'Waterland' als wervend begrip

Het toerisme bloeit. Ondanks het slechte weer van nu. Om nog meer buitenlanders aan trekken is Nederland aan een nieuw 'symbool' toe: de tulp dreigt te verwelken.

De matige tot krachtige wind van het weerbericht heeft gezelschap gekregen van een fikse regenbui. Samen slaan ze hard tegen de duinpannen op het Noordwijkse strand als de Duitse dertiger Werner Bogen routineus zijn rode Volkswagen voor het bordje 'Zimmer mit Frustuck' parkeert. Bogen is hier niet speciaal gekomen voor 'aanhoudend koel en wisselvallig weer'. In een droefgeestig decor vertelt hij opgewekt dat vooral de zee, de frisse lucht en de rust hem steeds weer naar Nederland trekken. Voor de vierde keer dit jaar bezoekt de Duitse toerist zijn buurland en heeft hij - samen met zijn vrouw en twee vrienden - een kamer gehuurd in een hotelletje. Bogen is een van de 1,8 miljoen Duitse toeristen die jaarlijks Nederland bezoeken. In 1990 kwamen er in totaal zes miljoen buitenlandse toeristen naar Nederland en vierden enkele miljoenen Nederlanders vakantie in eigen land. Het gaat goed met het Nederlands toerisme, daaraan kan zelfs deze slechte zomer vooralsnog weinig veranderen. Dit weekeinde begint voor honderdduizenden Nederlanders de zomervakantie. Acht miljoen landgenoten gaan jaarlijks op zomervakantie. Iets minder dan de helft van dat aantal blijft in Nederland, de rest gaat de grens over. Zo'n 2,5 miljoen buitenlanders komen deze zomer naar Nederland toe. Volgens het Nederlands Bureau van Toerisme (NBT), heeft het slechte weer nauwelijks invloed op de hoeveelheid toeristen in Nederland. Uit het Continu Vakantie Onderzoek blijkt dat tweehonderdduizend van de in totaal bijna zeven miljoen zomervakanties op het laatste moment door slecht weer worden afgezegd. “Het weer heeft een veel geringere invloed op het toerisme dan vaak wordt aangenomen. Als het weer - zoals nu - lange tijd erg slecht is, korten mensen hun vakanties hoogstens met een paar dagen in”, legt NBT-directeur mr. J.A.T. Cornelissen uit. Al zien de meeste strandtenthouders de regenbuien graag verdwijnen, de meeste attracties in Nederland zijn inmiddels 'weersonafhankelijk' gemaakt. Ze hoeven zich echter niet al te veel zorgen te maken. Ook op langere termijn - zo is uit onderzoek gebleken - heeft een slechte zomer weinig effect op het aantal toeristen dat Nederland bezoekt. Evenals een goede zomer trouwens. Het weer als ongewisse factor lijkt het imago van Nederland-vakantieland nauwelijks te benvloeden. Al jaren wordt dat imago bepaald door klompen, kaas, molens en tulpen. Deze symbolen worden mondiaal gedentificeerd met 'dat kleine landje ergens in de kop van Europa'. Maar Nederland is toe aan een nieuwe 'lokker': een eigentijds teken dat aansluit bij het huidige 'produkt' en nieuwe stromen buitenlandse toeristen naar Nederland trekt. Het NBT heeft er zelfs een prijsvraag voor uitgeschreven. 'Nederland Waterland' is een van de suggesties. Doorweekte duintoeristen kunnen daar de komende dagen nog eens rustig over nadenken. De toeristische bedrijvigheid in Nederland is de afgelopen vijf jaar sterk gestegen. De bestedingen van Nederlanders aan toerisme en recreatie in eigen land bedroegen in 1991 25 miljard gulden. Buitenlandse toeristen lieten vorig jaar in totaal 6,8 miljard gulden achter. Tien jaar geleden was dat nog 3,9 miljard gulden. Anno zomer '91 biedt de toeristische sector in Nederland werk aan 230.000 mensen, verdeeld over 45.000 bedrijven. De totale omzet is groot: 33 miljard gulden in 1990. En de omzet zal - zo zeggen deskundigen - de komende jaren groeien tot 38 miljard gulden in 1995. De stroom buitenlanders met Nederland als vakantiebestemming neemt de laatste jaren sterk toe en houdt daarmee minimaal gelijke tred met de mondiale ontwikkelingen van het toerisme. Reizen is 'in' en over de hele wereld is deze jonge bedrijfstak - pas sinds de jaren zestig is het toerisme zich echt gaan ontwikkelen - uitgegroeid tot de grootste industrie met een omzet van ruim 2.000 miljard dollar. In deze industrie en aanverwante sectoren werkt een op de zestien mensen.

