Wonderfiets

Willem van Toorn: Rooie en andere verhalen over mijzelf en mijn klas. Uitg. Querido. Prijs (f) 21,90. Wim Daniels: Dingen van Daan. Uitg. Holland. Prijs (f) 21,90. Peter Pohl: Jan, mijn vriend. Uitg. Querido. Prijs (f) 25,-.

Wordt een boek een jeugdroman door een flinke scheut schoolleven en een snufje prille liefde? Echt belangrijk is de vraag niet - het gaat er natuurlijk om of een boek een goede jeugdroman is - maar hij doet zich voor omdat Willem van Toorn na een aantal romans, verhalen- en gedichtenbundels voor volwassenen nu een boek in het jeugdfonds van Querido gepubliceerd heeft. Rooie bevat acht verhalen over de tijd dat de verteller vijftien jaar was en op een vriendelijke, kleine school zat. Het titelverhaal verscheen met werk van andere Querido-auteurs eerder in de verzamelbundel Doe maar open (1984): een jongen in de klas wordt plotseling kaal en de groep neemt hem met rode pruik en al in bescherming tegen de buitenwacht. In zijn nieuwe verhalen vertelt Van Toorn over de werkweek, over de komst van een leerling uit Italie en het toeslaan van de liefde. Eigenlijk zijn de concrete gebeurtenissen niet zo belangrijk. Het gaat de auteur meer om een sfeer, om een impressie uit de tijd toen iedereen nog aardig was voor iedereen en leerlingen 's avonds bij het licht van een petroleumlamp met hun begenadigde leerkracht een goed gesprek over literatuur voerden. Van Toorn is een rustige, zorgvuldige verteller, met oog voor detail. Zijn verhalen vertonen nogal wat overeenkomsten met de eerste twee uit de bundel Pechvogels. Anders in Rooie is de manier waarop de auteur zijn lezers aanspreekt: “Zo. Nu wil ik het eens over mijzelf hebben. Over al die types in mijn klas heb ik je van alles verteld, maar van mij weet je nog niks.” Voeg daarbij de toon van weemoed - “Zo moest het altijd maar blijven, dacht ik. Linda, de vrienden die je een beetje uitlachten, maar die om je gaven” - en de kleur van Cornelis Jetses' wandplaten en je krijgt het 'Oom Willem vertelt'-effect. Het is de vraag of jongeren van nu daar oor voor zullen hebben. Het andere uiterste is Dingen van Daan. Via een soort dagboekaantekeningen dient Wim Daniels een jaar op uit het schoolbestaan anno 1991, compleet met zeurende leraren, projecten, lessen over Aids en een klassebezoek van Simon Vinkenoog. Als emotionele versiering vlecht hij daar nog een obligate eerste vrijpartij doorheen. Het boek is van de eerste tot de laatste bladzijde opgetrokken uit hijgerige zinnetjes en tof jargon als 'geramd zitten, ongeloofloos, best wel, cool down, je kunt het vet sjeken' en zo verder. Het heeft nog het meeste van een uitgeschreven bandopname van een middagje in de schoolkantine. Zo verbergt Daniels een mogelijk echt beeld van jonge mensen onder het cliche van herkenbaarheid. In Jan, mijn vriend beschrijft de Zweed Peter Pohl een jaar vol veranderingen, onzekerheid en verwarring uit het leven van een twaalfjarige jongen en hij doet dat op een buitengewoon indringende en gecompliceerde manier, die van elke lezer de uiterste concentratie vraagt. Krille heeft als briljante zoon van een ambtenaar een plaats veroverd op het zogenaamde Sodra Latijn, Stockholms meest eerbiedwaardige middelbare school, die prat gaat op een geschiedenis van eeuwen. Het eerste schooljaar voelt Krille zich als 'een touw bij het touw trekken' tussen de school en de jongens-gang waar hij in zijn vrije tijd mee optrekt. Sodra Latijn biedt vrachten interessante kennis, maar ook onrechtvaardige machtsverhoudingen, leraren die getypeerd worden als 'paragrafenneukers' of 'bemoste, ouwe knarren met stokken, gehoorapparaten, een fantastische hoest en andere kwalen op de rand van het graf' en verwende leerlingen, die hun verveling bestrijden met winkeldiefstal. Binnen de gang, waar de vaders lasser, bouwvakker en alcoholicus zijn, liggen de verhoudingen heel wat eenvoudiger. Het buitenschoolse bestaan is gevuld met een partijtje voetbal, een robbertje vechten, sterke verhalen en het meten van elkaars piemel en lef. Krille weet zich met een been in beide werelden staande te houden en raakt pas echt van slag wanneer de mysterieuze Jan op de fiets zijn leven binnen raast. Met zijn rode haar en sproeten is Jan een jongensuitvoering van Pippi Langkous. Hij is een waaghals en een meester op de fiets en hij kiest Krille als vriend. Hij koestert zich in de gezinswarmte bij Krille thuis, verdwijnt soms weken zonder enig levensteken en duikt dan weer op met duidelijke sporen van mishandeling. Krille raakt van de jongen bezeten - “ik gaf zoveel om Jan dat hij een beetje van mijzelf geworden was” - en stelt alles in het werk om diens wereld binnen te dringen, maar is nog te veel een kind om Jans vreselijke geheim te kunnen ontdekken en hem voor de ondergang te behoeden. Pohl heeft zijn verhaal knap in elkaar gezet. Het begint wanneer Jan er niet meer is en de politie de gang met een aantal voorwerpen, waaronder Jans wonderfiets, confronteert in verband met een gerechtelijk onderzoek. In flash back beleeft Krille zijn enerverende jaar opnieuw en gaat met de lezer stap voor stap op de ontrafeling van een dubbel geheim af: dat van Jan en dat van zijn eigen emoties. Op het moment dat alle verhaaldraden bij elkaar komen, blijft de ware toedracht nog in het vage. Mogelijk was het de bedoeling van de auteur om niet al te expliciet te worden. Naar mijn idee heeft hij zich echter vertild aan de zwaarte en de complexiteit van zijn eigen verhaal en laat hij de lezer ten onrechte met onduidelijkheden achter. En die heeft al zo geweldig hard moeten werken, want wie denkt iets te kunnen overslaan in Pohls woordenvloed mist onmiddellijk iets belangrijks. De vertellende ik-figuur bedient zich weliswaar van jofele jongerentaal als “laat zich niet verneuken, trok er zich geen sodeju van aan, gemotoriseerd koekblik” en van stoer vernederlandst Engels - 'smijl' en 'naif' - maar sommige zinnen zijn ademloos en ingewikkeld (waar de beschreven werkelijkheid dat is) en beslaan een volle bladzijde. Het is ook niet waarschijnlijk dat een twaalf-dertienjarige, hoe intelligent en taalgevoelig ook, dit soort woorden kiest: “waarop Jan kortweg repliceerde dat zijn onderbroek nou niet precies voor openbaar vertoon geeigend was.” Wat recht overeind staat, is de figuur van Krille, die de wereld probeert te ordenen via feiten, cijfers, jaartallen, records en statistieken in een catalogussysteem, maar die op zijn gevoelens geen vat kan krijgen. Die gevoelens zinderen door het verhaal en vinden hun hoogtepunt in een prachtig beeld: twee jongens, die samen op een fiets door het landschap suizen. Hoewel er even sprake is van erotiek wordt die niet uitgewerkt. Het begrip homoseksualiteit is ook niet echt aan de orde. Pohl beschrijft een jongenswereld met daarin een boezemvriendschap, die misschien wel zo totaal en aangrijpend is, omdat hij onaf en dus onaangetast blijft.