Slovenie en Kroatie voldoen aan voorwaarden volkenrecht ; Erkenning nieuwe staten duurt lang

Sinds 11 maart 1990, de datum van de Litouwse verklaring van hernieuwde onafhankelijkheid, hebben een opmerkelijk aantal kandidaat staten zich op het wereldforum aangemeld. Terwijl dat in de jaren zestig en zeventig, toen vele kolonien zelfstandige staten werden, heel gebruikelijk was, droogde daarna de stroom geleidelijk aan op. Het lidmaatschap van de Verenigde Naties groeide in 1990, met de toelating van Namibie, nog wel tot het ongekende aantal van 160, maar veel mogelijkheden tot verdere uitbreiding leken niet meer voorhanden.

Na Litouwen hebben zich echter toch weer kandidaat-staten (en daarmee mogelijk kandidaat lid-staten van de Verenigde Naties) aangediend. Ditmaal betreft het echter niet zozeer koloniale imperia die uit elkaar vallen, maar gaat het om afscheidingen van niet-overzeese delen van gevestigde staten. De centrale autoriteiten van de staten die gebieden dreigen te verliezen, stellen zich daar afwijzend tot zeer afwijzend tegenover op. In dat opzicht wijkt hun gedrag niet erg af van dat van de meeste koloniale mogendheden in de voorgaande decennia. In vergelijking met de periode van dekolonisatie verschilt de reactie van de statengemeenschap wel opvallend. Zo is tot nu toe van de kant van de Verenigde Staten en de EG lid-staten slechts met weinig begrip en ontmoedigend (vooral door de Europese Gemeenschap) gereageerd op het Sloveens en Kroatisch afscheidingsstreven. In verklaringen werd het teloorgaan van de Joegoslavische territoriale integriteit als ongewenst bestempeld. Met wat meer sympathie is tot nu toe met de afscheidingsperikelen in de Sovjet-Unie omgegaan, maar is IJsland nog steeds de enige staat die (op 12 februari van dit jaar) Litouwen heeft erkend. Volkenrecht Zijn er misschien volkenrechtelijke redenen die een meer gastvrij onthaal van, met name, Slovenie en Kroatie in de weg staan? Dat lijkt niet zo zeer het geval. Evenals de Baltische Republieken, Armenie en Georgie, lijken zij te voldoen aan de drie basisvoorwaarden die het volkenrecht aan een staat stelt. Zij beschikken over een bevolking, beslaan een bepaald territorium en er is een regering die redelijk effectief haar gezag uitoefent binnen dat territorium. Wat de Kroatische regering betreft zou overigens wel enige twijfel kunnen bestaan ten aanzien van de effectiviteit van haar gezagsuitoefening door de ondermijning daarvan door de Servische minderheid binnen haar grenzen. Zowel de regering van Kroatie als die van Slovenie zijn op democratische wijze, niet na bloedige revoluties, tot stand gekomen. Hun legitimiteit wordt als zodanig zelfs door de centrale overheid in Belgrado erkend. Over de landsgrenzen lijken geen zeer serieuze geschillen te bestaan, al is ook in dit opzicht de positie van Kroatie wat moeilijker. Definitief bepaalde grenzen behoren echter niet tot de volkenrechtelijke voorwaarden. Vaak wordt in het volkenrecht aan de drie klassieke basisvoorwaarden nog een vierde toegevoegd: de regering zou in staat moeten zijn om buitenlandse betrekkingen te onderhouden. In beginsel kunnen de Sloveense en Kroatische regeringen ook aan deze, veel meer omstreden, voorwaarde voldoen. De praktische uitvoering ervan is echter vooralsnog, bij gebrek aan diplomatieke relaties, niet goed mogelijk. Erkenning Ook als aan de drie klassieke volkenrechtelijke criteria is voldaan en de bevolking op democratische wijze voor het vestigen van een eigen staat heeft gekozen, zijn derde staten niet verplicht de aspirant-staat als staat te erkennen en daarmee diplomatieke relaties aan te gaan. Erkenning is in de eerste plaats een politiek instrument, waaraan het volkenrecht maar weinig (gewoonterechtelijke) regels stelt. Een van die regels is wel dat een staat zich dient te onthouden van premature erkenning: zolang het succes van een afscheiding nog onduidelijk is, is erkenning van de nieuwe staat volkenrechtelijk onrechtmatig. Dit verklaart gedeeltelijk waarom de eerste erkenning van een afgescheiden staat vaak lang op zich laat wachten. IJsland erkende Litouwen pas negen maanden na de onafhankelijkheidsverklaring en dan voltrok de Litouwse afscheiding zich redelijk vreedzaam. In volkenrechtelijk licht zou het regelmatige ingrijpen van de 'zwarte baretten' in Litouwen, kunnen worden gezien als blijk dat de afscheiding nog niet succesvol is en dat erkenningen dus prematuur zouden zijn. De erkenning in 1968 door een vijftal staten van de staat Biafra die na afscheiding van Nigeria in mei 1967 de onafhankelijkheid had uitgeroepen, dient in dit opzicht meestal als voorbeeld. Op het moment van erkenning was de Biafraanse burgeroorlog in volle gang en het succes van de afscheiding hoogst onzeker. Al gingen de erkennende staten niet eens over tot het aangaan van diplomatieke betrekkingen met de Biafraanse regering (waartoe de erkenning ook niet verplichtte), toch worden hun erkenningen gewoonlijk als volkenrechtelijk onrechtmatige daden gezien. Ook in het geval van Slovenie en Kroatie lijkt een vreedzaam voortschrijden van het afscheidingsproces erg onzeker. De regering van Joegoslavie verklaart zich niet bij de afscheiding te zullen neerleggen en grootscheeps militair ingrijpen door federale strijdkrachten is geenszins denkbeeldig. In dat ongelukkige geval zullen de Sloveense en Kroatische proclamaties van onafhankelijkheid voorlopig niet veel meer dan idealen weergeven. Mocht, zoals in het Litouwse geval, het afscheidingsproces toch gedurende een aanzienlijke tijd redelijk vreedzaam verlopen dan is vanuit volkenrechtelijk oogpunt niet langer bezwaar tegen erkenning en het aangaan van diplomatieke betrekkingen. Een dergelijk vreedzaam proces kan overigens in sommige staten, ook zonder erkenning, juridische consequenties hebben. In Nederland, bij voorbeeld, beoordeelt de rechter, indien dat in een rechtzaak nodig is, onafhankelijk van het regeringsstandpunt of een bepaalde entiteit ooit een staat was of is. Daarvoor wordt dan in de eerste plaats aan de hand van de bovengenoemde volkenrechtelijke criteria getoetst.