Pag. 10

Pretparken zijn grote trekkers

De relatieve 'jeugdigheid' van de toeristische sector doet op verschillende manieren van zich spreken. Hoewel het om een grote bedrijfstak gaat, weet geen enkele instantie wat precies de omvang van de investeringen is. “Een witte vlek”, zegt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit jaar heeft het instituut voor ruimtelijke organisatie van TNO Delft onderzoek gedaan naar de bedrijfseconomische ontwikkeling van de Nederlandse toeristische sector in de periode 1985-1990. “Vooral na 1987 is sprake van een sterke stijging van de investeringen”, zegt onderzoeker drs. H.P. Krolis. Het percentage winstgevende bedrijven in de toeristisch-recreatieve sector is toegenomen van 81 procent in 1985 tot 91 procent in 1989. Daarmee deed de sector het relatief beter dan het totale bedrijfsleven. In sociaal opzicht is de bedrijfstak 'onderontwikkeld'. Althans, dat vinden de vakbonden. Feit is dat de organisatiegraad laag is. In het toerisme opereren veel familiebedrijven. De meeste werknemers hebben een contract voor bepaalde tijd en zouden er over het algemeen maar een matige beloning aan over houden. De vakbeweging streeft naar een CAO in deze branche, die overigens geen werkgeversorganisaties heeft. Zeven FNV-bonden trokken de afgelopen weken met dat doel langs een aantal attractieparken. De bonden beweren dat veel werknemers een CAO zouden willen. Maar volgens mr. E. Wage - docent toerisme en vrije tijdsbeleid aan de Hoge School voor Toerisme in Breda - passen collectieve afspraken - zoals die in een CAO - niet bij de toeristensector . “Daarvoor is de bedrijfstak veel te divers en te kleinschalig”, aldus Wage. Pas vanaf het eind van de jaren zeventig is de overheid zich serieus met het toerisme gaan bemoeien. Daarbij heeft zij zichzelf een louter voorwaardenscheppende rol toebedicht. De overheid geeft subsidies en investeringspremies, maar pleegt geen investeringen. Deze worden aan het bedrijfsleven overgelaten. Het geld voor de meeste investeringen komt van de grote institutionele beleggers - pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen - en van banken. Zij staan steeds minder te springen om hun miljoenen in een nieuw pretpark te steken. Dergelijke beleggingen brengen de nodige risico's met zich mee en het rendement valt vaak nogal tegen. “De oplossing zou een participatie-maatschappij kunnen zijn waaraan een aantal grote beleggers deelneemt. Daardoor kan het risico worden gespreid en wordt het aantrekkelijker om in toerisme te investeren”, zegt J.A.M. Zom, directeur van het Nederlands Research Instituut voor Toerisme (NRIT). De overheid wil - en dat is uitgangspunt van het voorwaardenscheppende beleid - dat Nederlandse bedrijven beter samenwerken. Dat is ook de kern van de nota 'Ondernemen in toerisme' van het ministerie van economische zaken, begin juni. De overheid zal structureel 75 miljoen gulden voor de sector ter beschikking stellen. Nederland zal zichzelf een breder profiel moeten aanmeten. Als Nederland zich internationaal wil onderscheiden moet het zich niet uitsluitend presenteren als land van klompen en tulpen maar veeleer als dat van water, cultuur-historisch erfgoed, kust en oude steden, aldus EZ. Het marktaandeel van Nederland binnen het Europees toerisme is de afgelopen tien jaar sterk gestegen. In een poging de groei