb gezien is technocratische spielerei. De dinosaurus binnen de kunst: groot, indrukwekkend, een wellicht noodzakelijke stap in de evolutie maar van voorbijgaande aard, zeker in deze vorm. Technologie is vooral interessant als het niet megalomaan wordt, maar juist dichtbij de praktijk blijft. Op de Rijksakademie staat de artistieke vraagstelling voorop, ook bij technologisch nieuwe media.”