Wat wij dachten rent voor ons uit

Lars Gustafsson: De stilte van de wereld voor Bach. Gedichten. Keuze, vertaling, nawoord J. Bernlef. Uitg. De Bezige Bij, 94 blz. Prijs (f) 34,90.

Volgens de Zweedse filosoof, schrijver en dichter Lars Gustafsson zullen wij nooit onze eigen gedachten de baas worden en de wereld geheel kunnen doorgronden. Maar het is wel interessant erover na te denken. Gustafsson is hoogleraar filosofie in Texas. Deze week was hij in Nederland om voor te lezen op Poetry International. “Ik schrijf over existentiele vragen. Mijn belangrijkste thema is de vrijheid van de wil.” De Zweed Lars Gustafsson schrijft over denkers. De personages in zijn romans en gedichten willen het liefst begrijpen wat hun overkomt en ze krijgen het te kwaad wanneer hun iets overkomt dat niet te begrijpen valt; dan gaan ze tobben en piekeren. In de roman Het eigenlijke relaas over de heer Arenander (1966) schrijft Gustafsson over een van zijn personages: “Toen hij jong was beleefde Segantini eens een zeer intense liefdesgeschiedenis. Het begon voor hem met de ontdekking dat een meisje dat hij veel te veel bewonderde om ook zelfs maar een woord met haar te wisselen, verliefd was geworden, werkelijk hartstochtelijk verliefd op hem was geworden. Dat bracht hem in een nieuwe, verwarrende situatie. Wat was het precies waar zij verliefd op was geworden?”

Het leven zit vol problemen, zoveel is duidelijk. Wat te doen wanneer men alles wil begrijpen? Men kan misschien wiskunde, Scandinavische letteren en autotechniek studeren; proefschriften schrijven over het geheime leven van vlinders of over de constante van Euler; verre reizen maken naar oude Indianenculturen of naar moderne hoofdsteden, Brasilia bij voorbeeld; romans van Tolstoj en Flaubert lezen, en naar de televisie kijken. Met die kennis gewapend zal men misschien vrij nauwkeurig weten hoe het in de wereld toe gaat. Nu volgt het probleem van Gustafsson, misschien wel het Zweedse probleem. Dit houdt in: zou het mogelijk zijn zo veel kennis te bezitten dat we macht krijgen over wat ons overkomt? Zodat we ons steeds bewust zijn van wat wij denken, nooit meer fouten maken en nooit meer voor verrassingen komen te staan? Helaas, zo houdt Gustafsson ons in zijn romans en gedichten voor, zoiets is gedoemd te mislukken. Nooit zullen wij onze eigen gedachten de baas zijn. Nooit zullen wij het punt naderen waarop wij kunnen zeggen: zo zit de wereld in elkaar. De wereld en wijzelf zijn er te ingewikkeld voor. De wetenschap zweeft door de wereld zonder ergens op een enkele plek lang genoeg te willen blijven om er te kunnen wortelen. De door velen veronderstelde samenhang tussen de dingen bestaat niet, ja is een sprookje. En we hebben ons leven niet in eigen hand; wij leven niet maar worden geleefd. Hij schrijft:

Wat wij 'ik' noemen is het meest onpersoonlijke dat wij bezitten: stemmen van leraren, de kleuterjuf met haar liniaal, het fluitje in het al te luid weerkaatsend gymnastieklokaal.

Wat wij 'dat' noemen: het orgasme, de plotselinge inval, de woedeaanval die even bliksemsnel opdoemt als de ingeving. Dat alles is het meest persoonlijke dat wij bezitten.

Wie de romans en gedichten van Gustafsson leest komt onder meer het volgende te weten: . dat er geen samenhang is tussen de dingen, zelfs geen uiterlijke . dat er geen werkelijke uitweg uit het leven bestaat . dat in het paradijs geen leugens worden verkocht . dat eenzaamheid onmogelijk is omdat wij altijd door iets worden afgeleid . dat wij een lichaam zijn en dat alles wat gedaan moet worden, met het lichaam moet worden gedaan . dat men zich met de dood beter niet kan inlaten . dat de wereld rijk is aan inhoud maar arm aan geluiden . dat het leven van toevalligheden aan elkaar hangt.

Het is niet gemakkelijk zulke beweringen tegen te spreken. Moet men bewijzen dat het juist erg aantrekkelijk is om samenhangen tussen de dingen te verzinnen? Dat eenzaamheid misschien niet bestaat maar toch geen pretje is? Dat er op de wereld verdraaid veel lawaai wordt gemaakt?

