Sao Paolo

Een keer heb ik de Biennale van Sao Paolo bezocht, in 1981. Onze Braziliaanse collega had, zoals hij het noemde, een colloquium belegd met de artistieke directeuren van andere grotere, periodieke tentoonstellingen: Parijs, Venetie, Sydney, Kassel en Medellin. Als niet-gebruiker had ik nog nooit van die stad in Colombia gehoord. De directeur van de Biennale was een kleine, zachtmoedige advocaat.

Op dat soort bijeenkomsten wordt, behalve over praktische problemen, altijd gepraat over de zin van zulke exposities en ook over de selectiecriteria. Ook Jan Hoet heeft het daarover, op de Documenta-toogdagen die hij in Gent en Weimar heeft georganiseerd. Niemand zegt gewoon dat tentoon te stellen wat hij (zij) mooi vindt. Dat is te arrogant en te simpel. Grote tentoonstellingen, waarin ook veel geld omgaat, hebben een intellectueel fundament nodig, anders worden ze niet serieus genomen. Het bijzondere probleem voor de directeur van de Biennale van Sao Paolo was de verhouding tussen de eigen, maar semi-koloniale kunst in Brazilie en de kunst uit het centrum, Noord-Amerika en Europa. Hij had gestudeerd in Parijs en daar had hij zijn idee over cultuur gevormd. Nu was hij terug in Brazilie, vol heimwee naar het intellectuele klimaat in Europa; met de autochtone kunst had hij moeite. Hij wist niet precies vanuit welk standpunt hij moest kiezen. Wij hebben hem gesuggereerd jonge Braziliaanse kunstenaars de buitenlandse kunst, die uit het centrum, voor zijn tentoonstelling te laten uitzoeken: die kunst waarmee zij wat zouden kunnen beginnen. Nu heeft een Braziliaanse commissie, zo lees ik in de courant, enkele Nederlandse kunstenaars, uit onze inzending, afgewezen. Voor die kunstenaars is dat natuurlijk vervelend - maar voor de Brazilianen in Sao Paolo is het een moment van grote verheldering. Misschien.