Wat zei moeder in de wolken

Toneelteksten voor Jeugdtheater. Samengesteld door Dennis Meyer en Loek Zonneveld. Uitq. Nederlands Theaterinsfftuut en International Theatre & Film Books. Prijs f 25,-.

In de wandelgangen van het jeugdtheater zoemt het van tevredenheid: er worden mooie, gedurfde voorstellingen gemaakt, er ontstaan interessante verbindingen met muziek, dans en beeldende kunst, regisseurs van het 'grote' toneel wagen zich af en toe aan een kinderpubliek en op buitenlandse festivals zijn enkele Nederlandse groepen zeer in trek. Het heet dat het jeugdtheater in ons land volwassen is geworden. Letterlijk genomen klopt dat soms precies: toneel voor kinderen lijkt voor theatermakers soms een vrijplaats om hun experimenteerdrift te botvieren zonder enige merkbare gedachte te wijden aan de levenservaring van de toeschouwer. Ook overigens valt op die volwassenheid het een en ander af te dingen. Met Liesbeth Colthof, Hans van den Boom, Ad de Bont en Roel Adam begint er een vaste kern van blijvend voor kinderen werkende theatermakers te ontstaan. Getalenteerde acteurs echter worden binnen de kortste keren door het volwassen toneel opgeslokt. En ondanks de productiviteit van Pauline Mol, Suzanne van Lohuizen en Heleen Verburg bestaat er een voortdurend gebrek aan speelbare teksten. De belangstelling op de toneelopleidingen en binnen de theaterwetenschap schommelt tussen minimaal en niet bestaand en een klimaat waarin ontwikkelingen en prestaties constant en kritisch gevolgd worden ontbreekt.

Dat er een achterstand op het gebied van de infrastructuur bestaat, was zowel voor de jeugdtheaterwereld zelf als voor de subsidiegevers duidelijk en leidde in 1990 tot het driejarige Jeugdtheater-project, een samenwerkingsverband tussen het Nederlands Theaterinstituut en de vereniging van kinder- en jeugdgezelschappen de Bundeling. Principieel is de keuze om niet, zoals bij voorbeeld in Duitsland, te streven naar een afzonderlijk jeugdtheaterinstituut, maar om specifieke kennis en documentatie in te brengen en verder te ontwikkelen binnen het Amsterdamse Theaterinstituut.

Doel van het project is deskundigheidsbevordering, informatievoorziening en het leggen van internationale contacten. Voortbouwend op de vroegere bibliotheek van de Krakeling wordt gestreefd naar een zo compleet mogelijk overzicht van Nederlandstalig repertoire en er bestaat een collectie recensies, voorstellingsmateriaal en video-opnames. Zichtbare resultaten tot nu toe zijn de uitgave van tentoonstelling, die ver weggestopt op de zolder van het Theaterinstituut een weinig volwassen beeld gaf van twintig jaar toneel voor kinderen.

Een zinvol initiatief is de uitgave van vijf jeugdtheaterteksten in samenwerking met uitgeverij International Theatre & Film Books. De bundel is samengesteld door Dennis Meyer en Loek Zonneveld en bevat een selectie uit de afgelopen tien jaar, bestemd voor verschillende leeftijdsgroepen. Keuzecriterium was kwaliteit en de markering van belangrijke punten in de jongste geschiedenis van het jeugdtheater. Dat leidt tot een uitermate heterogeen en nauwelijk vergelijkbaar gezelschap: Hel bijzondere leven van Hilletje Jan (1983) van Ad de Bont en Alan Zipson, Als de tiid daar is (1984) van Gert Fokkeas, Dag monster (1986) van Pauline Mol, Moeder in de wolken ( 1987) van Heleen Verburg en Over morgen (1990) van Roel Adam. Het is spannend om de verschillen tussen tekst en voorstelling te kunnen ervaren. Zonder de verrassende rolwisselingen en prachtige patronen van licht en beweging worden de zinnen in Dag monster nog gekunstelder dan ik ze me herinner. Moeder; in de wolken is op schrift aanzienlijk minder bedrukkend dan op de planken. Hilletje Jans roept ook zonder dat ik het ooit zag wervelende historische beelden met een niet mis te verstane boodschap op en het is niet ondenkbaar dat de hoogste klas van een basisschool het op haar afscheidsavond speelt. De bedoeling van Als de tijd daar is is ongetwijfeld diepzinnig, maar zonder enscenering volstrekt raadselachtig. In de korte periode tussen 1983 en 1990 lijkt een ontwikkeling ten gunste van de autonome tekst te hebben plaats gevonden: het literair meest gave verhaal van de vijf is Over morgen van Roel Adam. Overigens is diens werk minder representatief voor de laatste tien jaar dan dat van de ontbrekende Hans van den Boom (theatergroep de Blauwe Zebra) en het bevreemdt mij ook geen Vlamingen tegen te kormen - bij voorbeeld Eva Bal - aangezien die in de betreffende periode het gezicht van het Nederlandse jeugdtheater mee bepaald hebben. Mogelijk vinden zij een plaats in de volgende bundeling die op stapel staat.

Dit zachte gemor valt in het niet bij het belang van de uitgave. De volwassenheid vat het jeugdtheater wordt niet alleen bepaald door voortdurend nieuw en anders. maar ook door het vestigen van tradities -- wat zou het niet opwindend zijn om met kinderen naar een stuk te gaan dat je zelf gezien hebt toen je klein was, zoals je naar Walt Disney's Bambi kunt gaan of de versjes van Annie Schmidt kunt voorlezen -- en door het schrijven van de eigen geschiedenis.