Deze week was Lars Gustafsson in Rotterdam te gast bij Poetry International. Gustafsson (1936) studeerde wijsbegeerte in Uppsala en Oxford en debuteerde op achttienjarige leeftijd als dichter. In 1979 verliet hij Zweden en vertrok naar de Bondsrepubliek Duitsland. Inmiddels woont hij in Austin, Texas, waar hij hoogleraar filosofie is. Vooral in Duitsland zijn de boeken van Gustafsson bekend, dank zij de inspanningen van de onvermoeibare denker Hans Magnus Enzensberger. In het Nederlands verschenen de romans Het eigenlijke relaas van de heer Arenander en De dood van een imker, de poeziebundels Het vaderland onder de aarde, Vanzelfsprekend natuurlijk en De stilte van de wereld voor Bach. Gustafsson werkt nu aan een roman die naar zijn zeggen gaat over mislukkingen, en aan een filosofische studie The Logic of Tolerance. Verder houdt hij van Sibelius, aquarelleren en tennissen. Ik spreek de schrijver in een solistenkamer van de Doelen. Gustafsson eet twee broodjes en maakt ondanks vele hoffelijkheden niet de indruk zich bijzonder op zijn gemak te voelen. Hij vertelt over zijn bezoek aan het eerste Poetry-festival in 1970, toen er nog weinig hoge gebouwen in de binnenstad stonden. Het was toen veel leger, herinnert hij zich. Hij spreekt mompelend, moeilijk onverstaanbaar, en hij lacht nog voordat ik heb begrepen dat hij een grapje maakt. Hier volgt de conversatie. Waarom heeft u Zweden verlaten? “Het is onmogelijk om in Zweden als schrijver te werken. Men wordt er voortdurend door de belastingen lastig gevallen. Ik was gedwongen geld van mijn uitgever lenen en dat belemmerde me in mijn vrijheid. Ik beschouw mezelf niet als een balling, want Zweden heeft geen totalitaire regering die mij verbiedt terug te keren. Maar wel heeft de regering de produktiviteit in het land vernietigd en een inefficient sociaal systeem in het leven geroepen, zodat ik niet van plan ben er naar terug te keren. Men moet op sommige ziekenhuisoperaties twee jaar wachten. Nee, de droom van een socialistisch-democratische samenleving is voorbij, althans in Zweden.” Heeft uw werk eronder geleden? “Deze kwesties zijn van ondergeschikt belang in mijn werk. Ze zijn als muggen die je op een zomeravond van je af slaat. Ik heb er vroeger veel over geschreven en daardoor ben ik ook een controversieel schrijver geworden. Maar nu maken andere schrijvers zich er druk om. Het is een triviaal probleem geworden.” Uw werk heeft een nogal filosofische toon. “Ik schrijf over existentiele vragen. Mijn belangrijkste thema is de vrijheid van de wil.” U citeert ook Wittgenstein. “Werkelijk?” Ja, u citeert: Ik word in steen veranderd en mijn pijn duurt voort. “Dat is waar. Dat komt uit de Philosofische Untersuchungen. Wittgenstein vraagt zich daar af of er een persoonlijke taal kan bestaan. Hij wil weten wat het betekent om een steen te zijn die niet kan praten en toch pijn heeft. Bestaat in ons een principe dat niet kan worden vertaald, een principe dat niemand kan controleren, ervaringen die niet mededeelbaar zijn?” Wat denkt u? “Er bestaan twee doctrines. Men kan met Wittgenstein concluderen dat wat niet kan worden meegedeeld niet bestaat, zodat alles duidelijk is. Maar men kan ook menen dat er een ultieme persoonlijke sfeer bestaat die de dichter moet proberen te benaderen. Dat is volgens mij de theorie van het modernisme; de dichter benadert de oneindigheid maar slaagt er nooit in die volledig te bereiken. Dat zou de volledige stilte betekenen. Het is zoals Leibniz heeft geschreven: alleen God is in staat de uiteindelijke stilte te horen.” Is het niet merkwaardig om als schrijver naar stilte te streven? “Er zit misschien iets paradoxaals in. Volledige stilte is triviaal en oninteressant. Stilte wordt pas interessant als er geluiden bestaan. Dan wordt de stilte als een oppervlakte, bij voorbeeld als de witte achtergrond op aquarellen. Een interessante vraag is bij voorbeeld waarom wij spreken van het einde van een gedicht.” Vindt u het moeilijk om een einde aan een gedicht te maken? “Ik vind het moeilijk om te accepteren dat een gedicht een einde heeft. Mijn gedichten eindigen meestal wanneer ik lui begin te worden.” Lui of moe? “Ja, lui of moe. Mijn antwoord is genspireerd door Charles Sanders Peirce, een uitstekende Amerikaanse pragmatische filosoof. Hij was tijdgenoot van Ralph Waldo Emerson. Hij was veel beter dan Emerson.”

Tot zover de conversatie met de Texaanse Zweed Lars Gustafsson. Later lees ik in een encyclopedie dat de term pragmatisme door Peirce in 1878 werd gentroduceerd. Charles Sanders Peirce (1839-1914) geldt als de voornaamste grondlegger van de relatielogica en heeft, in dit opzicht te vergelijken met Leibniz, tal van denkbeelden geopperd die nog steeds een bron van inspiratie voor het huidige onderzoek vormen. Peirce heeft zijn leven lang gezocht naar een bevredigend ontologisch en kosmologisch systeem. Daarbij hechtte hij grote waarde aan toeval en spontaneteit (tychisme), aan samenhang (synechisme) en aan liefde als drijfveer van de kosmische evolutie (agapisme). Het pragmatisme is gericht op het functioneren van uitspraken en theorieen in plaats van te zoeken naar een absolute waarheid. Voortbouwend op een empirische traditie, wijst zij verborgen krachten of achter de verschijnselen liggende substanties af. Ons denken staat in dienst van het praktisch handelen; waarheid is subjectief en relatief en begrippen hebben slechts regulatieve betekenis voor de ervaring. Alleen wat praktische uitwerking heeft telt: waar is wat werkt.