van de Nederlandse toeristische sector te 'sturen' heeft het NBT dit voorjaar een strategisch marketingplan ontvouwd. Gecoordineerde samenwerking moet voorkomen dat Nederland afglijdt, zoals dat met toeristentopper Spanje is gebeurd. Na jaren van spectaculaire groei (tien tot twintig procent werd Spanje uiteindelijk te vol, te duur en te vies. Hoewel Nederland nauwelijks met Spanje te vergelijken valt, is de les duidelijk: de prijs van het toeristisch produkt moet gedekt worden door kwaliteit. Nederland is voor velen geen primair vakantieland, maar valt vooral als 'extra' vakantieland in de smaak. Buitenlanders komen vooral voor een tweede of derde korte vakantie hier naartoe. Aantrekkelijk voor het toeristisch bedrijfsleven is dat er tijdens dergelijke vakanties veel wordt besteed. Ondanks de speurtocht naar nieuwe 'trekkers' zal Nederland zich naar het buitenland toe blijven afficheren als land van dezelfde molens en tulpen. Een simpele symboliek werkt nu eenmaal. “Een tulp wekt in Tokio, New York en in de Sahara nu eenmaal associaties met Holland op”, zegt NBT-directeur Cornelissen. “En omdat we nog steeds geen blijvende top-attractie als de Eiffeltoren of het Vrijheidsbeeld hebben, moeten we de toeristen op andere wijze zien te lokken”. De buitenlandse NBT-kantoren doen aan 'gesegmenteerde promotie'. Lukrake werving is taboe. “Nederland moet zich de komende jaren primair richten op de buurlanden Duitsland, Belgie en Groot-Brittannie. Daar komt verreweg het grootste deel van de toeristen vandaan”, zegt de NBT-directeur. Naast de buurlanden richt de Holland-promotie zich op de andere Europese landen. In 1990 was Nederland - wat de categorie 'overig Europa' betreft - vooral in trek bij de Fransen en de Italianen. De laatsten verdubbelden sinds 1987 in aantal en worden beschouwd als de belangrijkste 'groeiers' op de Nederlandse markt. De toeristenwervers hebben hun vizier sedert enige tijd op Oost-Europa gericht. “De groei is iets sterker dan verwacht. De meeste Oosteuropeanen komen vooralsnog op de allergoedkoopste manier in volle autobussen en hebben nog te weinig te besteden”, zegt Cornelissen. Toeristenservice Nora uit Noordwijk - een klein zelfstandig reisbureau dat voor buitenlandse toeristen reizen naar Nederland organiseert, zag het afgelopen jaar de golf Oosteuropeanen duidelijk aanzwellen. “Tachtig procent van onze klanten komt uit Duitsland en zeker de helft daarvan woont in het oosten van dat land”, zegt directeur Mark Bloem die het bedrijf twee jaar geleden van zijn ouders overnam en nu voor ruim twintigduizend buitenlanders 'bemiddelt'. Reizigers van andere continenten - Amerika en Azie - zijn vooral uit een oogpunt van besteding interessant voor Nederland. Absoluut gezien komen er niet veel Amerikanen en Japanners naar Nederland, maar als ze komen geven ze veel geld uit. Bijna een vijfde deel van de inkomsten uit het buitenlands toerisme komt van deze groep. Hoewel Nederlanders vaker dan vroeger 'lekker weg in eigen land' gaan, is er al jarenlang sprake van een negatief resultaat op de Nederlandse toeristenbalans. Nederlanders geven nog altijd meer geld uit aan toerisme in het buitenland dan in hun eigen land. Overigens is dat in vrijwel alle Europese landen het geval, alleen Nederland springt er duidelijk uit. Het negatieve saldo is de laatste jaren alleen maar groter