Aanmerkt de lelien des velds

In een tuin die ik vorig jaar bezocht, op een wat schrale herfstdag, was het indrukwekkendste eigenlijk een herinnering van de eigenaar. ''Hier, in de hele omtrek,'' zei hij met een weids armgebaar, ''hadden we honderd Lilium regale geplant. Het was sprookjesachtig.''

Later zag ik in een televisie-uitzending over een tuin in Dorset bloemperken van een onvoorstelbare weelde - massa's rozen, clematis en lavendel, overweldigend. Toen zei de eigenares: ''Maar het beste heb ik voor het laatst bewaard'', en daar verscheen het in het beeld, een border van Lilium regale, honderden, elkaar verdringend, het was bijna alsof je ze kon ruiken. Tussen deze twee tijdstippen was ik zelf tot de conclusie gekomen dat er geen reden was waarom ik het ook niet eens zou wagen. Er is een zekere doodsverachting voor nodig, want het kweken van lelies is omgeven met veel hocus pocus en afschrikwekkende folklore; ook zijn er zoveel soorten en hybriden dat het moeilijk is om een keus te maken. De oerlelie, misschien de oudste gecultiveerde bloem, is de Madonnalelie, Lilium candidum. Maar de Madonnalelie, net als sommige andere soorten, moet van top tot teen in de volle zon staan; zo bestelde ik tenslotte een dozijn koningslelies. Deze is diametraal tegengesteld aan de Madonna; zij werd pas ontdekt in 1904, door E.H. Wilson, in hetzelfde woeste ravijn in China als de Ceratostigma willmottianum. ''Niet twee of drie, maar bij honderden, duizenden, ja tienduizenden'', schreef hij, ''de lucht is in de ochtendkoelte en 's avonds zwaar van het heerlijke parfum dat elke bloem afgeeft.'' Hij nam 300 bollen mee terug naar Engeland en ging opnieuw naar China in 1910 om er nog meer te halen; hij brak daarbij zijn been en liep voor de rest van zijn leven mank. Wilson vond meer planten dan enige andere natuurvorser in de geschiedenis, maar zelf zei hij dat hij 'zijn reputatie met trots verbond aan de Koningslelie'. Mijn bollen arriveerden in goede orde, enorme geschubde lichtpaarse monsters, die men verondersteld wordt nauwkeurig te onderzoeken op tekenen van virusziekten. Ik onderzocht en was so klug als wie zuvor. Voor zieke lelies is een gruwelijk lot weggelegd: ze moeten 'onmiddellijk verbrand' worden, als onderdeel van iets dat kennelijk gezien wordt als een zuivering of loutering, of misschien zelfs als straf, veroordeling tot de brandstapel (vergelijk ook Mattheus 6:30). In alle tuinboeken wordt met nadruk op de noodzaak van deze vurige verdelging gewezen, alsof er niet zoiets als een gemeentelijke vuilnisdienst bestond. Verder is er nog van alles over verschrompelde wortels en de rampen die leliebollen bedreigen bij een verblijf van meer dan tien dagen boven de grond. De beste planttijden zijn september of oktober. Uiteraard arriveren de bollen veel te laat voor de optimale planttijd, meer hartje winter, en een manier om vast te stellen hoe lang ze uit de grond zijn geweest is er ook niet - geen wonder dat er zoveel rituele handelingen aan het kweken van lelies zijn verbonden. Je zou ze eigenlijk beter meteen in de vurige oven kunnen gooien, maar dat zou een duur vuurtje zijn geweest en ik heb ze dus toch maar geplant. Koningslelies verlangen schaduw rond hun voeteneind en een bedje van zand onder zich; ze hebben geen bezwaar tegen kalk of zware klei, een beetje schaduw op hun kopjes mag ook nog, maar ze houden niet van te veel mest. Sommige insiders planten hun bollen zelfs alleen gekanteld, om te zorgen dat zich in de kroon geen water verzamelt, maar dat wist ik gelukkig nog niet toen ik de mijne aan de aarde toevertrouwde; de