geworden. Nederlanders besteden jaarlijks in totaal 13,3 miljard gulden aan toeristische activiteiten. Omgerekend komt dat neer op een jaarlijks vakantiebedrag van bijna duizend gulden per hoofd van de bevolking. Ons land staat daarmee nummer een op de wereldranglijst van big holiday spenders. Maar het grootste deel van die bestedingen (meer dan tien miljard) komt - zo blijkt uit de toeristenbalans - in het buitenland terecht. In de hele wereld wordt aan toerisme bijna drie biljoen dollar uitgegeven. Driekwart van de Nederlandse bevolking gaat een of meerdere keren per jaar op vakantie, een zesde deel van de bevolking gaat nooit. Het NBT spreekt in zijn marketingplan over een maximale groei in deze binnenlandse sector van acht procent. Vooral pretparken en amusementsoorden profiteren van de groei van de Nederlandse toeristische sector. De meeste bezoekers komen uit eigen land. “Gemiddeld gaan er in Nederland zo'n 27 miljoen mensen per jaar naar een pretpark. Dat aantal stabiliseert zich al een paar jaar. Je hebt in deze sector dus niet te maken met een spectaculaire groei maar wel van een blijvend gigantisch aanbod dat we met z'n allen zo eerlijk mogelijk proberen te verdelen”, zegt W. Verberkmoes, manager van Safaripark de Beekse Bergen. Het park in Hilvarenbeek krijgt jaarlijks 350.000 bezoekers, waarvan driekwart uit eigen land. Verberkmoes noemt de Nederlandse dierentuinen “van wereldniveau” en ziet die kwaliteit als de kracht van de parken. “Daardoor zullen ze bezoekers blijven trekken”. Directeur A. Rensen van het Noorder Dierenpark in het centrum van Emmen is het daar mee eens. “Door de nadruk te leggen op informatie en educatie hebben we een speciaal park geconstrueerd dat tegelijkertijd een soort museum is”, vertelt Rensen. De formule is een overdonderend succes geworden. Het Noorder Dierenpark haalde in 1990 liefst 1,4 miljoen mensen binnen en is na de Efteling (2,5 miljoen bezoekers) de grootste attractie van Nederland met een omzet die de afgelopen jaren vrij constant steeg met steeds een miljoen gulden per jaar tot negentien miljoen gulden in 1990. Nederland moet het naast de pretparken vooral van speciale jaarlijkse attracties en tentoonstellingen hebben. De Van Gogh tentoonstelling brak alle records. Samen met de manifestatie Sail Amsterdam zorgde de expositie voor een toename van het toerisme in Amsterdam van zeven procent in 1990. Aan het eind van dit jaar staat een tentoonstelling van Rembrandt op het programma in verschillende musea in Amsterdam. De hoofdstad is volgens velen de ideale plek voor dergelijke culturele manifestaties. Maar niet voor iedereen uit de toeristische sector betekent dat daarom ook positieve effecten. Zo breidde de hotellerie in de hoofdstad zich het afgelopen jaar uit met 2121 bedden en hadden de meeste hotels het ondanks het groeiend aantal toeristen toch moeilijk om de kamers vol te krijgen. Amsterdam biedt de toerist de grootste 'bedden-keuze' in Nederland. De hoofdstad telt 25.000 hotelbedden op het totale Nederlandse aanbod van bijna 140.000 bedden. Volgens Krasnapolsky-directeur P. Tichelaar doet Amsterdam het de afgelopen jaren niettemin uitzonderlijk goed als het gaat om het binnenhalen van buitenlandse toeristen. “Als je ziet hoeveel groter de promotie-budgetten van andere Europese hoofdsteden zijn, ben ik er verbaasd over hoe goed we het doen”.