hele zaak was ook zo al ingewikkeld genoeg. Het laten kiemen van leliebollen is iets als het uitbroeden van de eieren van een phoenix: ze lijken in niets op enige andere bol en hebben een voortdurende behoefte aan tedere zorg. In je optimisme zie je hele trossen exotische bloemen uit de aarde oprijzen, en tegelijkertijd is er de diepe en onuitroeibare overtuiging dat er iets mis zal gaan. Maar toen ze eenmaal veilig in de grond zaten viel er niet veel anders meer te doen, en daarom kocht ik er nog maar eens zes in het tuincentrum en plantte die in potten. Ook het kopen van leliebollen in een tuincentrum heet een manier te zijn om allerlei onheil in huis te halen; ze liggen daar te lang en drogen uit. Maar mijn potlelies waren, na een tijd te hebben doorgebracht in de schuur, de eerste op het appel. De scheuten waren roodachtig en bovenaan open; je kon er inkijken en alle miniatuurblaadjes en bloemknoppen binnenin zien zitten, als bij een opvouwbare paraplu. Je hoeft hem alleen maar open te trekken om de complete lelie te krijgen. Ze zich op eigen kracht te zien openen was overigens ook al tamelijk zenuwslopend; sommige virusziektes waar lelies vatbaar voor zijn, zo had ik pas gelezen, zijn in feite onzichtbaar. Wat te doen? Alles verbranden, dat is het enige wat er op zit, Dieu reconnatra les siens! En dan zijn er nog de bladluizen; niet alleen eten zij de jonge toppen, ze verspreiden ook die onzichtbare ziektes. Regelmatig spuiten, lees je altijd, maar dat heb ik achterwege gelaten. Er is overigens wel iets misgegaan met twee van de potplanten: een ervan had een verdikte en afgeplatte stengel, en deze en nog een andere produceerde alleen lege klauwvormige knoppen, als wanhopig in de lucht grijpende handen; dit is niet te wijten aan zo'n gevreesd virus, zo bleek bij het naslaan van de gespecialiseerde literatuur, maar aan 'stressful conditions' in een vroeg stadium (in het tuincentrum natuurlijk), en het komt in een volgende generatie vanzelf in orde. Dit jaar dus geen brandstapel. De overige potlelies staan nu sinds een paar weken in volle bloei: eerst worden de knoppen groter en roder en steeds voller van belofte, en dan springen ze een voor een open. Bij de eerste barst in het pantser kon je de geur al ruiken, nog hemelser dan voorspeld was. Elke nieuwe bloem is tijdelijk de mooiste van de tuin (net als bij Andy Warhol: iedereen wordt op zijn beurt een paar uur lang beroemd), maar met deze Koningslelies, daaraan is geen twijfel, is iets speciaals aan de hand: ze staan daar zo hoog en sterk, de smalle blaadjes vormen zo'n passende achtergrond voor de grote trompetvormige bloemen, van een wasachtig smetteloos wit met fijne rode veegjes buitenop; de kelken zijn zelfs omhooggekeerd zodat je er gemakkelijker je neus in kunt steken. Je kunt er onmogelijk langslopen zonder stil te houden en je longen te vullen met de geur; aanmerkt de lelien is het eerste gebod voor iedere bezoeker van de tuin. Degene die in de koude grond staan hebben nog niet gebloeid, maar het is bijna zover. Ze leunen een beetje naar voren (te veel schaduw), en ik zou ze eigenlijk op moeten binden, maar ik las ergens dat je de stutten moet plaatsen tijdens het planten, in verband met het gevaar dat je zo'n staak dwars door de bol steekt als je het later doet. Voorwaar, het leven van de lelie is vol dreiging en avontuur: een kort bestaan in voortdurende angst voor droogte en virus, vrezend op de brandstapel terecht te komen als Jeanne d'Arc of een staak door het hart te krijgen als Graaf Dracula; de bloem der goden, maar de lieveling van het noodlot.